Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5817

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-2001
Datum publicatie
15-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/22204
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE1168
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht / procesbelang / doorprocederen.

Eiser, een Burundees, heeft in december 2000 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft na 1 april 2001 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid sub d, Vw 2000 verleend. In de beschikking is geen motivering opgenomen waarom eiser geen verblijfsvergunning op de a-,b- of c- grond krijgt. Ten aanzien van de vraag of eiser belang heeft bij de beoordeling van het beroep overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank volgt verweerders stelling niet dat de beslissing om een verblijfsvergunning op de d-grond te verlenen geen formele rechtskracht toekomt. Daartoe wijst de rechtbank op het algemene bestuursrecht. Uit de in de Vc 2000 voorgeschreven toetsingsvolgorde blijkt dat ingeval een vergunning op de d-grond verleend wordt, verweerder geoordeeld heeft dat geen grond bestaat verlening van die vergunning op de a-,b- of c- grond. Dat (impliciete) oordeel krijgt formele rechtskracht als daartegen geen beroep is ingesteld of als een wel ingesteld beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Slechts als sprake is van uiterst zwaarwegende nieuwe feiten zou kunnen worden overwogen om die rechtskracht niet (langer) tegen te werpen. Ten aanzien van de toezegging van verweerder om die formele rechtskracht niet tegen te werpen overweegt de rechtbank dat van een - in rechte te toetsen - volledige heroverweging geen sprake is. Als de wetgever beoogd heeft een uitzondering op de formele rechtskracht te willen maken had dat in de tekst van de wet tot uitdrukking gebracht moeten worden. Eiser heeft dus belang bij de beoordeling van zijn beroep. In de beschikking is niet gemotiveerd waarom eiser niet voor verlening van een verblijfsvergunning op de a-,b- of c- grond in aanmerking komt en de motivering is niet inzichtelijk. Beroep gegrond.

N.B. In de eerste uitspraak is het beroep gegrond verklaard en is het bestreden besluit integraal vernietigd.

Als gevolg van de integrale vernietiging is ten onrechte de verlening van de verblijfsvergunning, eerste lid, onder d, Vw 2000 teniet gedaan. Bij uitspraak van 30 november 2001 is dit hersteld en wordt de verlening van de vergunning op de d-grond in stand gelaten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 3:47
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/22204 BEPTDN GR

uitspraak: 12 november 2001

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1969,

verblijvende te B,

van Burundese nationaliteit,

IND dossiernummer 0012.26.8018,

gemachtigde: mr. J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkmaar,

eiser,

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 26 december 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 20 april 2001 heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet 2000, met ingang van 26 december 2000, geldig tot 26 december 2003.

1.2 Bij beroepschrift van 23 mei 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen deze beschikking.

1.3 Het beroep is ter zitting van 25 september 2001 behandeld. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 TOETSINGSKADER

2.1 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet ingetrokken en is Vw 2000 in werking getreden.

De rechtbank dient te beoordelen of eiser, na inwerkingtreding van Vw 2000, belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

3 STANDPUNTEN

3.1 Eiser stelt zich op het volgende standpunt.

In de beschikking is niet gemotiveerd waarom eiser geen verblijfsvergunning asiel heeft gekregen op de a-, b- of c-grond van artikel 29 Vw 2000. Eiser stelt belang te hebben bij een correcte motivering van de beslissing van verweerder.

Eiser betwist voorts de juistheid van verweerders stelling dat bij een eventuele intrekking alsnog geprocedeerd kan worden over de juiste verleningsgrond, omdat verweerder er dan aan voorbij gaat dat de vreemdeling bewijsrechtelijk in een moeilijker positie wordt gebracht.

Daarnaast heeft eiser er belang bij te weten of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw 2000, vanwege de beperkte mogelijkheden een dergelijke vergunning in te trekken.

Eiser verwijst met betrekking tot het leerstuk van de formele rechtskracht voorts naar de uitspraak van de meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 24 augustus 2001, JV 2001/269.

3.2 Verweerder stelt zich op het volgende standpunt.

Eiser heeft geen belang bij voortzetting van de onderhavige procedure. Na 1 april 2001 kan een vreemdeling die reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw, geen andere titel verkrijgen dan hij al heeft, ongeacht de vraag of zich mogelijk (ook) een andere grond voor toelating als bedoeld in artikel 29 Vw zou voordoen. De kern van het nieuwe wettelijke systeem is dat in deze situatie geen belang bestaat bij verder procederen. Verweerder verwijst hiertoe naar de parlementaire geschiedenis bij Vw 2000, waaruit de bedoeling van de wetgever op dit punt duidelijk blijkt.

Verweerder betoogt voorts dat het beginsel van de formele rechtskracht (waarnaar de meervoudige kamer van de rechtbank in haar uitspraak van 24 augustus 2001 verwijst) geen absoluut karakter heeft. De rechtbank miskent in die uitspraak dat de wetgever in de parlementaire geschiedenis duidelijk heeft gemaakt dat bij de intrekking van een verblijfsvergunning voluit gediscussieerd kan worden over de vraag of bij de verlening van die vergunning verweerder terecht heeft besloten dat betrokkene niet op één van de andere gronden van artikel 29 Vw 2000 in aanmerking kwam voor toelating (of volgens het oude recht voor een a-status of een asielgerelateerde vergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard). Verweerder verwijst in dat verband naar de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, TK 1998-1999, 26 732, nummer 3), waaruit blijkt dat de weigering de vreemdeling als vluchteling of op een andere individuele asielgerelateerde grond toe te laten, geen formele rechtskracht krijgt; ook niet als de vreemdeling die op de d-grond van artikel 29 Vw 2000 is toegelaten geen beroep instelt of als het beroep, wegens het ontbreken van belang, niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bij intrekking van een vergunning die op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is verleend, kan de formele rechtskracht van de afwijzing van de verblijfsvergunning op de overige asielgronden dan ook niet door verweerder worden tegengeworpen.

De bedoeling van de wetgever is duidelijk, en van die bedoeling moet dan ook worden uitgegaan, tenzij daardoor strijd ontstaat met rechtstreeks werkende verdragsbepalingen. Daarvan blijkt niet.

Zo er echter van zou moeten worden uitgegaan dat de eerdere beslissing tot toelating op de d-grond desondanks formele rechtkracht krijgt, zegt verweerder toe die formele rechtskracht ingeval van intrekking van die vergunning niet tegen te werpen. In een dergelijk geval zal desgewenst alsnog worden getoetst of de vreemdeling niet op grond van één van de individuele toelatingsgronden voor toelating in aanmerking had moeten komen. Indien daarvan blijkt, zou bezien kunnen worden of ten aanzien van die (bij nader inzien) toepasselijke grond (ook) een intrekkingsgrond voor handen is. Tenslotte kan alsdan worden bezien of de vreemdeling op het moment van de intrekking alsnog op grond van een individuele verleningsgrond in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat alsdan van een andere bewijslastverdeling moet worden uitgegaan, of dat de vreemdeling bewijstechnisch in een moeilijker positie wordt gebracht. De vraag welke eisen moeten worden gesteld aan het te leveren bewijs is te casuïstisch van aard om daarover in dit verband uitspraken te doen.

In de beschikking in primo, die is genomen onder vigeur van Vw 2000, is aangegeven op welke grond de vergunning is verleend. Bij de beoordeling daarvan is de inhoud van het gehele dossier betrokken. Naar de mening van verweerder is dit een voldoende motivering, waarbij wordt verwezen naar de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000, C3/14) en de parlementaire geschiedenis (TK 85-5486). Er wordt voldaan aan de motiveringseis van artikel 3:47 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3:48, tweede lid, Awb speelt geen rol.

4 OVERWEGINGEN

4.1 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.2 De rechtbank volgt verweerder niet in de primaire stelling dat geen formele rechtskracht toekomt aan de beslissing eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw 2000 te verlenen.

In het Nederlandse bestuursrecht geldt als leidend beginsel dat binnen een bepaalde termijn beroepbare beschikkingen formele rechtskracht krijgen, als daartegen niet (tijdig) of tot in laatste gewone aanleg niet met succes is opgekomen (zie onder meer ABRvS 13 juni 1996, AB 1997/2; ABRvS 19 augustus 1996, AB 1997/3).

In C1/1.1 en C1/1.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat tijdens de asielprocedure in de eerste plaats onderzocht wordt of de asielzoeker moet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Indien dat niet het geval is, wordt onderzocht of het asielrelaas aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van achtereenvolgens artikel 29, eerste lid, b tot en met f, Vw 2000.

Daaruit volgt dat, ingeval een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw 2000 wordt verleend, verweerder heeft geoordeeld dat zich geen grond voor verlening van een vergunning als bedoeld onder a, b of c voordoet. Als tegen dat (implicite) oordeel van verweerder geen (of niet tijdig) beroep wordt ingesteld, of als een ingesteld beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, krijgt dat oordeel dus formele rechtskracht.

Slechts indien uiterst zwaarwegende nieuwe feiten daartoe nopen, zou kunnen worden overwogen het beginsel van de formele rechtskracht in een individueel geval niet (langer) tegen te werpen. Dat is echter een situatie die zich thans niet voordoet.

4.3 Ten aanzien van verweerders toezegging geen formele rechtskracht tegen te werpen indien in de toekomst de verleende verblijfsvergunning zal worden ingetrokken (of de geldigheidsduur ervan niet zal worden verlengd), en de discussie of de verblijfsvergunning destijds niet op andere gronden had moeten worden verleend alsnog voluit te zullen voeren, oordeelt de rechtbank als volgt.

Het in de Nederlandse rechtsorde geldende gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat de rechter die in (hoger) beroep heeft te oordelen over de intrekking van de verleende vergunning aan de formele rechtskracht van het onbestreden oordeel van verweerder is gebonden. Het rechterlijk oordeel beperkt zich in een dergelijk geval dan ook tot de vraag of verweerder terecht heeft besloten de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel de geldigheidsduur daarvan niet te verlengen. De vraag of aan de vreemdeling in het verleden een verblijfsvergunning op andere gronden had moeten worden verleend (en dus de vraag of verweerder bij de intrekking of niet-verlenging van de verleende vergunning de juiste gronden heeft gehanteerd) kan daarbij geen rol spelen. De vraag of de vreemdeling op dat moment alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning op één van die andere gronden kan alleen aan bod komen in het kader van een nieuwe asielaanvraag. Aan een inhoudelijke beoordeling van die aanvraag kan de rechter -gelet op het bepaalde in artikel 4:6 Awb- echter slechts toekomen indien sprake is van rechtens relevante nieuwe feiten of omstandigheden.

Van een -in rechte te toetsen- volledige heroverweging kan, ondanks toezeggingen daartoe van verweerder, dan ook geen sprake zijn.

4.4 Dat uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van Vw 2000 zou kunnen blijken dat de wetgever een uitzondering heeft willen maken op het beginsel van de formele rechtskracht dan wel op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, maakt dat oordeel niet anders. Als de wetgever een zo ingrijpende uitzondering op zulke fundamentele beginselen had willen maken, had de wetgever dat wel tot uiting gebracht in de tekst van de wet.

Het vorenstaande betekent dat eiser belang heeft bij beoordeling van het beroep, zodat het beroep ontvankelijk is.

4.5 In de bestreden beschikking is aangegeven dat de aanvraag wordt ingewilligd en dat eiser in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw 2000. Niet is gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000, hetgeen blijkens C1/1.1 en C1/1.2 Vc 2000, wel door verweerder is beoordeeld.

Op grond van de artikelen 3:46 en 3:47, eerste lid, Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering, welke wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Door het kenbaar maken van de redengeving, waarop het besluit berust, wordt inzichtelijk gemaakt op welke feitelijke en juridische grondslag het besluit berust.

De motivering dient zodanig volledig te worden vermeld dat zij inzicht biedt in de gedachtengang van het bestuursorgaan. De enkele vermelding van de grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000, die reden vormt tot verlening van een verblijfsvergunning, verschaft een dergelijk inzicht niet en is derhalve onvoldoende.

Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard.

4.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van 20 april 2001;

- draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad

 ƒ 50,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad ƒ 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman, voorzitter, en mrs. G. Blomsma en J.F.M.J. Bouwman, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. W.P.M. Elderman op 12 november 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van de uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 13 november 2001