Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5771

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
09.037.766- 00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeelde heeft samen met twee anderen gedeeld in de winst uit verkoop van twee oogsten van ten minste 1200 planten uit de hennepkwekerij in Boskoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

parketnummer 09.037.766-00;

BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR

Beslissing van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde :

Veroordeelde

geboren op 1961 te Bodegraven,

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximum bedrag van ¦ 35.000,=.

Het onderzoek ter zitting.

Ter zitting van 1 november 2001 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd.

veroordeelde, bijgestaan door de raadsvrouw mr I.A. Kamans, is verschenen en op de vordering gehoord.

Beoordeling van de vordering.

Bij vonnis van deze rechtbank van 15 november 2001 is veroordeelde voornoemd veroordeeld ter zake van :

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3,

EERSTE LID, ONDER B. VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD,

meermalen gepleegd en

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3,

EERSTE LID, ONDER C. VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD,

meermalen gepleegd.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van de hiervoor genoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank grondt haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.

P.M.

Op grond van het navolgende is de rechtbank van oordeel dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden bepaald op ƒ 35.000,=.

De rechtbank overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Veroordeelde heeft samen met twee anderen gedeeld in de winst uit verkoop van twee oogsten van ten minste 1200 planten uit de hennepkwekerij in Boskoop.

De rechtbank gaat uit van een opbrengst van 17 gram per plant en een kiloprijs van weed van ƒ 4.500,=. In totaal is dus voor ƒ 183.600,= verkocht. De totale kosten bedroegen ƒ 74.622,=, zodat de winst ongeveer ƒ 109.000,= bedroeg.

Dit laatste bedrag gedeeld door drie en naar beneden afgerond komt op een bedrag van ƒ 35.000,=. Zowel veroordeelde als een medeverdachte hebben verklaard dat allen een gelijk aandeel in de winst genoten.

De rechtbank schat gelet op het vorenstaande het door veroordeelde door middel van door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel op ƒ 35.000,=.

Door en namens veroordeelde is gemotiveerd verweer gevoerd onder meer inhoudende dat voor de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk genoten voordeel beide hennepkwekerijen als een geheel moeten worden gezien. Veroordeelde is van mening dat de kosten van de hennepkwekerij in Ter Aar -waar het niet tot een oogst is gekomen- in mindering moeten worden gebracht op de winst die is behaald met de kwekerij in Boskoop.

Deze stelling kan niet worden aanvaard. Het betreft hier twee afzonderlijke strafbare feiten. Het gaat niet aan om de kosten van het ene strafbare feit in mindering te brengen op de genoten winst ter zake het andere feit. Voorts is het voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel irrelevant op welke wijze veroordeelde zijn genoten voordeel (heeft) besteed. Het volgen van het namens veroordeelde betoogde zou neerkomen op het stellen van een premie op het investeren van middelen in criminele activiteiten.

Daarnaast is aangegeven dat de draagkracht van veroordeelde niet toereikend is om aan een veroordeling tot betaling te voldoen, mede omdat veroordeelde zich door de brand, die is ontstaan in de kwekerij in Ter Aar, geconfronteerd ziet met een civiele vordering van meer dan ƒ 350.000,=. Ook dit verweer wordt door de rechtbank verworpen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Strekking van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is te bewerkstelligen dat datgene wat de veroordeelde aan door misdrijf verkregen materieel profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen. Gezien de wetsgeschiedenis, het stelsel der wet en de jurisprudentie wordt een dergelijke ontneming niet verhinderd door een gebrek aan financiële draagkracht aan de zijde van de veroordeelde, noch door het feit dat het verkregen voordeel reeds door de veroordeelde is verbruikt.

Aangezien bovendien in dezen niet gesteld of aannemelijk is geworden dat de veroordeelde ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben, is er geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag lager vast te stellen.

Gelet op het bovenstaande is toewijzing van de vordering inclusief het gevraagde dwangmiddel van vervangende hechtenis op haar plaats. Indien te zijner tijd mocht komen vast te staan dat werkelijk geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, zodat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis nog slechts neerkomt op een vorm van "extra bestraffing", staan voor veroordeelde alsdan wegen open de rechter om een (nadere) beslissing te vragen (artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering).

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot genoemd bedrag en daarvan de betaling aan de Staat gelasten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op ƒ 35.000,=;

legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van ƒ 35.000,= aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 150 dagen.

Deze beslissing is genomen door

mrs C.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

C. Wapenaar en D. Jalink, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L.A. van der Togt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2001.