Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5769

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
09.037.766-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen gedurende vier maanden twee grote hennepkwekerijen geëxploiteerd. Samen met een ander heeft hij bij de hennepteelt een sturende en regiserende rol gespeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09.037.766-00;

's-Gravenhage, 15 november 2001.

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

verdachte

geboren 1961 te Bodegraven,

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr I.A. Kamans, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr N.M. Boersma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1. en 2. telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.1. en A.2.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1. en 2. vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.1. en B.2.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft samen met anderen gedurende vier maanden twee grote hennepkwekerijen geëxploiteerd. Samen met een ander heeft hij bij de hennepteelt een sturende en regiserende rol gespeeld.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij op grote schaal heeft meegewerkt aan het in omloop brengen van hashish en daarmee heeft bijgedragen aan een criminele activiteit die doorgaans ook door meer en andere criminele activiteiten wordt omringd.

Het hiervoor overwogene alsmede de omstandigheid dat verdachte een meer dan evenredig aandeel in het geheel heeft gehad, die hij zelf geringschattend afdoet, brengt de rechtbank ertoe in deze zaak een zwaardere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Verdachte komt derhalve niet in aanmerking voor een werkstraf.

Omdat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld wordt een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

14a, 14b, 14c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;

3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende Lijst II.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1. en 2. telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feiten 1. en 2. :

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3,

EERSTE LID, ONDER B. VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD,

meermalen gepleegd

en

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3,

EERSTE LID, ONDER C. VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD,

meermalen gepleegd.

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 3 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op 14 februari 2001;

in voorlopige hechtenis gesteld op 16 februari 2001;

welke voorlopige hechtenis werd geschorst op 21 februari 2001

met ingang van 22 februari 2001;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding onder 1. en 2. meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs C.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

C. Wapenaar en D. Jalink, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L.A. van der Togt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2001.