Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5743

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2001
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/50447
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / nationaliteit.

Eiser is afkomstig uit Sudan. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op de aanvraag is afwijzend beslist. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiser heeft afgewezen vanwege twijfel aan zijn nationaliteit en afkomst, zonder dat daarbij (tevens) een inhoudelijke beoordeling van zijn vluchtrelaas heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat de eisen van zorgvuldigheid die voortvloeien uit de refoulementsverboden van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM met zich brengen dat in een geval als het onderhavige slechts dan kan worden afgezien van een inhoudelijk oordeel over de asielmotieven indien buiten redelijke twijfel staat dat de door de vreemdeling opgegeven nationaliteit niet juist is. Uit de verklaringen van eiser kan een dergelijke vergaande conclusie niet worden getrokken. De beschikking is genomen in strijd met artikel 3:2 Awb. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28, geldigheid: 2001-10-15
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2001-10-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/S27

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 01/50447 BEPTDN

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1973,

van Soedanese nationaliteit,

IND-dossiernummer 0110.01.8019

eiser,

gemachtigde: mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal,

en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ‘s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. L.C. Harderwijk, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 1 oktober 2001 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 4 oktober 2001 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 4 oktober 2001 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld.

1.3 De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 12 oktober 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2 Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn afkomst in Soedan voor vervolging te vrezen heeft. Hij behoort tot de bevolkingsgroep der Nuba, een minderheid die door de Arabische meerderheid wordt onderdrukt en gediscrimineerd. Zeven jaar geleden is eisers vader door Arabieren en leden van de gearabiseerde Tagala-stam opgepakt en vermoord. Een jaar voor eisers vertrek zijn de Arabieren intensief begonnen met als slaven ronselen van mensen die tot de Nuba behoren. Daarnaast heeft eiser verklaard dat het gebied waar hij woonachtig was onveilig is vanwege de regelmatige bombardementen die het Soedanese regeringsleger ter plaatse uitvoert. In september 2001 is eiser zijn land ontvlucht.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers aanvraag zich er toe leende om binnen achtenveertig proces-uren te worden afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat geen geloof wordt gehecht aan eisers gestelde identiteit, nationaliteit en aan zijn verklaring dat hij tot de Nuba-bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft summiere, onjuiste en onvolledige informatie gegeven over de omgeving waar hij woonachtig zou zijn geweest. Daarnaast ontbreekt het hem aan kennis over de stammen en stamtalen van de Nuba. Bovendien is gebleken dat eiser desgevraagd niet zijn stamtaal (de Tira-taal) heeft gesproken, nu de (fonetische) vertalingen van zijn antwoorden op geen enkele wijze overeenstemmen met de gegevens die uit algemene bronnen ten aanzien van deze taal bekend zijn. Veeleer lijkt de taal die eiser heeft gesproken op het Masarit, een taal die in het westen van Soedan wordt gesproken. Nu aan eisers nationaliteit en afkomst geen waarde kan gehecht kan eiser reeds om deze reden niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

2.4 Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte in het kader van de AC-procedure is afgewezen. In beroep heeft hij aangevoerd dat het Nuba-gebied bekend staat vanwege zijn extreme diversiteit aan talen. Onder deze omstandigheden zijn de vragen van een gehoormedewerker, die niet beschikt over specialistische taalkundige kennis, onvoldoende om de herkomst van eiser vast te stellen aan de hand van de door hem gesproken taal. Veeleer had het in de rede gelegen om een taalanalyse te verrichten. Eiser heeft voorts een grote hoeveelheid geografische en stamnamen genoemd, hetgeen er allerminst op duidt dat hij niet uit Soedan afkomstig zou zijn. Dat een aantal van de geografische namen niet door verweerder terug te vinden zou zijn, betekent niet dat eiser niet de Soedanese nationaliteit heeft. Bovendien is ook het vluchtrelaas, waar verweerder niet op is ingegaan, typerend voor een Soedanese Nuba.

Beoordeling van het beroep

2.5 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.6 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.7 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Soedan zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfs-vergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

2.8 De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiser heeft afgewezen vanwege twijfel aan zijn nationaliteit en afkomst, zonder dat daarbij (tevens) een inhoudelijke beoordeling van zijn vluchtrelaas heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat de eisen van zorgvuldigheid die voortvloeien uit de refoulementsverboden van het Vluchtelingenverdrag en het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich brengen dat in een geval als het onderhavige slechts dan van een inhoudelijk oordeel over de aangedragen asielmotieven kan worden afgezien, indien buiten redelijke twijfel staat dat de door de vreemdeling opgegeven nationaliteit niet juist is. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de verklaringen die eiser over zijn nationaliteit en afkomst heeft afgelegd, mede gezien hetgeen hierover in beroep en ter zitting is aangevoerd, een dergelijke vergaande conclusie evenwel niet worden getrokken. Eiser heeft desgevraagd een groot aantal gegevens verstrekt, zowel over Soedan in het algemeen als over zijn directe woonomgeving. Weliswaar is gebleken dat eiser over met name de ligging en de afstanden van diverse geografische locaties een aantal onjuiste verklaringen heeft afgelegd, doch nu uit het rapport van nader gehoor kan worden opgemaakt dat eiser de meeste van deze plaatsen zelf nooit heeft bezocht en zijn verklaringen dienaangaande heeft gebaseerd op de verhalen van anderen, kan hieraan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat eiser niet uit Soedan afkomstig is. Dit klemt te meer nu niet duidelijk is welke stamtaal eiser desgevraagd ten overstaan van de contactambtenaar heeft gesproken. Daargelaten dat de rechtbank niet over de door verweerder gebruikte informatie beschikt, en derhalve niet kan toetsen of verweerders standpunt dat eiser niet het Tira heeft gesproken juist is, is niet komen vast te staan of, zoals gemotiveerd namens eiser ter zitting is aangevoerd, de taal die eiser heeft gesproken wellicht wel in het Nuba-gebied voorkomt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk is, zodat de bestreden beschikking in strijd met artikel 3:2 Awb tot stand is gekomen. Het beroep is derhalve gegrond.

2.9 Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de behandeling ter zitting, waarde per punt f 710,-- en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, gericht tegen de beschikking van 4 oktober 2001, gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad f 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. R. Depping en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J. van Bruggen als griffier op 15 oktober 2001.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op:

17 oktober 2001