Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5557

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/ 23628
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / voorlopige maatregel / asielverzoek.

De vreemdeling stelt de Chinese nationaliteit te bezitten. De vreemdeling is aangehouden op basis van artikel 310 juncto 311 Wetboek van Strafrecht en in verzekering gesteld. In het kader van het project Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS) is een voorlopig bevel tot bewaring afgegeven.

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de procesorde is geschonden, omdat de gemachtigde niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het dossier. De rechtbank oordeelt dat het als onwenselijk moet worden beschouwd dat verweerder er met de nieuwe Vreemdelingenwet onvoldoende in slaagt ervoor te zorgen dat de stukken worden toegezonden aan de gemachtigde van een vreemdeling, maar kent daaraan in het onderhavige geval geen gevolgen toe.

Voorts stelt gemachtigde dat niet tot uitzetting mag worden overgegaan zonder dat het Openbaar Ministerie daartegen geen bezwaar heeft. Dit blijkt niet uit het dossier. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend als vluchteling en op deze aanvraag is nog niet beslist.

Uit de omstandigheid dat de vreemdeling een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend eerst nadat hij al zeer geruime tijd in voorlopige hechtenis verbleef, geeft als zodanig in de onderhavige procedure grond voor het oordeel dat niet gezegd kan worden dat die aanvraag als kansrijk is aan te merken. Uit jurisprudentie blijkt dat het Openbaar Ministerie parket 's-Gravenhage zich op het standpunt heeft gesteld dat indien door hen niet wordt aangegeven dat de vreemdeling niet mag worden verwijderd, geen bezwaar bestaat tegen de uitzetting van de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat uit de overdracht aan de vreemdelingendienst voldoende blijkt dat het Openbaar Ministerie geen bezwaar tegen de uitzetting van de vreemdeling heeft. De vreemdeling heeft reeds op 9 april 2001 een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling. Verweerder is gehouden te beslissen binnen de in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 genoemde termijn. Naar het oordeel van de rechtbank vangt die termijn eerst aan op het moment dat de vreemdeling uit de voorlopige hechtenis is ontslagen, in casu op 31 mei 2001. Derhalve is die termijn nu nog niet verstreken. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01 / 23628 VRWET

Inzake : A, crv nummer [crv nummer], thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. M. Soffers , advocaat te Den Haag,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.N. Tahir, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...]1976 en de Chinese nationaliteit te hebben.

2. Bij kennisgeving op grond van artikel 94 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000), ontvangen op bij de rechtbank op 5 juni 2001, heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling met ingang van 31 mei 2001 de maatregel van bewaring is opgelegd. Krachtens die bepaling wordt de vreemdeling na de ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 12 juni 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig heem tolk in de Chinese taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling op 17 februari 2001 op grond van artikel 310 cq 311 Wetboek van Strafrecht is aangehouden en in verzekering is gesteld. Op 19 februari 2001 is in het kader van het project Vreemdeling in Strafrechtketen (VRIS) een voorlopig bevel tot bewaring afgegeven. Vervolgens zijn er op 20 maart 2001, 17 april 2001 en op 7 mei 2001 opnieuw voorlopige bevelen tot bewaring afgegeven in verband met het verlopen van de door de rechtbank bij uitspraak van 24 december 1998 (AWB 98/8644 Vrwet) gestelde termijn van geldigheid van het voorlopig bevel van bewaring. Op 31 mei 2001 is de vreemdeling uit de voorlopige hechtenis ontslagen, overgedragen aan de Vreemdelingendienst en vervolgens is de vreemdeling op dezelfde datum in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting -kort samengevat- aangevoerd- dat de goede procesorde geschonden is omdat zij niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het dossier teneinde de zaak behoorlijk te kunnen voorbereiden. Voorts stelt de gemachtigde dat niet tot uitzetting mag worden overgegaan zonder dat het Openbaar Ministerie daartegen geen bezwaar heeft en dit blijkt niet uit het dossier. Tevens stelt de gemachtigde dat de vreemdeling op 9 april 2001 een aanvraag heeft ingediend voor toelating als vluchteling en dat er tot op heden niet op deze aanvraag is beslist.

4. Naar het oordeel van de rechtbank moet het als onwenselijk worden beschouwd dat verweerder met de nieuwe Vreemdelingenwet er onvoldoende in slaagt er zorg voor te dragen dat de stukken conform de richtlijnen vreemdelingenkamer 3.5.2.1. worden toegezonden aan de gemachtigde van de vreemdelingen. In het onderhavige geval kent de rechtbank geen gevolgen toe die de gemachtigde van de vreemdeling daaraan verbonden wenst te zien. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door de termijnoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd kan worden dat de vreemdeling in een nadelige positie is komen te verkeren. Hierbij neemt de rechtbank voorts het navolgende in overweging.

Uit de omstandigheid dat de vreemdeling enkele maanden strafrechtelijk in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht vloeit voort, dat de rechtmatigheid van de strafrechtelijke verdenking en de daarop gevolgde aanhouding reeds door de rechter zijn getoetst, zodat voor een beoordeling daarvan in de onderhavige procedure geen grond bestaat.

Uit de omstandigheid dat de vreemdeling een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend eerst nadat hij al zeer geruime tijd in voorlopige hechtenis verbleef, geeft als zodanig in de onderhavige procedure grond voor het oordeel dat niet gezegd kan worden dat die aanvraag als zeer kansrijk is aan te merken.

5. Voorts blijkt uit jurisprudentie van de rechtbank dat het Openbaar Ministerie parket 's-Gravenhage zich op het standpunt heeft gesteld dat indien door hen niet wordt aangegeven dat de vreemdeling niet mag worden verwijderd, er geen bezwaar bestaat tegen de uitzetting van de vreemdeling. In het onderhavige geval oordeelt de rechtbank dan ook dat uit de overdracht aan de vreemdelingendienst voldoende blijkt dat het Openbaar Ministerie geen bezwaar tegen uitzetting van de vreemdeling heeft.

Gelet op het bovenstaande treffen de grieven van de gemachtigde van de vreemdeling hieromtrent geen doel.

6. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder zich in verband met het alsnog indienen van een asielverzoek op het standpunt stelt dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft hier te lande op grond van artikel 8 onder f, Vw 2000. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat in het belang van de openbare orde de vreemdeling in bewaring is gesteld, aangezien de vreemdeling niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken, niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en geen vaste woon- verblijfplaats heeft. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Bovendien wordt de vreemdeling verdacht van het plegen van een strafbaar feit.

7. De vreemdeling heeft reeds op 9 april 2001 een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling. Verweerder is gehouden te beslissen binnen de in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 genoemde termijn. Naar het oordeel van de rechtbank vangt die termijn eerst aan op het moment dat de vreemdeling uit de voorlopige hechtenis is ontslagen, in casu op 31 mei 2001. Derhalve is die termijn nu nog niet verstreken.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Weliswaar heeft presentatie van de vreemdeling bij de autoriteiten van zijn land van herkomst nog niet plaatsgevonden, doch dit vindt zijn oorzaak in het feit dat verweerder nog niet op de asielaanvraag heeft beslist. Er is geen grond om thans aan te nemen dat presentatie na een mogelijk afwijzende beslissing op die aanvraag geen positief resultaat zal hebben en dat na die presentatie geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou bestaan.

9. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

10. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

11. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2001, in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.