Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5552

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
09-037777-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De officier van justitie mr Boersma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede een geldboete van ƒ500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis ten aanzien van het bij dagvaarding onder 4 telastgelegde feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-037777-01

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 14 november 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

Verdachte

geboren op 1955 te Paramaribo (Suriname),

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 31 oktober 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr G.Th.J. Bos, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Boersma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede een geldboete van ƒ500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis ten aanzien van het bij dagvaarding onder 4 telastgelegde feit.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ƒ 1000,= en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ƒ1000,= subsidiair 20 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven en de na te melden overtreding oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 op te leggen straf overwogen dat verdachte zich op één dag schuldig heeft gemaakt aan een drietal ernstige geweldsmisdrijven.

Verdachte heeft, nadat het vrouwelijke slachtoffer te kennen had gegeven het contact met verdachte te willen verbreken, deze vrouw opgebeld en haar bedreigd met een gewelddadige dood. Kort hierop is hij op de openbare weg voor de nog rijdende auto gesprongen, waarin deze vrouw en haar vriend zich bevonden. Ook hier maakte hij zich schuldig aan bedreiging en wel van die vriend, door met een mes te zwaaien en ook deze persoon dreigende woorden toe te voegen. Door aldus te handelen is verdachte voorbij gegaan aan de angst en de psychische nasleep die slachtoffers van dergelijke bedreigingen kunnen ondervinden.

Daarenboven is verdachte later die dag naar het woonhuis van deze vrouw gegaan, deze woning binnengegaan en heeft de vrouw aldaar opgewacht. Toen zij thuiskwam heeft hij in haar richting haar stekende bewegingen gemaakt. Daarbij is verdachte op een zeer gewelddadige wijze tekeergegaan en de omstandigheid dat het slachtoffer hierdoor geen zwaar letsel heeft opgelopen is een gelukkige, die echter geenszins aan de verdachte te danken is. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat deze door zijn daad willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar letsel bij het slachtoffer heeft willen aanvaarden.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 23 juli 2001 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het rapport van J.N.J. Smulders, psychiater en J.J.F.M. de Man, zenuwarts d.d. 19 oktober 2001, alsmede een rapport van G. Wesselius, psycholoog d.d. 24 oktober 2001, betreffende verdachte, met als conclusie dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en theatrale trekken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, i.c. de Sector justitiële verslavingszorg van Psycho-medisch centrum Parnassia te ‘s-Gravenhage d.d. 18 oktober 2001, verdachte betreffende en opgemaakt door A.P. Witteveen.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal een deel hiervan voorwaardelijk opleggen teneinde te voorkomen dat verdachte zich opnieuw zal schuldig maken aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Met betrekking tot het onder 4 telastgelegde en bewezenverklaarde feit zal de rechtbank bepalen dat geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel.

Slachtoffer, wonende te Noordwijk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ƒ 11.383,60.

Voorzover de vordering betrekking heeft op schade aan de televisie en ruiten, ten bedrage van -respectievelijk- fl. 583,60 en fl. 800,00, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit enig bewezenverklaard feit.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op immateriële schade, overeenkomstig de toelichting ter terechtzitting door gemachtigde van benadeelde partij, vindt rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag in het bij dagvaarding onder 1 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij ontvankelijk verklaren in haar vordering en de vordering voor een bedrag groot ƒ 1000,= toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht deels aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ƒ1000,= ten behoeve van het slachtoffer . De rechtbank zal tevens de duur van de vervangende hechtenis bepalen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 9a, 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 285, 302, en 435 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1: POGING TOT ZWARE MISHANDELING;

t.a.v. feit 2 en feit 3: BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, MEERMALEN GEPLEEGD;

t.a.v. feit 4: DOOR HET BEVOEGD GEZAG NAAR ZIJN NAAM GEVRAAGD EEN VALSE NAAM OPGEVEN;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

t.a.v. feit 1, 2, en 3:

gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 3 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 21 juli 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 24 juli 2001;

t.a.v. feit 4:

bepaalt dat verdachte terzake geen straf of maatregel zal worden opgelegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

en voorts ten aanzien van feit 1:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van ƒ1000,= en veroordeelt verdachte:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan slachtoffer, wonende te Noordwijk (bankrekeningnummer XXX) een bedrag van ¦1000,=, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot ƒ1000,= ten behoeve van het slachtoffer;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Stemker Köster, voorzitter,

Don en Spliet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr De Jong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 november 2001.