Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5527

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/54428
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / tiendagentermijn politiecel.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, Vb 2000 wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau of een huis van bewaring. Volgens vaste jurisprudentie mag de tenuitvoerlegging van de bewaring op een politiebureau - behoudens exceptionele omstandigheden - niet langer dan tien dagen duren. De rechtbank constateert dat de vreemdeling op 18 oktober 2001 in bewaring is gesteld en op 29 oktober 2001 is overgeplaatst naar het huis van bewaring te Tilburg. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling elf dagen in het politiebureau heeft verbleven en dat overplaatsing naar een huis van bewaring derhalve één dag te laat heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit te wijten is aan het feit dat in het weekend geen transporten plaatsvinden van de politiebureaus naar de huizen van bewaring, hetgeen ertoe geleid heeft dat de vreemdeling pas op zijn vroegst op maandag 29 oktober 2001 - op de elfde dag - kon worden overgeplaatst naar een huis van bewaring. Dat in het weekend geen transporten plaatsvinden levert naar het oordeel van de rechtbank geen exceptionele omstandigheden op waardoor de overschrijding van de maximale termijn van het verblijf van de vreemdeling in een politiecel in dit geval aanvaardbaar zou zijn. Nu de vreemdeling uiterlijk op 28 oktober 2001 overplaatst had moeten worden en verweerder verzuimd heeft dit te doen, is de bewaring naar het oordeel van de rechtbank met ingang van die dag onrechtmatig geworden. Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4, geldigheid: 2001-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/54428 VRWET

Inzake : A, crv-nummer 1209023064, verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. E. Lijffijt, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1972 en de Sierraleoonse nationaliteit te hebben.

2. Op 22 oktober 2001 heeft de rechtbank zowel een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling als een kennisgeving op grond van artikel 94, Vw2000 van verweerder ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 18 oktober 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig een tolk in de Engelse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat zijn cliënt niet tijdig is overgebracht naar een Huis van Bewaring. Nu de vreemdeling meer dan 10 dagen op het politiebureau heeft gezeten, moet de maatregel van inbewaringstelling als onrechtmatig worden beschouwd.

4. Gesteld noch gebleken is dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op onrechtmatige wijze zijn toegepast.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De vreemdeling beschikt niet over een geldig titel tot verblijf, is niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs en heeft zich hier te lande bediend van een vervalste identiteitskaart. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.

6. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde van de vreemdeling dat de vreemdeling niet tijdig is overgeplaatst naar een Huis van Bewaring overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau of een Huis van Bewaring. Volgens vaste jurisprudentie mag de tenuitvoerlegging van de bewaring op een politiebureau - behoudens exceptionele omstandigheden - niet langer dan 10 dagen duren.

De rechtbank constateert dat de vreemdeling op 18 oktober 2001 in bewaring is gesteld en op 29 oktober 2001 is overgeplaatst naar het Huis van Bewaring te Tilburg. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling elf dagen in het politiebureau heeft verbleven en dat overplaatsing naar een Huis van Bewaring derhalve één dag te laat heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit te wijten is aan het feit dat in het weekend geen transporten plaatsvinden van de politiebureaus naar de Huizen van Bewaring, hetgeen ertoe geleid heeft dat de vreemdeling pas op zijn vroegst op maandag 29 oktober 2001 - op de elfde dag - kon worden overgeplaatst naar een Huis van Bewaring.

Dat in het weekend geen transporten plaatsvinden levert naar het oordeel van de rechtbank geen exceptionele omstandigheden op waardoor de overschrijding van de maximale termijn van het verblijf van de vreemdeling in een politiecel in dit geval aanvaardbaar zou zijn. Nu de vreemdeling uiterlijk op 28 oktober 2001 overplaatst had moeten worden en verweerder verzuimd heeft dit te doen, is de bewaring naar het oordeel van de rechtbank met ingang van die dag onrechtmatig geworden.

Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van heden.

Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 1 x f. 150,00 en 1 x f. 200,00 = f 350,00.

De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 30 oktober 2001;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f. 350,00 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M. van Paridon en uitgesproken in het openbaar op

30 oktober 2001 in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.

afschrift verzonden op:

7 november 2001