Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5523

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
aWB 00/68465
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / staandehouding / bevoegdheid toezichthouders.

Verbalisanten zijn polshoogte gaan nemen bij een personenauto met een Duits kenteken. De auto stond daar al enkele dagen geparkeerd en er zou regelmatig een man in liggen te slapen. Roemeense eiser is slapend aangetroffen in de auto. Hij bleek niet in het bezit van een visum, maar kon een Roemeens paspoort overhandigen.

De rechtbank deelt de opvatting van verbalisanten dat eerst na het vragen naar de identiteit en de verblijfsrechtelijke positie van eiser sprake is van voldoende feiten en omstandigheden, die naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat een man regelmatig zou slapen in een auto met een Duits kenteken die een aantal dagen geparkeerd zou staan is daartoe niet voldoende.

Volgens verweerder hebben de verbalisanten hun bevoegdheid om te vragen naar identiteit en verblijfsrechtelijke positie ontleend aan afdeling 5:2 Awb. Deze bevoegdheid kan evenwel slechts worden aangewend door toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 Awb. Artikel 51 Vw 2000 biedt evenmin de bevoegdheid om te vragen naar identiteit en verblijfsrechtelijke positie.

De staandehouding is daarmee onrechtmatig. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 00/68465 OVERIO A S1

uitspraak:

UITSPRAAK

inzake: A, geboren op [...] 1950,

verblijvende te B,

van Russische nationaliteit,

IND dossiernummer 9911.17.8025,

verzoeker,

gemachtigde: mr. D. Vermaat, advocaat te Barendrecht;

tegen:DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Wildeboer, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 17 november 1999 heeft verzoeker een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 26 juni 2000, uitgereikt aan verzoeker op 7 juli 2000, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

1.2 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 28 juli 2000 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

1.3 Bij verzoekschrift van 3 oktober 2000 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan verzoeker gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 mei 2001. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vreemdelingenwet (oud) ingetrokken (art. 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 118, tweede lid, Vw 2000 blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud) dat is bekendgemaakt, dan wel een handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud) die is verricht voor dat tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000. De artikelen 32 en 33b Vreemdelingenwet (oud) zijn bepalingen ten aanzien van de behandeling van een bezwaarschrift, zodat thans mede) ter beoordeling staat of verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 32 van de Vreemdelingenwet (oud).

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht(Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De president zal, voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, toetsen of er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin, en voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de beslissing aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen, toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.3 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.4 Het vluchtrelaas van verzoeker komt op het volgende neer. Verzoeker is geboren in Armenië en heeft daar tot 1979 gewoon in Arzni. Verzoeker behoort tot de Assyrische bevolkingsgroep. In 1979 is verzoeker verhuisd naar Moskou en in 1983 getrouwd met een vrouw van Russische afkomst. Verzoeker heeft van 1985 tot 1987 een technische opleiding gevolgd aan een avondschool in Moskou en werkte en studeerde tegelijk. In 1987 is verzoeker teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis in Arzni omdat zijn moeder was overleden en om voor zijn vader te zorgen. Toen in 1989 en 1990 de oorlog tussen Armenië en Azerbajdzjan begon en Armenië zich onafhankelijk verklaarde werden alle andere mensen weggestuurd. Omdat de vrouw van verzoeker van Russische afkomst was en het gevaar bestond dat verzoeker aan de gewapende strijd moest deelnemen zijn verzoeker en zijn gezin in 1991 vertrokken uit Armenië naar het dorp Niznje-Bakanskij. Daar heeft verzoeker met zijn gezin tot juni of juli 1998 gewoond. Verzoeker heeft tot 1996 gewerkt als technicus bij de exploitatie van een gasleiding en heeft van 1996 tot april 1999 gewerkt als taxichauffeur. Verzoeker kreeg naar aanleiding van de oorlog tussen Rusland en Tjetsjenië vanaf 1992 vanwege zijn Armeense afkomst problemen met Kozakken en bewoners van het dorp. Verzoeker werd lastig gevallen en in augustus 1994 mishandeld door een groep Kozakken. De zoon van verzoeker ging niet naar school omdat hij werd gepest en uitgelachen omdat hij Kaukasisch bloed had. Verzoeker is vanaf juli 1998 met zijn gezin verhuisd naar de zus van zijn vrouw in Permj. Daar ondervond hij problemen van de gewone bevolking. Op 15 mei 1999 is verzoeker vertrokken naar Moskou en is op 16 mei 1999 met de trein gereisd naar Düsseldorf. Verzoeker heeft daar tot 13 november 1999 verbleven en is op 13 november 1999 overgedragen aan de Nederlandse politie. Verzoeker is Nederland ingereisd met een bus van de Duitse politie.

2.5 Verweerder heeft de aanvraag, met toepassing van artikel 15c, eerste lid, onder f, van de Vw niet ingewilligd, wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Daartoe heeft verweerder onder meer gesteld dat verzoeker zijn busticket, treinkaart en documenten tijdens zijn reis is kwijtgeraakt. Omdat verzoeker de betreffende documenten heeft verloren en hij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat dit verlies niet aan hem valt toe te rekenen wordt aan de oprechtheid van verzoeker getwijfeld en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de door verzoeker weergegeven asielmotieven ontoereikend zijn om hem als vluchteling aan te merken. De door verzoeker gestelde discriminatoire bejegening door Kozakken en dorpelingen leidt niet tot de conclusie dat verzoeker als vluchteling moet worden aangemerkt. De ondervonden discriminatie is niet zodanig dat daardoor het leven onhoudbaar is geworden. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat verzoeker slecht ‚ éénmaal door Kozakken is lastig gevallen. Tevens acht verweerder van belang dat verzoeker niet de bescherming van de Russische autoriteiten heeft ingeroepen.

Verzoeker kan zich aan eventuele problemen onttrekken door zich elders in Rusland te vestigen. Omdat verzoeker vanaf 1991 tot juni of juli 1998 onafgebroken heeft gewoond in Rusland moet hij in het bezit zijn geweest van een propiska.

Verweerder stelt voorts dat blijkens het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 11 december 1998 (kenmerk: DPC/AM 539269) leden van de Russische bevolkingsgroep in Armenië niet te maken hebben met intimidatie of repressie zodat het niet aannemelijk is dat de Russische echtgenote van verzoeker in Armenië gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging.

Voorts is verweerder de mening toegedaan dat verzoeker niet heeft aangetoond dat terugkeer naar het land van herkomst een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou betekenen.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat verzoeker een vestigingsalternatief in Armenië niet meer wordt tegengeworpen.

2.6 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het ontbreken van documenten hem niet kan worden toegerekend nu er door de politie Venlo afschriften van zijn Duitse documenten zijn gemaakt toen hij werd overgedragen door de Duitse politie zodat deze documenten makkelijk zijn te achterhalen. Het had op de weg van verweerder gelegen om naar de kopieën van deze stukken te informeren bij de politie te Venlo.

Voorts heeft verzoeker gesteld dat zijn leven voor hem in Rusland onhoudbaar is geworden. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat hij om bedreigende situaties te voorkomen niet meer op straat kwam. Naast de zeer ernstige mishandeling in 1994 werd hij meerdere malen lastig gevallen.

Verzoeker heeft gesteld dat hij over de behandeling, die hem door de Kozakken ten deel viel, geklaagd heeft echter dat de politie geen enkele activiteit ondernam. Verzoeker moest de problemen met de Kozakken zelf oplossen. Ten aanzien van de problemen met de dorpelingen heeft verzoeker medegedeeld dat hij geen aangifte heeft gedaan omdat hij niet wist, wie hem had geslagen en omdat dat zijn problemen alleen maar zou vergroten.

Verzoeker stelt zich tevens op het standpunt dat hij geen vestigingsalternatief heeft elders in Rusland omdat hij met dezelfde problemen zal worden geconfronteerd en dat hij niet in het bezit is van een propiska waarmee hij zich elders kan vestigen in Rusland. In Armenië zal de vrouw van verzoeker te maken krijgen met intimidatie of repressie. Daarbij heeft verzoeker verwezen naar een uitspraak van de President van de Rechtbank 's-Gravenhage van 7 maart 2000.

Tevens is verzoeker de mening toegedaan dat hij een reëel risico loopt bij terugkeer naar Rusland op schending van artikel 3 EVRM.

2.7 De president oordeelt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan, indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag om toelating, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Het ontbreken van documenten vormt op zichzelf geen grond voor niet-inwilliging van de aanvraag op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw. Deze wetsbepaling kan uitsluitend worden toegepast na een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, waarbij het toerekenbaar ontbreken van documenten altijd in de context van het totale feitencomplex moet worden beschouwd.

2.9 De president overweegt het volgende`. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker voldoende documenten heeft overgelegd ter vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit. Verzoeker heeft voor wat betreft het ontbreken van documenten ter vaststelling van de door hem afgelegde reisroute verklaard dat hij een draagtas met daarin eten, een treinkaartje naar Enschede en eerder door de Duitse politie ingenomen documenten, is kwijtgeraakt danwel dat deze reistas is gestolen. Verweerder kan naar de mening van verzoeker deze documenten makkelijk achterhalen nu van deze documenten door de Nederlandse politie bij de overname van verzoeker afschriften zijn gemaakt. Op grond daarvan is verzoeker van mening dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen indicatie kan geven van zijn reisroute. De president kan deze stelling niet volgen nu verzoeker heeft nagelaten aan te tonen hoe hij vanuit zijn land van herkomst naar Duitsland is gereisd. Kopieën zouden slechts zijn gemaakt van de Duitse bescheiden en het treinkaartje van Duitsland naar Nederland. Door het opvragen van de gemaakte kopieën kan de reisroute van verzoekers land van herkomst naar Duitsland derhalve niet worden achterhaald.

2.10 Het vorenstaande laat echter onverlet dat onderzocht dient te worden of er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat voor verzoeker geen gevaar voor vervolging bestaat bij terugkeer naar Rusland.

2.11 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Rusland zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal tot op zekere hoogte aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.12 Met betrekking tot het door verzoeker gedane beroep op de discriminatoire bejegening door Kozakken en dorpelingen vanwege zijn Assyrische afkomst overweegt de president als volgt.

Ingevolge hetgeen omtrent discriminatie is gesteld in het UNHCR Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status en gelet op de daarbij aansluitende jurisprudentie kan discriminatie slechts worden beschouwd als een vorm van vervolging in de zin van het Verdrag wanneer er sprake is van een systematische en ingrijpende bejegening van discriminatoire aard die een ernstige beperking oplevert van de bestaansmogelijkheden en waartegen de overheid geen bescherming kan of wil bieden. De discriminatoire bejegening moet voorts ook van substantiële aard zijn, waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Daarvan is de president, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, niet gebleken.

Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat verzoeker sinds 1991 onafgebroken in de Russische Federatie heeft verbleven en dat hij van 1996 tot april 1999 zwart heeft gewerkt als taxichauffeur en van geloofsovertuiging russisch orthodox is.

Voorts kan verzoeker zich elders in de Russische Federatie vestigen nu verzoeker een Russisch paspoort en een woonplaatsregistratie voor de plaats Niznje Bakanskij heeft.

2.13 Uit het voorgaande volgt, dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan, dat verzoekers geen vluchteling zijn.

2.14 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.15 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.12 is overwogen, kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat verzoeker bij gedwongen verwijdering naar Rusland niet een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat verzoeker aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

2.16 Niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verzoeker aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.17 Gezien het voorgaande heeft verzoeker geen redelijke kans op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

2.18 De materiële bepalingen van de Vw 2000 brengen geen verandering in dit oordeel van de president. Evenmin heeft verzoeker anderszins zwaarwegende belangen aangevoerd die maken dat verzoeker de behandeling van het bezwaar in Nederland zou mogen afwachten, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

De president geeft geen toepassing aan het bepaalde in artikel 33b Vreemdelingenwet(oud), nu een besluit op bezwaar genomen zal worden met inachtneming van de Vw 2000. Het ligt op de weg van verweerder om het besluit op bezwaar te nemen, nu de Vw 2000 aan de niet-inwilliging van een aanvraag om toelating andere rechtsgevolgen verbindt.

2.19 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De president

* wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2001 in tegenwoordigheid van L. Nijenhuis als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.