Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5505

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2001
Datum publicatie
14-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/207776
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 01/20776 VRWET

Inzake: A, CRV nummer 1305.168.185, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. J.C.P. Mol, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. C. Eijkelhof, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...]1980 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Op 18 mei 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 16 mei 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

28 mei 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig de heer B. Biagioni, tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de bewaring van de aanvang af onrechtmatig is geweest. In dit verband wordt door de vreemdeling betoogd dat wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit de aanhouding onrechtmatig is geweest.

Betoogd is dat de bevindingen van de politie zoals die blijken uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2001 geen enkele aanleiding geven voor het vermoeden dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit.

4. Namens verweerder is aangevoerd dat het vermoeden dat de vreemdeling zich had schuldig gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit was gebaseerd op de omstandigheid dat het verweerder bekend is dat de vreemdeling zelf ook drugs gebruikt en dat hij zich op het tijdstip van de aanhouding bevond in het Texaco-benzinestation in de Sarphatistraat te Amsterdam, een plaats waarvan het de politie bekend is dat daar veelvuldig verdovende middelen in de zin van de Opiumwet worden verhandeld dan wel gebruikt.

5. De rechtbank stelt voorop dat uit de stukken blijkt dat de vreemdeling op 15 mei 2001 is aangehouden in het Texaco-benzinstation in de Sarphatistraat te Amsterdam op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Uit de stukken blijkt ook dat deze aanhouding plaatsvond omdat de vreemdeling veelvuldig was gezien in het bijzijn van een drugsdealer die de politie bekend was. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal niet dat de vreemdeling zich mogelijk (zelf) schuldig gemaakt heeft aan strafbare handelingen. Namens verweerder is bevestigd dat de vreemdeling zich zelfs niet eens schuldig heeft gemaakt aan verdachte gedragingen.

Nu ook overigens geen gegevens zijn verstrekt - de gemachtigde van verweerder heeft ter zitting slechts opgemerkt dat de vreemdeling "gewoon op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats was"- waaruit kan worden opgemaakt dat er ten tijde van de aanhouding een redelijk vermoeden bestond dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit, is de rechtbank van oordeel dat de aanhouding onrechtmatig is geschied.

De opvolgende, ten aanzien van de vreemdeling genomen, (conservatoire) maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 zijn mitsdien eveneens van de aanvang af onrechtmatig.

6. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 29 mei 2001.

7. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schade-vergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 13 x f 150,-- = f 1.950,--.

8. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f 1.950,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ‚‚n week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2001, in tegenwoordigheid van mr. N. Hobby, griffier.

afschrift verzonden op: 11 juni 2001