Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5489

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2001
Datum publicatie
14-11-2001
Zaaknummer
aWB 01/23080, 01/23090
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2001:AD6004
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Dublinclaim / opvang COA.

Verzoekers hebben de Turkse nationaliteit. Ze hebben op 12 april 2001 in Nederland een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Vervolgens heeft de staatssecretaris van Justitie ten behoeve van verzoekers bij de Duitse autoriteiten een Dublinclaim voorgelegd. De claim is op 14 mei 2001 door de Duitse autoriteiten gehonoreerd.

Op 15 april 2001 hebben verzoekers een verzoek tot opvang ingediend. Het COA heeft de opvang geweigerd op grond van artikel 2a, Rva 1997.

De president is van oordeel dat een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, Vw 2000 gelijk moet worden gesteld aan een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 1 jo. artikel 11 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB).

De weigering van het COA om opvang te verlenen aan verzoekers is dan ook in strijd met artikel 1 j° artikel 11 EVSMB.

Beroepen gegrond, toewijzing verzoeken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand 11
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 12
Vreemdelingenwet 2000 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

President

Registratienummers: Awb 01/23080 en Awb 01/23090

Datum uitspraak: 18 juni 2001

Uitspraak

ingevolge de artikelen 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaken van

A,

geboren op [...] 1956,

B,

geboren op [...] 1954,

mede namens hun vier minderjarige kinderen,

en

C,

geboren op [...] 1982,

van Turkse nationaliteit,

verzoekers,

gemachtigde mr. C.M. da Cunha,

tegen

het bestuur van het CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde mr. R. van Duffelen.

Het procesverloop

Op 12 april 2001 hebben verzoekers een verblijfsvergunning asiel aangevraagd.

Vervolgens heeft de Staatssecretaris van Justitie op 14 april 2001 een Dublinclaim gelegd bij de Duitse autoriteiten.

Op 15 april 2001 heeft mr. C.M. da Cunha, gemachtigde van verzoekers, een verzoek tot opvang in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) ingediend.

Bij beschikking van 1 mei 2001 heeft verweerder het verzoek tot opvang niet ingewilligd.

Verzoekers hebben bij brief van 28 mei 2001 beroep ingesteld tegen die beschikking.

Bij brief van gelijke datum hebben verzoekers de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verweerder wordt geboden hen opvang te verlenen op basis van de Wet COA/de Rva 1997 tot onherroepelijk op het door verzoekers ingediende beroepschrift is beslist.

Bij brief van 14 juni 2001 is een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 juni 2001. Verzoekers A en B zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Als tolk in de Turkse taal is verschenen mevrouw N. Yurdakul.

De beoordeling – wettelijk kader

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien naast een verzoek om een voorlopige voorziening ook een beroep aanhangig is en de president van oordeel is dat na het onderzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3. Op grond van artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (Wet COA), in samenhang bezien met artikel 1 van Hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2001 nr. 496), is de president van de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd om het onderhavige verzoek te behandelen.

4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet COA is het COA belast met het plaatsen van asielzoekers in opvangcentra. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA is de Minister (lees: de staatssecretaris) van Justitie bevoegd regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van de Rva 1997.

5. Vanaf 1 april 2001 bepaalt artikel 2a van de Rva 1997 –voor zover van belang- dat deze regeling niet van toepassing is op een asielzoeker ten aanzien van wie de minister overweegt de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 30, onder a, van de Vw 2000. In artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ‘asiel’ wordt afgewezen als –kort gezegd- een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Artikel 2a van de Rva 1997 ziet met name op asielzoekers ten aanzien van wie de Minister van Justitie een verzoek tot overdracht heeft gericht of zal richten aan een andere staat, partij bij de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen is ingediend (Dublin, 15 juni 1990).

6. Ingevolge artikel 1 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (Trb.1991, 82) (verder: EVSMB) verbindt ieder der Verdragsluitende Partijen zich te waarborgen, dat onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen, die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar grondgebied, waarop dit Verdrag van toepassing is, en niet beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op sociale en medische bijstand, zoals deze is geregeld door de geldende wetgeving in dat deel van haar grondgebied.

7. Ingevolge artikel 11, onder a, van het EVSMB wordt het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen als rechtmatig in de zin van dit Verdrag beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is, welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.

8. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) genieten vreemdelingen in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

Standpunten van partijen

9. Verzoekers stellen dat verweerder gehouden is om hen opvang te verlenen. Zij beroepen zich daarbij op het EVSMB onder verwijzing naar de uitspraken van de president van de rechtbank te Arnhem van 23 januari 2001 (Awb 00/2352; gepubliceerd in JV 2001/96) en van de president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 14 mei 2001 (Awb 01/842). Tevens doen verzoekers een beroep op de aanwezigheid van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden, gezien de gezondheidstoestand van verzoekster B, en op de samenstelling van het gezin.

10. Verweerder stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat met het rechtmatig verblijf van verzoekers in Nederland nog niet gezegd kan worden dat zij rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB beschikken. Voorts stelt verweerder dat een Dublinclaimant slechts wanneer sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden, in aanmerking kan komen voor opvang. Verweerder stelt dat daarvan in dit geval geen sprake is.

De beoordeling – het EVSMB

11. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekers een verblijfsvergunning asiel hebben aangevraagd en dat de Staatssecretaris van Justitie ten behoeve van verzoekers bij de Duitse autoriteiten een zogenaamde Dublinclaim heeft gelegd, hetgeen inhoudt dat uit hoofde van voormelde Overeenkomst van Dublin aan Duitsland een verzoek tot overdracht is voorgelegd. Voornoemd verzoek is op 14 mei 2001 gehonoreerd. Hieruit volgt dat zich in het geval van verzoekers de situatie voordoet die is omschreven in artikel 2a van de Rva 1997. Zij hebben mitsdien geen aanspraak op de verstrekkingen die in de Rva 1997 aan asielzoekers zijn toegekend. Dit is slechts anders indien verweerder op grond van het EVSMB gehouden zou zijn hen, als onderdanen van een land dat partij is bij genoemd verdrag, die verstrekkingen toe te kennen. Het geding spitst zich toe op de vraag of verzoekers onder de personele werkingssfeer van het EVSMB vallen en meer in het bijzonder of „rechtmatig verblijf“ in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 op één lijn kan worden gesteld met een „permit or such other permission“ als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB.

12. Verzoekers verblijven in Nederland in afwachting van de beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Dientengevolge is het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 op verzoekers van toepassing en verblijven zij in ieder geval rechtmatig in Nederland totdat op hun aanvraag is beslist. Op grond van artikel 3.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt aan deze categorie personen het zogeheten W-document verstrekt, waaruit hun rechtmatig verblijf blijkt.

13. De president is van oordeel dat een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 gelijk moet worden gesteld aan een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 1 juncto artikel 11 van het EVSMB, omdat niet valt in te zien dat de verblijfstitel van verzoekers niet dient te worden aangemerkt als verblijf op grond van een „andere soortgelijke vergunning“ als bedoeld in artikel 11, onder a, van het EVSMB.

Artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 verleent aan de aldaar omschreven personen immers een verblijfsrecht in Nederland, welk verblijf naar nationaal recht rechtmatig is. De omstandigheid dat er sprake is van een zwakke verblijfstitel acht de president niet van belang bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een soortgelijke vergunning in de zin van artikel 11, onder a, van het EVSMB. De president kan zich verenigen met het vonnis van de president van de Rechtbank Den Haag van 7 oktober 1998 (KG 1998/301; AB 1998/428) en maakt de daarin gebezigde overwegingen tot de zijne.

14. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van verzoekers niet gesproken kan worden van verblijf in Nederland waarvoor positieve instemming is gegeven. De president deelt dit standpunt niet aangezien de positieve instemming direct uit de wet, namelijk uit artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 volgt. Gelet daarop kan niet worden gesteld dat sprake is van het gedogen van vreemdelingen die in afwachting zijn van de beslissing op hun asielaanvraag.

15. Verweerder heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 27 maart 2001 van de rechtbank te Den Haag (00/11800 ABW, gepubliceerd in JV 2001/127) waarin –samengevat- is overwogen dat onder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11 van het ESVMB dient te worden verstaan verblijf op grond van de documenten die in Bijlage III zijn genoemd; het betreft –kort gezegd- verblijf op grond van de artikelen 9 en 10 van de Vw (oud). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij ook in het gebruik van de zinsnede „or such other permission“ geen grond ziet voor een ruimere uitleg van artikel 11, onder a, van het EVSMB.

16. De president daarentegen ziet geen aanknopingspunten voor een beperking van het rechtmatig verblijf tot de in Bijlage III genoemde gevallen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

17. Het EVSMB heeft als doel een grotere eenheid tussen de leden van de Raad van Europa tot stand te brengen, in het bijzonder om hun sociale vooruitgang te bevorderen. Het verdrag bevestigt het beginsel van gelijkheid van behandeling van de verdragsonderdanen ten aanzien van de sociale zekerheidswetgeving.

Eén van de grondbeginselen van het verdrag is een discriminatieverbod naar nationaliteit als gevolg waarvan verdragsonderdanen in het gastland bij rechtmatig verblijf toegang tot sociale en medische bijstand hebben conform de eigen onderdanen.

18. De Engelse tekst van artikel 11, onder a, van het EVSMB luidt als volgt:

„Residence by an alien in the territory of any of the Contracting Parties shall be considered lawful within the meaning of this Convention so long as there is in force in his case a permit or such other permission as is required by the laws and regulations of the country concerned to reside therein.“.

19. Bij het EVSMB is een Bijlage III gevoegd. Deze bijlage heeft als titel „List of Documents recognised as affording proof of residence, referred to in Article 11 of the Convention.“

Uit de publicatie van deze bijlage in Tractatenblad 1991, nr. 82, blijkt dat voor Nederland in deze bijlage de volgende bewijsstukken zijn opgenomen:

„a. Temporary residence permit.

b. Residence card issued to nationals of EEC member States.

c. Permanent residence permit.

d. Residence permit issued indefinitely ex art. 10, para 2 of the Aliens Act.“

20. De president merkt op dat genoemde bijlage meldt dat wordt ‘referred to article 11’, terwijl dat artikel geen verwijzing bevat naar een bijlage. In artikel 12 van het EVSMB wordt echter wel verwezen naar bijlage III. In artikel 12 is bepaald dat het aanvangstijdstip van het tijdvak van verblijf, vermeld in artikel 7, behoudens bewijs van het tegendeel, wordt vastgesteld aan de hand van bewijsmateriaal verkregen door officieel onderzoek of van de in Bijlage III vermelde bewijsstukken of van alle bewijsstukken, die door de wetten en regelingen van het land worden erkend als bewijs van verblijf. De verwijzing in Bijlage III naar artikel 11 berust dan ook op een kennelijke misslag. De president vermag op grond van het voorgaande niet in te zien dat de in Bijlage III genoemde vergunningen aangemerkt dienen te worden als een limitatieve opsomming van verblijfsrechten die dienen te worden beschouwd als een ‘permit or such other permission as is required bij the laws and regulations of the country concerned to reside therein’. Aan het voorgaande voegt de president nog toe dat de bewijsstukken die in Bijlage III zijn vermeld, blijkens de bewoordingen van artikel 12, gericht zijn op de vaststelling van het aanvangstijdstip van de verblijfsperiode als bedoeld in artikel 7 van het Verdrag en voorts dat deze bewijsstukken, eveneens blijkens de tekst van artikel 12, niet limitatief zijn bedoeld. Gelet daarop ligt het niet voor de hand om de in Bijlage III vermelde bewijsstukken op te vatten als een limitatieve aanduiding van de gevallen waarin sprake is van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 11. Verweerder heeft betoogd dat Bijlage III een ruimere werking heeft dan enkel in het kader van de artikelen 7 en 12 van het Verdrag, omdat zowel artikel 11 als artikel 12 in Titel III van het Verdrag staan. Gelet op het duidelijke tekstuele verband tussen de artikelen 7 en 12 en Bijlage III, ziet de president geen grond voor dit standpunt van verweerder.

21. Voorts merkt de president nog op dat voormelde doelstellingen en grondbeginselen van het EVSMB zich minder goed verdragen met een limitatieve uitleg van het Verdrag wat betreft de personele werkingssfeer, zoals door verweerder wordt voorgestaan.

22. De president volgt verweerder verder niet in zijn beroep op het arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 20 januari 2000 (JV 2000/461; RSV 2000/81; JABW 2000/40; USZ 2000/64). In de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 van dat arrest, en in het bijzonder rechtsoverweging 9, valt naar het oordeel van de president niet zonder meer een stellige uitspraak te lezen ten aanzien van de uitleg van artikel 11, onder a, van het EVSMB.

23. De president is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het verblijf van verzoekers in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 gelijk moet worden gesteld aan een rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 1 juncto artikel 11 van het EVSMB.

Gelet op het door verweerder in de periode 7 oktober 1998 tot 8 november 2000 gevoerde beleid gaat de president er van uit dat de door verzoekers verlangde opvang aangemerkt wordt als sociale bijstand als bedoeld in artikel 1 van het EVSMB. De weigering om hen op grond van artikel 2a van de Rva 1997 opvang te verlenen is naar het oordeel van de president dan ook in strijd met artikel 1 juncto artikel 11 van het EVSMB.

Slotoverwegingen

24. Na het onderzoek ter zitting is de president van oordeel gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk te beslissen over de hoofdzaak. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. De president zal voorts onder toepassing van artikel 8: 72, vierde lid, van de Awb bepalen dat verweerder aan verzoekers opvang verleend op grond van de Wet COA en de Rva 1997.

25. Gelet op het spoedeisende karakter van de gevraagde voorziening zal de president het verzoek in die zin toewijzen dat bepaald wordt dat verweerder verzoekers met ingang van heden opvang verlenen op grond van de Wet COA en de Rva 1997.

26. De president acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:84, vierde lid, j artikel 8:75, eerste lid, Awb en verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) begroot op fl. 2.130,= aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De beslissing

De president:

in de beroepen:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 1 mei 2001;

bepaalt dat verzoekers opvang wordt verleend als bedoeld in de Wet COA en de Rva 1997;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van ƒ 710,–, onder aanwijzing van de rechtspersoon het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers die deze kosten dient te voldoen aan verzoekers;

in de voorlopige voorzieningen:

wijst het verzoek om voorziening toe;

gelast verweerder verzoekers met ingang van heden opvang als bedoeld in de Wet COA en de Rva 1997 te verlenen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van ƒ 1.420,–, onder aanwijzing van de rechtspersoon het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers die deze kosten dient te voldoen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de fungerend-president

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 120 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3a van de Wet COA).

Het hoger beroep kan worden ingediend, (onder bijvoeging van een kopie van de uitspraak waartegen beroep), op het volgende adres:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ‘s-Gravenhage