Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5488

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2001
Datum publicatie
14-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/35442
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Georgië / homoseksualiteit.

Eiser is afkomstig uit Georgië en hij is homoseksueel. Bij binnenkomst in Nederland was eiser minderjarig. Niet in geschil is dat eiser vanwege zijn seksuele geaardheid meer dan tien keer is verkracht en mishandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de bijzondere individuele omstandigheden in onderhavige zaak, te weten eisers minderjarigheid en de omstandigheden dat hij geen personen had op wie hij kon terugvallen en dat hij in Georgië een zwervend bestaan leidde, niet zonder meer van hem verlangd worden dat hij de bescherming van de Georgische autoriteiten inriep. Verweerder had in onderhavige zaak niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar de ambtsberichten van 25 mei 2000 en 27 juli 1998 inzake de situatie in Georgië. Nog afgezien van het feit dat de ambtsberichten niets vermelden over de positie van minderjarige homoseksuelen, acht de rechtbank de vrees van eiser voor represailles van de zijde van zowel de autoriteiten als zijn belagers in dit licht van de informatie zoals vermeld in bovengenoemde ambtsberichten niet op voorhand onaannemelijk. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 115
Vreemdelingenwet 2000 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 00/3542

Datum uitspraak: 16 mei 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1971,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. R.P.M. Heijkamp,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. S. van Waegeningh.

Het procesverloop

Op 6 januari 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 27 juli 1999 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Wel is aan eiser met ingang van 5 januari 1999 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend.

Eiser heeft daartegen bij bezwaarschrift van 20 september 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 6 april 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 4 mei 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 april 2001. Eiser noch zijn gemachtigde is daar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling - algemeen

1. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000; Stb. 2000, 495, zoals gewijzigd bij de Wet van 22 maart 2001, Stb. 2001 nr. 141) in werking getreden (KB van 20 maart 2001, Stb. 2001, 144 en van 22 maart 2001, Stb. 2001, 142) en de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40, zoals nadien gewijzigd, hierna aangeduid als de Vw) ingetrokken.

De ontvankelijkheid van het beroep

2. In deze procedure die allereerst de vraag te worden beantwoord of eiser na de inwerkingtreding van de Vw 2000 nog belang heeft bij een rechterlijke uitspraak.

3. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiser in deze procedure geen rechtens te honoreren belang meer heeft. Ter zitting is daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

„Onder oud recht was eiser in het bezit van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf die ingevolge artikel 115 lid 6 Vw 2000 van rechtswege moet worden aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 onder handhaving van de geldigheidsduur. Hieruit volgt dat eiser bij doorprocederen geen belang heeft. Immers, ook als naar oud recht onverhoopt aangenomen zou moeten worden dat eiser aanspraak zou hebben gehad op een sterkere verblijfstitel, kan dat onder huidig recht tot niet meer leiden dan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, terwijl de ingangsdatum in beginsel niet verschillend is.“ en „De stelling dat, als voor 1 april 2001 een hogere status zou zijn verleend, die ingevolge artikel 115 van rechtswege zou moeten worden aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan niet betekenen dat dus ook onder vigeur van de Vw 2000 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet worden verleend. Immers, op grond van artikel 115 van de Vw 2000 kan van een dergelijke vergunning geen sprake zijn nu de betrokkene op het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 niet over een titel beschikte die krachtens de leden 2 tot en met 7 zou moeten worden aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, terwijl in beginsel evenmin kan worden gesteld dat op grond van artikel 34 Vw 2000 aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 van de Vw 2000. De Vw 2000, en met name het overgangsrecht, biedt dus geen grondslag voor de verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, indien de desbetreffende vreemdeling ten tijde van het inwerkingtreden niet beschikte over een titel die van rechtswege zou moeten worden aangemerkt als een dergelijke vergunning en ook niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 34 van de Vw 2000.“.

4. De rechtbank deelt verweerders standpunt, zoals hierboven kort verwoord, niet. Eiser heeft een rechtens te honoreren belang bij een uitspraak over de vraag of verweerder al dan niet terecht heeft aangenomen dat hij geen vluchteling is. Immers, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dan dient rechtsherstel plaats te vinden in die zin dat eiser in dezelfde positie wordt geplaatst als waarin hij zou hebben verkeerd als er niet onrechtmatig zou zijn besloten. Als in het onderhavige geval het bestreden besluit onrechtmatig zou blijken omdat verweerder eiser ten onrechte althans op ontoereikende gronden toelating zou hebben geweigerd, dan zou verweerder een nieuw besluit dienen te nemen. Indien verweerder dan alsnog tot toelating als vluchteling zou concluderen, dan zou verweerder eiser onder herroeping van het primaire besluit met ingang van de datum van zijn aanvraag als vluchteling moeten toelaten. Daaruit volgt dat hij zou dienen te worden behandeld als ware hij op 1 april 2001 in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van toelating als vluchteling. Op grond van artikel 115, zevende lid, van de Vw 2000 zou deze vergunning alsdan omgezet zijn in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, terwijl thans zijn vergunning is omgezet in een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

5. De rechtbank is voorts, anders dan namens verweerder ter zitting is bepleit, van oordeel dat de artikelen 117 en 118 van de Vw 2000 geen aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat bij opnieuw voorzien door verweerder uitsluitend een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zou kunnen worden verstrekt. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op het thans besproken geval omdat zij naar doel en strekking zien op lopende aanvragen en bezwaarzaken waarop dan wel waarin op 1 april 2001 nog niet is beslist. Deze visie blijkt ook uit de toelichting op meergenoemde bepalingen (TK 26 732, nr. 7, p. 228; TK 26 732, nr. 3, p. 94/95). De toelichting op de artikelen 117 en 118 van de Vw 2000 bevat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat is beoogd genoemde artikelen mede van toepassing te doen zijn op gevallen waarin na vernietiging van een vóór 1 april 2001 genomen besluit op bezwaar door verweerder na 1 april 2001 opnieuw beslist dient te worden. De rechtbank heeft in de parlementaire stukken geen passage aangetroffen die expliciet steun biedt voor het door verweerder ingenomen standpunt. Gelet op hetgeen in de vorige alinea is overwogen ten aanzien van verweerders plicht tot rechtsherstel, is de omstandigheid dat eiser op 1 april 2001 feitelijk niet zou zijn toegelaten als vluchteling niet van belang bij de beantwoording van de vraag welke vergunning verleend zou moeten worden als verweerder, opnieuw voorziend, tot toelating als vluchteling zou concluderen.

6. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de inwerkingtreding van de Vw 2000 niet als gevolg heeft dat vreemdelingen die in het bezit zijn van een vvtv ten principale geen belang meer hebben bij doorprocederen voor toelating als vluchteling. Dit is slechts anders indien de rechtbank uitspraak zou doen op het moment dat de vreemdeling reeds drie jaren (heeft) beschikt over een vvtv dan wel, onder de werking van artikel 115, zesde lid, van de Vw 2000, een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst daarvoor naar zijn uitspraak van 25 april 2001 onder de registratienummers 99/8116 en 99/8117.

Aangezien eiser sedert 5 januari 1999, en mitsdien niet gedurende drie jaren, in het bezit is van een vvtv dan wel een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000, kan niet staande worden gehouden dat eiser geen belang meer heeft bij zijn beroep en is het beroep ontvankelijk.

De beoordeling van het beroep

7. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikking van 6 april 2000 in rechte stand kan houden. Behoudens eventuele toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 zal getoetst worden aan het ten tijde van de beschikking geldende recht.

8. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

Ingevolge artikel 15c, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien deze is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

9. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn asielaanvraag samengevat het volgende naar voren gebracht.

Eiser behoort tot de Pashtun bevolkingsgroep. Hij heeft als beroepsmilitair dienst gedaan in het leger van Afghanistan van 1987 tot 1992. Hij bewaakte de stad Jalalabad. In 1990 is eiser lid geworden van de Democratische Volkspartij Afghanistan (DVPA). Met de komst van de Mudjaheddin in 1992 is eiser gestopt met zijn werk als beroepsmilitair en eindigde ook zijn lidmaatschap van de DVPA. Hij voorzag in de daaropvolgende jaren in zijn levensonderhoud door zijn land te bewerken.

Op 10 juni 1992 is eisers vader meegenomen door de Mudjaheddin en nadien gedood. De Taliban zijn nadien tot vier keer toe bij eiser aan de deur geweest. Dit was steeds overdag. Eiser kan niet aangeven in welke periode dit was. De Taliban waren op zoek naar eiser, maar hij was die keren niet thuis. In oktober/november 1998 zijn 460 mensen in Afghanistan gearresteerd omdat zij werden beschuldigd van het plegen van een staatsgreep. Een aantal van die mensen kende eiser. Op 1 november 1998 kwamen de Taliban opnieuw bij eiser aan de deur, dit keer om een huiszoeking te verrichten. Het huis van eiser was omsingeld. Eiser zag kans om via een tussendeur met de buren te vluchten. Eiser is niet meer teruggekeerd naar huis, maar doorgereisd naar Pakistan, van waaruit hij naar Nederland is gevlucht.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas deels ongeloofwaardig dan wel onaannemelijk is en voor het overige onvoldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Het enkele lidmaatschap van de DVPA kan niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat een voormalig lidmaatschap van de communistische partij alleen risico’s oplevert indien men zich thans niet schikt naar de regels van het Taliban-bewind dan wel wanneer men tijdens het communistische bewind een prominente positie heeft bekleed. Verweerder verwijst hiervoor naar de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 maart 1998 en 3 november 1998. In het geval van eiser is dit niet gebleken. Evenmin kan het enkele feit dat eiser als militair werkzaam is geweest voor de communistische regering leiden tot vluchtelingschap. Uit het ambtsbericht van 3 november 1998 blijkt dat soldaten en officieren uit het communistische leger, die thans uit dienst zijn getreden, geen risicogroep vormen op grond van het feit dat zij in het communistische leger hebben gediend.

Eiser heeft de door hem gestelde huiszoekingen niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat de Taliban naar eiser op zoek zouden zijn vanwege de staatsgreep in oktober 1998 is slechts gebaseerd op vermoedens. Voorts is het niet aannemelijk dat de Taliban steeds overdag bij verzoeker zouden zijn langsgeweest en dat verzoeker in die vier bezoeken niet reeds aanleiding heeft gezien om zichzelf in veiligheid te brengen. Ten slotte acht verweerder het onaannemelijk dat het eiser is gelukt om via de buren te ontsnappen terwijl volgens zijn eigen verklaring het huis omsingeld was.

11. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op basis van cumulatieve gronden gefundeerde vrees voor vervolging heeft. Hij beroept zich daarbij op zijn werkzaamheden als officier in het communistische leger en zijn lidmaatschap van de communistische partij. Het lidmaatschap van de DVPA leidt automatisch tot arrestatie door de Taliban. Dat eiser gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging blijkt uit het feit dat de Taliban tot vijf keer toe zijn woning hebben bezocht.

12. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

13. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat het enkele lidmaatschap van eiser van de DVPA en zijn werkzaamheden als beroepsmilitair ten behoeve van de communistische regering leiden tot gegronde vrees voor vervolging. De rechtbank betrekt hierbij de informatie in de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 november 1998 en 16 september 1999, waarin is aangegeven dat voormalige beroepsmilitairen geen risicogroep vormen enkel en alleen op grond van het feit dat zij in het communistische leger hebben gediend en dat vervolging enkel en alleen op basis van een communistisch verleden onwaarschijnlijk is. Hierbij wordt in overweging genomen dat gesteld noch gebleken is dat eiser behoort tot één van de risicogroepen als genoemd in voormelde ambtsberichten. Eiser heeft bovendien na de beëindiging van zijn werkzaamheden in 1992 op geen enkele wijze politieke of militaire activiteiten tegen de Taliban verricht of zich anderszins als tegenstander van de Taliban geprofileerd.

De achtereenvolgende huisbezoeken door de Taliban acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt en kunnen mitsdien niet leiden tot een gegrond beroep op vluchtelingschap. De verklaringen die eiser hierover heeft afgelegd zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd. Zo is onduidelijk gebleven wanneer en waarom de Taliban de eerste vier keren bij eiser thuis zijn langs geweest. Bovendien hebben deze bezoeken klaarblijkelijk niet geleid tot bijzondere problemen voor eiser. Ook het laatste huisbezoek in november 1998, dat heeft geleid tot de vlucht van eiser uit zijn land, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk. Gezien de omstandigheid dat eiser zich vanaf 1992 op geen enkele wijze heeft bezig gehouden met politieke of militaire activiteiten is het bovendien niet aannemelijk dat hij er van wordt verdacht medeplichtig te zijn aan een staatsgreep. Eisers vermoeden hieromtrent heeft hij niet nader geconcretiseerd of anderszins aannemelijk gemaakt.

14. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder terecht onder toepassing van artikel 15c, eerste lid, onder a, van de Vw, besloten dat eiser niet voor toelating als vluchteling in aanmerking komt.

15. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

16. Gelet op hetgeen bij de beoordeling van de asielaanvraag is overwogen, is niet aannemelijk, dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Afghanistan een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

17. Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

18. Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

Slotoverwegingen

19. Het beroep is derhalve ongegrond.

20. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

De Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door de mrs. J.J. Catsburg, A.W.M. van Hoof en W.P.C.G. Derksen en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. J. Hermans als griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 28 mei 2001