Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5484

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2001
Datum publicatie
14-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/4201
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Irak / bloedwraak.

Artikel 32, eerste lid, Vw blijft van toepassing op bezwaarschriften gericht tegen besluiten van vóór 1 april 2001. Deze bepaling kan worden beschouwd als een bepaling betreffende de behandeling van het bezwaar zoals bedoeld in artikel 118.2, Vw 2000. Dit is niet het geval voor artikel 33b Vw. Na 1 april 2001 bestaat er geen bevoegheid meer tot toepassing van die bepaling.

Verzoeker vreest vervolging in Irak vanwege een kwestie van eerwraak. Hij wordt door de familie van zijn ex-vriendin ervan verdacht dat hij zijn ex-vriendin heeft ontmaagd.

Uit het ambtsbericht Noord-Irak van 12 april 2000 blijkt dat de mogelijkheid en wil tot ingrijpen door PUK en KDP mede afhangen van de macht en positie van de betrokken families. Wat betreft de passage in het ambtsbericht over de problemen die vrouwen kunnen ondervinden in de clansfeer is onduidelijk in hoeverre dit ook betrekking heeft op de mannen die daarbij betrokken zijn. Dit bemoeilijkt een risico-inschatting. Verweerder heeft de passages in het ambtsbericht onvoldoende betrokken bij de toets aan artikel 3 EVRM.

Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 118
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/224 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

President

Registratienummer: AWB 00/4201

Datum uitspraak: 11 juni 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1973,

van Iraakse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. B.E.H. Seegers,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S. Oudolf,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 28 december 1998 heeft verzoeker een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 11 januari 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Verzoeker heeft daartegen bij bezwaarschrift van 27 maart 2000 bezwaar gemaakt.

Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 23 mei 2000 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 mei 2001. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Ambtshalve

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voornoemde belangenafweging wordt mede ingevuld door de in de wet opgenomen schorsingsregeling.

3. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000; Stb. 2000, 495, zoals gewijzigd bij de Wet van 22 maart 2001, Stb. 2001 nr. 141) in werking getreden (KB van 20 maart 2001, Stb. 2001, 144 en van 22 maart 2001, Stb. 2001, 142) en de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40, zoals nadien gewijzigd, hierna aangeduid als de Vw) ingetrokken.

4. Artikel 117 in samenhang met artikel 40 van de Vw 2000 brengt mee, dat het bezwaar aangemerkt moet worden als bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000.

5. Verweerder heeft verzoeker medegedeeld, dat gedurende de behandeling van het bezwaar uitzetting niet achterwege wordt gelaten. Verzoeker heeft derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

6. In artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 is, voor zover van belang, bepaald: "Op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet die (lees: dat, pres.) is bekendgemaakt (…) voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing."

7. Over deze bepaling is in de Memorie van Toelichting (TK, 26732, nr. 3, p. 94) opgemerkt: "Het tweede lid betekent dat procedurevoorschriften voor de behandeling van het bezwaar, zoals bijvoorbeeld de regels omtrent het horen van de Adviescommissie vreemdelingenzaken, blijven gelden voor voor bezwaar vatbare besluiten of handelingen die voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn bekendgemaakt of verricht. Opgemerkt zij, dat op het bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van de nieuwe wet. Zulks is niet bepaald, omdat het reeds volgt uit de hoofdregel van het algemeen bestuursrecht dat in bezwaar ex nunc wordt beslist."

In de wetsgeschiedenis is niet nader toegelicht voor welke procedurevoorschriften artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 verder is bedoeld en of ook de schorsingsregeling van artikel 32, eerste lid, van de Vw en de bevoegdheid die in artikel 33b van de Vw was neergelegd, tot die procedurevoorschriften behoren. Verweerder heeft geen passage uit de wetsgeschiedenis genoemd die er op duidt, dat de wetgever daarbij ook de artikelen 32, eerste lid, en 33b van de Vw op het oog heeft gehad.

Naast de in de memorie van toelichting bedoelde regeling in artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw van de gevallen waarin advies ingewonnen moet worden van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, bevatten ook de artikelen 31, vierde lid, 32, tweede lid (daarin is immers geregeld, dat de hoorplicht van de artikelen 7:2 dan wel 7:16 van de Awb niet van toepassing is indien het bestuursorgaan heeft bepaalt dat uitzetting niet achterwege blijft), en 33 van de Vw bepalingen die gezien hun bewoordingen procedureregels bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op de behandeling van het bezwaar.

8. In artikel 32, eerste lid, van de Vw was bepaald, dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, achterwege blijft indien:

a. de vreemdeling een aanvraag om toelating als vluchteling heeft gedaan, tenzij er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin;

b. de vreemdeling enige andere aanvraag om toelating heeft gedaan terwijl er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar, dat gericht is tegen de beschikking die strekt tot weigering van toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

Hoewel het besluit op grond van deze bepaling een besluit was over het aan het hebben gemaakt van bezwaar te verbinden rechtsgevolg (te weten dat de uitzetting al dan niet achterwege wordt gelaten gedurende de behandeling van het bezwaar) en dit besluit een beschikking in de zin van de Awb was, waartegen ingevolge artikel 29, aanhef en onder c, van de Vw (slechts) afzonderlijk beroep ingesteld kon worden, is dat besluit voldoende rechtstreeks betrokken op de behandeling van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000. De schorsingsregeling van artikel 32, eerste lid, van de Vw blijft dus van toepassing op bezwaren als de onderhavige die zijn gemaakt tegen een besluit dat voor 1 april 2001 is bekendgemaakt.

9. In artikel 33b van de Vw was bepaald: "Indien het beroep op de rechtbank of het verzoek om een voorlopige voorziening is gericht tegen een afzonderlijke beschikking, houdende weigering hangende de afdoening van het bezwaar of het administratief beroep uitzetting achterwege te laten, beslist de rechtbank en in het geval van een verzoek om een voorlopige voorziening de president van de rechtbank zoveel mogelijk tevens over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating."

Deze bepaling bevatte derhalve geen procedurevoorschrift voor de behandeling door het bestuursorgaan van het bezwaar, maar een bepaling met betrekking tot het te nemen besluit (waarvan in de memorie van toelichting overigens is opgemerkt, dat moet worden beslist met inachtneming van de nieuwe wet) door aan de rechtbank dan wel haar president een kortsluitbevoegdheid te verlenen. Zonder uitdrukkelijke bepaling of expliciete toelichting die op het tegendeel duidt, die ontbreekt, kan artikel 33b daarom niet worden beschouwd als een bepaling betreffende de behandeling van het bezwaar zoals bedoeld in artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000. Na 1 april 2001 kan de president derhalve niet meer kortsluiten met toepassing van artikel 33b van de Vw. Of na die datum nog kan worden kortgesloten, wordt dus bepaald door de Vreemdelingenwet 2000. In asielzaken kan dat na 1 april 2001 niet meer, omdat de kortsluitbepaling van artikel 78 ingevolge artikel 72 van toepassing is indien onder meer afdeling 3 van hoofdstuk 7, dat het beroep tegen afwijzende asielbeschikkingen regelt, niet van toepassing is.

10. De president zal derhalve toetsen of de uitzetting van verzoeker verboden moet worden omdat er in redelijkheid twijfel over kan bestaan dat geen aanspraak bestaat op verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of omdat verzoeker een redelijke kans heeft op ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier, dan wel of er wegens andere bijzondere belangen een voorziening moet worden getroffen.

De beoordeling

11. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1 (A) van het Verdrag van Geneve betreffende de status van vluchtelingen konden vreemdelingen die afkomstig waren uit een land waarin zij gegronde redenen hadden te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten. Onder de huidige Vw 2000 kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel worden verleend voor bepaalde tijd indien hij een verdragsvluchteling is. In artikel 30 van de Vw 2000 zijn de imperatieve en in artikel 31 van de Vw 2000 de facultatieve afwijzingsgronden voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 opgenomen.

12. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn asielaanvraag samengevat het volgende naar voren gebracht.

Verzoeker is afkomstig uit Duhok in Noord-Irak en van Koerdische afkomst. Op 15 maart 1993 was verzoeker aanwezig op een bruiloft van zijn neef in Batufa. Tijdens dat feest ontmoette hij een meisje op wie hij verliefd werd. Op 15 mei 1993 heeft verzoekers moeder de vader van het meisje om haar hand gevraagd. De vader, imam van de moskee en lid van de alliantie van Islamitisch Koerdistan, heeft dit geweigerd. Tien dagen later hebben vier familieleden van verzoeker opnieuw de vader om de hand van zijn dochter gevraagd. Ook dit verzoek werd afgewezen. Drie maanden later werd door de familie van verzoeker opnieuw een verzoek aan de vader gericht, maar ook dit keer gaf de vader geen toestemming.

Op 20 november 1998 was de bruiloft van het betreffende meisje met een neef van haar. Nadien bleek dat zij ontmaagd was. Het meisje is door haar vader vermoord om de familie-eer te redden. Toen het feit van de ontmaagding bekend was geworden zijn een aantal gewapende familieleden (tevens lid van de KDP) van het meisje naar verzoekers woning gekomen. Aangezien verzoeker in het verleden een paar keer om haar hand had gevraagd, werd hij er – ten onrechte - van verdacht haar ontmaagd te hebben. Verzoeker was op dat moment niet thuis, maar verbleef bij zijn oom in Zakho. Verzoekers moeder vernam waarom verzoeker door de familieleden werd gezocht en heeft verzoeker daarvan in Zakho op de hoogte gesteld. Verzoeker is niet meer teruggekeerd naar zijn woning, maar heeft verbleven bij een vriend van zijn oom. Van daaruit is hij op 25 november 1998 uit Irak vertrokken.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verzoeker gestelde problemen niet zijn te herleiden tot één van de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag. Voorts heeft verzoeker niet de hulp ingeroepen van de autoriteiten en kan verzoeker geacht worden te beschikken over een vestigingsalternatief namelijk in dat gebied in Noord-Irak dat niet onder het gezag van de KDP valt.

14. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in Noord-Irak geen bescherming kan vinden bij de Koerdische autoriteiten. Hij wordt verdacht van ontmaagding. Dit betreft in Irak een strafbaar feit waarvoor hij zal kunnen worden opgepakt. Van hem kan daarom niet worden verlangd dat hij zich tot de Koerdische autoriteiten wendt. Voorts zijn de Koerdische autoriteiten niet in staat en bereid burgers te beschermen tegen mensenrechtenschendingen zoals verboden in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit geldt te meer nu de familie van het meisje behoort tot de KDP. Voor verzoeker is geen vestigingsalternatief in Noord-Irak aanwezig. Omdat verzoeker zelf in het verleden als peshmerga voor de KDP werkzaam is geweest, zal hij in het gebied dat onder gezag van de PUK of de Islamitische Beweging staat in de problemen komen. Verzoekers vader was een bekend KDP-lid waardoor het zeer goed mogelijk is dat de PUK of de Islamitische Beweging hierdoor van verzoekers KDP-verleden op de hoogte is.

15. De president overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

16. De president overweegt dat verzoeker een consistent asielrelaas naar voren heeft gebracht en dat op voorhand aan de geloofwaardigheid van de gebeurtenissen niet wordt getwijfeld. De president is evenwel met verweerder van oordeel dat het asielrelaas van verzoeker niet kan leiden tot een gegrond beroep op vluchtelingschap. De president acht hiervoor doorslaggevend dat in het door verzoeker aangegeven vluchtmotief geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan worden gevonden, aangezien geen verband bestaat met één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

17. Ingevolge artikel 3 EVRM dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

18. De president overweegt dat in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 op pagina 33 staat beschreven dat in geval van conflicten tussen families, clans en stammen de mogelijkheid en wil tot ingrijpen door PUK en KDP mede zullen afhangen van de macht en positie van de betrokken personen, families, clans en stammen. PUK en KDP zullen niet altijd optreden.

19. Op pagina 88 van hetzelfde ambtsbericht is vermeld dat bepaalde groepen in Noord-Irak het risico lopen van vervolging zonder dat zij daartegen afdoende bescherming van de Koerdische autoriteiten kunnen inroepen. In geval van vrees voor problemen kan niet worden gesteld dat men zich daaraan zonder meer kan onttrekken door zich (elders) in Noord-Irak te vestigen. Deze passage in het ambtsbericht heeft specifiek betrekking op vrouwen die problemen vrezen als gevolg van een conflict in de traditionele (clan-)sfeer. Het ambtsbericht verstrekt geen informatie of en zo ja, welke gevolgen eerwraak heeft voor de man die er – al dan niet ten onrechte – van wordt beschuldigd een meisje te hebben ontmaagd. De president acht het ambtsbericht op dit onderdeel summier, hetgeen een risico-inschatting bemoeilijkt.

20. De president is enerzijds van oordeel dat verzoeker zijn stellingen dat hij geen bescherming kan vinden bij de Koerdische autoriteiten en dat er voor hem geen vestigingsalternatief is vooralsnog onvoldoende nader heeft onderbouwd. Uit de stukken in het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat het mogelijk om een belangrijke familie binnen de KDP gaat, maar kan niet worden afgeleid welke positie de familie van verzoekers ex-vriendin binnen de KDP precies inneemt en hoe invloedrijk deze familie is. Daardoor kan niet worden beoordeeld of van verzoeker in redelijkheid kon worden verlangd dat hij bescherming zou zoeken bij de KDP-autoriteiten. Ook is onvoldoende inzichtelijk welke positie verzoeker en zijn vader in het verleden binnen de KDP hebben ingenomen en of dit – mede in het licht van de huidige politieke situatie tussen KDP en PUK - daadwerkelijk betekent dat voor verzoeker geen vestigingsalternatief in PUK-gebied aanwezig is.

21. De president is anderzijds van oordeel dat in het licht van de betreffende passages in het ambtsbericht niet kan worden uitgesloten dat verzoeker bij terugkeer naar zijn land een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Onvoldoende is gebleken dat verweerder de informatie in het ambtsbericht in de beoordeling heeft betrokken en daarbij de relevante feiten en omstandigheden nader heeft onderzocht. In het kader van een zorgvuldige besluitvorming had zulks van verweerder mogen worden verlangd.

22. Op grond van het vorenstaande is de president is van oordeel dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen.

23. De president ziet termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt f 710,-, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb, de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

24. Tevens wordt met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb bepaald dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht zal vergoeden.

De beslissing

De president:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb toe;

gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker, c.q. tot het treffen van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, tot de beslissing op bezwaar aan verzoeker is bekendgemaakt;

veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op f 1.420,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Grijns en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001 in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. Hermans als griffier.

de griffier de fungerend-president

De fungerend-president is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 15 juni 2001

$$N OPMERKINGEN

wordt aangeleverd aangezien het er op lijkt dat er de laatste tijd steeds vaker uitspraken worden gedaan in bloedwraakzaken, dan wel dat deze zaken vaker dan voorheen worden gepubliceerd.