Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5465

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
01/48141
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / EU-onderdaan.

Ter beoordeling staat de vraag of een vreemdeling zonder papieren die stelt Brits onderdaan te zijn zonder voorafgaand onderzoek naar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld. Uit artikel 8.13 Vb 2000 volgt dat een onderdaan van een staat die partij is bij de Europese Unie, slechts in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld indien is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of zijn verblijfsrecht is vervallen, en tevens de termijn van ten minste vier weken om te vertrekken is verstreken, dan wel is gebleken van een dringend geval. De wet voorziet immers in artikel 50 Vw 2000 in afzonderlijke bevoegdheden met het oog op de vaststelling van identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Daarvan is geen gebruik gemaakt. Beroep gegrond en toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 8.13, geldigheid: 2001-10-08
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2001-10-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: 01/48141

Datum uitspraak: 8 oktober 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 94, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1972,

van Britse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. J. van Appia,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde drs. H.W. Pieters,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Het procesverloop

Op 23 september 2001 om 13.27 uur is eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Bij beroepschrift van 24 september 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen de vreemdelingenbewaring en verzocht in geval van opheffing een schadevergoeding toe te kennen.

Op 27 september 2001 is door de Britse autoriteiten bevestigd dat eiser de Britse nationaliteit heeft. Daarop is de bewaring opgeheven en eiser heengezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 1 oktober 2001. Eiser is verschenen bij mr. drs. J.M.R. Maas, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

Op 22 september 2001 om 23.55 uur is eiser strafrechtelijk aangehouden op verdenking van – kort gezegd – een fietsendiefstal, waarna hij is overgebracht naar een bureau van politie te Amsterdam, voorgeleid aan een hulpofficier van Justitie en ingesloten voor verhoor. Op 23 september 2001 omstreeks 9.22 uur is eiser als verdachte gehoord. Hij heeft onder meer verklaard, dat hij normaal in Engeland woont, dat hij al vier maanden in Nederland is, dat hij geld opgestuurd krijgt vanuit Engeland, dat hij verslaafd is aan heroïne en methadon gebruikt, dat hij al vier maanden geen vaste slaapplaats in Nederland heeft en dat hij geen identiteitspapieren bij zich heeft, omdat deze gestolen zijn. Op 23 september 2001 om 13.27 uur is eiser strafrechtelijk heengezonden.

Aansluitend is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld.

Op 26 september 2001 is een onderzoek gestart bij de Britse autoriteiten teneinde na te gaan of eiser bekend is als iemand met de Britse nationaliteit.

Op 27 september 2001 is gebleken dat eiser de Britse nationaliteit heeft. Daarop is de vreemdelingenbewaring onmiddellijk opgeheven.

Uit de toelichting ter zitting van de vertegenwoordiger van verweerder blijkt, dat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, omdat de verdenking een fietsendiefstal gepleegd te hebben, volgens verweerder, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt.

2. De rechtbank leidt uit het ambtsedig proces-verbaal van 23 september 2001, dat is overgelegd als stuk nr. 3, af, dat eiser die dag strafrechtelijk is heengezonden om 13:27 uur. Uit de akte van uitreiking, die als stuk nr. 2 is overgelegd, blijkt, dat de dagvaarding om voor de politierechter te verschijnen op verdenking van een op 22 september 2001 gepleegd feit op 23 september 2001 om 14:29 uur is uitgereikt. Uitreiking van die dagvaarding na de strafrechtelijke heenzending ten tijde van de vreemdelingenbewaring doet aan de (on)rechtmatigheid van die bewaring niet toe noch af.

3. Uit de omstandigheid dat de vreemdelingenbewaring na de vaststelling dat eiser de Britse nationaliteit bezit, is opgeheven omdat eiser geen actuele bedreiging vormt voor de openbare orde, leidt de rechtbank af, dat eiser volgens verweerder een gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, ten eerste, van de Vw 2000. Bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de bewaring zal de rechtbank daar van uit gaan.

4. Artikel 8.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bevat bepalingen betreffende de uitzetting van gemeenschapsonderdanen. In het eerste lid is bepaald, dat uitzetting van een gemeenschapsonderdaan achterwege blijft zolang niet is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of dat zijn verblijfsrecht is vervallen. In het tweede lid is bepaald, dat een vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij – kort gezegd – de Europese Unie en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt, dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, niet wordt uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken. Daarvan kan op grond van het vierde lid slechts in dringende gevallen worden afgeweken.

5. Aangezien een vreemdeling, gezien artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, slechts in bewaring gesteld kan worden met het oog op de uitzetting, volgt uit artikel 8:13 van het Vb 2000, dat een onderdaan van een staat die partij is bij de Europese Unie, slechts in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld, indien is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of zijn verblijfsrecht is vervallen, en tevens de termijn van ten minste vier weken om te vertrekken is verstreken, dan wel is gebleken van een dringend geval. Dat zulks is gebleken, blijkt in het onderhavige geval uit het besluit, noch uit de overgelegde stukken. De bewaring was dus van meet af aan onrechtmatig wegens strijd met voornoemde bepalingen. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard.

6. Dat de identiteit van eiser ten tijde van de inbewaringstelling nog niet was vastgesteld, doet aan voorgaand oordeel niet af. De wet voorziet immers in artikel 50 in afzonderlijke bevoegdheden met het oog op de vaststelling van identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Daarvan is geen gebruik gemaakt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiser, in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om hem met toepassing van artikel 106 van de Vw 2000 ten laste van de Staat een schadevergoeding van ƒ 200,– per dag toe te kennen voor de vier dagen die hij van 23 september tot en met 27 september 2001 in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht in een politiecel, derhalve ƒ 800,–.

8. Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb en het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht zal verweerder worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van ƒ 800,-;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van ƒ 1.420,–, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2001 in tegenwoordigheid van mr. H. Rouwenhorst als griffier.

de griffier de rechter

De voorzitter van deze rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van ƒ 800,–.

de fungerend voorzitter

Met uitzondering van het gedeelte dat betrekking heeft op het verzoek om een vergoeding toe te kennen, kunnen partijen tegen deze uitspraak binnen een week na de verzending van een afschrift daarvan hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ‘s-Gravenhage. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt onder meer dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten en dat artikel 6:6 van de Awb niet van toepassing is.

Afschrift verzonden: 16 oktober 2001