Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5463

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2001
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/5564
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf / zorgvuldigheid.

Het stond verweerder niet vrij de beoordeling inzake de aanvraag d.d. 29 januari 1998 voor een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf, arbeid in loondienst, te splitsen van de beoordeling van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning onder de beperking verblijf bij partner, nu volgens verweerders beleid neergelegd in de Vc-1994 de vreemdeling direct na de verbreking van de feitelijke relatie in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van een ander doel, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Als gevolg van deze splitsing is verweerder niet ingegaan op alle in bezwaar aangevoerde gronden en heeft verweerder derhalve de beslissing van 16 juni 2000 onvoldoende gemotiveerd. De door verweerder gevolgde procedure heeft ertoe geleid, dat zowel in het besluit in primo als in de ter toetsing voorliggende beslissing op bezwaar geen beoordeling heeft plaatsgevonden van eiseres’ aanvraag van 29 januari 1998. Dat verweerder op 16 juni 2000 - eerst na bijna twee jaar - een beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij de beoordeling van de aanvraag zelfs expliciet buiten beschouwing is gelaten, acht de rechtbank in strijd met de zorgvuldigheid die verweerder op grond van artikel 3:2 Awb bij de voorbereiding van het besluit in acht had moeten nemen.

Verweerder heeft, hangende het bezwaar tegen de beschikking van 22 juni 2000, de beschikking van 22 juni 2000 ingetrokken bij beschikking van 10 oktober 2000. Dit is in strijd met artikel 6:18, derde lid, Awb nu niet is aangegeven dat gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen. Tevens is de gevolgde procedure in strijd met artikel 7:11 Awb, aangezien verweerder bij zijn beslissing op bezwaar van 16 juni 2000 op de grondslag van het bezwaar een (volledige) heroverweging van deze beslissing had moeten doen plaatsvinden. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten, door niet in te gaan op alle door eiseres in bezwaar aangevoerde gronden. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 00/5564

Datum uitspraak: 5 juni 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1974,

mede namens haar minderjarig kind

B,

geboren op [...] 1993,

beiden van Poolse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr.P.J.T. de Kan,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerderJ.W. de Graaf,

gemachtigde mr. J.W. de Graaf,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 29 september 1995 is eiseres met haar minderjarige kind Nederland binnengereisd. Op 28 november 1995 heeft zij zich bij de Korpschef van de politieregio Limburg Noord gemeld en heeft aldaar een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend met als doel „verblijf bij partner C“. Op laatstgenoemde datum is aan eiseres en haar minderjarig kind een vergunning tot verblijf verleend met als doel verblijf bij partner C, geldig tot 28 november 1996. Deze vergunning werd laatstelijk verlengd tot 28 november 1998.

Op 3 juni 1998 heeft eiseres bij de Vreemdelingendienst Weert van de regiopolitie Limburg Noord verklaard dat zij sinds eind november 1997 geen relatie meer had met C en dat zij ook niet meer met hem samenwoonde.

Op 29 januari 1998 heeft eiseres een aanvraag tot wijziging van de beperking van de vergunning tot verblijf „verblijf bij partner, loonarbeid“ in de beperking „voortgezet verblijf, loonarbeid“ ingediend.

Bij beschikking van 19 juni 1998 is de vergunning tot verblijf ingetrokken, omdat eiseres niet meer voldeed aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf was verleend.

Tegen deze beschikking heeft eiseres bij bezwaarschrift van 16 juli 1998 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 16 juni 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 12 juli 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 januari 2001. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikking van 16 juni 2000 in rechte stand kan houden. In verband met de ex tunc beoordeling in beroep, zal getoetst worden aan het ten tijde van de beschikking geldende recht.

2. Verweerder stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat eiseres sinds eind november 1997 niet meer voldoet aan de beperking waaronder haar een vergunning tot verblijf is verleend. Zij komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfstitel, omdat de relatie is verbroken binnen drie jaar na afgifte van deze vergunning tot verblijf. Zij komt ook niet om klemmende redenen van humanitaire aard in aanmerking voor een vergunning tot verblijf, omdat het niet aannemelijk is dat eiseres en haar kind zodanig zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en de Poolse samenleving zozeer zijn ontwend, dat terugkeer naar het land van herkomst niet kan worden verlangd.

3. Van de zijde van eiseres is aangevoerd dat in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eerst na twee jaar op het bezwaar is beslist. Eiseres heeft steeds zelf voorzien in haar levensonderhoud en is daarnaast vennoot van een vennootschap onder firma te Weert. Zij stelt in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard. Zij verblijft reeds vijf jaar met haar dochtertje van zeven jaar, die hier naar school gaat, in Nederland en beiden spreken uitstekend Nederlands. Haar dochter spreekt geen Pools en weet niets van haar land van herkomst. Eiseres stelt geen familie meer in Polen te hebben, haar moeder is in oktober 1999 overleden en zij heeft geen enkel contact met haar vader, die van haar moeder is gescheiden toen eiseres 10 jaar oud was. Eiseres stelt tenslotte dat de relatie met ex-partner C eerst na drie jaar is verbroken. Nadat zij een nieuwe aanvraag heeft ingediend, heeft zij constant gewerkt en dus volledig in haar eigen onderhoud voorzien.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet kan het verlenen van een vergunning tot verblijf worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. Ingevolge artikel 12 onder d van de Vreemdelingenwet kan een vergunning tot verblijf worden ingetrokken indien betrokkene niet langer voldoet aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend.

7. Eiseres is op grond van het beleid als neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna: Vc 1994), hoofdstuk B1/3.2, toegelaten bij haar partner in Nederland, C. Ten tijde van de bestreden beschikking werd niet betwist dat de relatie sedert eind november 1997 als verbroken dient te worden beschouwd. Eiseres heeft immers in haar verklaring van 3 juni 1998 bij de Vreemdelingendienst bevestigd dat zij sedert eind november 1997 geen relatie meer had met C, dat laatstgenoemde getrouwd was in Turkije en dat zij samen met haar kind zelfstandig een woning heeft. Tevens heeft zij in haar bezwaarschrift van 16 juli 1998 erkend dat één van de beperkingen waaronder de vergunning tot verblijf is verleend, is vervallen. Ter zitting heeft eiseres niet meer betwist dat de relatie binnen drie jaar is verbroken. In het licht van bovenstaande gaat de rechtbank aan de in het beroepschrift aangevoerde stelling van eiseres dat de relatie eerst nà drie jaar is verbroken voorbij. Eiseres voldoet derhalve niet meer aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend.

8. Thans moet worden beoordeeld of de vreemdeling in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. Volgens verweerders beleid neergelegd in Vc 1994, hoofdstuk B1/4.1 kan de vreemdeling ongeacht de duur van de relatie direct na de feitelijke verbreking van de relatie in aanmerking komen voor een vergunning tot vestiging of verblijf voor een ander doel, zoals arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Indien de vreemdeling hieraan niet voldoet, kan voortgezet verblijf worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij de beoordeling of een vreemdeling, die niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op grond van een ander doel, voor voortgezet verblijf in aanmerking komt, wordt onderscheid gemaakt tussen iemand wiens relatie minder dan drie jaar en iemand wiens relatie meer dan drie jaar heeft bestaan. Ingevolge Vc 1994, hoofdstuk B1/4.2 en 4.3 kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfstitel indien de relatie langer dan drie jaar heeft geduurd, nadat op grond van die relatie een vergunning tot verblijf is verleend. Indien de relatie korter dan drie jaar heeft geduurd komt de vreemdeling, die in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij partner, in beginsel niet in aanmerking voor voortgezet verblijf, tenzij er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard of internationale verplichtingen. Het verblijf dient te worden beëindigd door intrekking of weigering van verlenging van de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende vergunning tot verblijf.

9. Vaststaat dat eiseres geen drie jaar in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij partner, zodat zij niet op die grond in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. Tevens staat echter vast dat eiseres op 29 januari 1998 een wijziging van de beperking van de vergunning tot verblijf heeft gevraagd, met als nieuw doel „voortgezet verblijf, arbeid in loondienst“. Ingevolge het bovenvermelde beleid van verweerder kan de vreemdeling direct na het feitelijk verbreken van de relatie in aanmerking komen voor verblijf voor een ander doel, zoals arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, indien aan de voorwaarden wordt voldaan.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van voormeld beleid bij de intrekking van de verblijfsvergunning onder de beperking verblijf bij partner direct had moeten beoordelen of eiseres voor voortgezet verblijf op grond van een ander doel, in dit geval voor arbeid in loondienst, in aanmerking kwam, gelet op de daartoe strekkende aanvraag van eiseres van 29 januari 1998. Ten onrechte heeft de korpschef nagelaten deze beoordeling te geven door in het besluit in primo van 19 juni 1998 niet op de aanvraag van eiseres te beslissen. Vervolgens heeft verweerder uitdrukkelijk de bedoelde beoordeling achterwege gelaten in de beslissing op bezwaar van 16 juni 2000, waar verweerder dienaangaande opmerkt: „Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat betrokkene in haar bezwaarschrift een beroep doet op het Poolse associatieverdrag met de Europese Unie. Betrokkene heeft hiertoe geen aanvraag gedaan bij de vreemdelingendienst. Wel heeft betrokkene op 29 januari 1998 een wijziging beperking aangevraagd van haar vergunning tot verblijf in een vergunning tot verblijf met als doel „voortgezet verblijf, dan wel arbeid in loondienst“. Hiertoe dient alsnog in eerste aanleg bij een beschikking van heden een beslissing te worden genomen.“ Verweerder heeft vervolgens eerst bij besluit van 22 juni 2000 afwijzend beslist op de aanvraag tot wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning, en, na het indienen van bezwaar hiertegen door eiseres, vervolgens bij nieuw besluit van 10 oktober 2000 het besluit van 22 juni 2000 ingetrokken, en de aanvraag van 29 januari 1998 opnieuw afgewezen, waartegen wederom de mogelijkheid van het instellen van bezwaar werd geopend.

11. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gevolgde procedure in meerdere opzichten niet juist is. In de eerste plaats had verweerder in de beslissing op bezwaar van 16 juni 2000 tevens moeten ingaan op alle aangevoerde gronden van het bezwaar, dus ook op die welke gerelateerd zijn aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf, dan wel arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige. Verweerder had moeten beoordelen of eiseres in aanmerking kwam voor voortgezet verblijf op basis van haar aanvraag van 29 januari 1998. Verweerder heeft er in de bestreden beslissing geen blijk van gegeven de bovenvermelde uitgangspunten van het in de Vc 1994 neergelegde beleid voldoende in acht te hebben genomen. Het stond verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet vrij de beoordeling inzake de aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf, arbeid in loondienst, te splitsen van de beoordeling van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning onder de beperking verblijf bij partner, nu volgens verweerders beleid neergelegd in de Vc 1994 de vreemdeling direct na de verbreking van de feitelijke relatie in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van een ander doel, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Als gevolg van deze splitsing is verweerder niet ingegaan op alle in bezwaar aangevoerde gronden en heeft verweerder derhalve de beslissing van 16 juni 2000 onvoldoende gemotiveerd.

12. De door verweerder gevolgde procedure heeft ertoe geleid, dat zowel in het besluit in primo als in de ter toetsing voorliggende beslissing op bezwaar geen beoordeling heeft plaatsgevonden van eiseres’ aanvraag van 29 januari 1998. Dat verweerder op 16 juni 2000 –eerst na bijna twee jaar- een beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij de beoordeling van de aanvraag zelfs expliciet buiten beschouwing is gelaten, acht de rechtbank in strijd met de zorgvuldigheid die verweerder op grond van artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van het besluit in acht had moeten nemen. Dat verweerder zes dagen later, op 22 juni 2000, bij een afzonderlijke beschikking in primo, die verweerder overigens op 10 oktober 2000 weer introk en verving door een nieuw besluit in primo, (eindelijk) op de aanvraag besliste, doet aan het voorgaande niet af. Door de gevolgde procedure lijdt eiseres immers het nadeel, dat de rechtbank thans niet over de gehele besluitvorming over de aanvraag kan oordelen. Op het bezwaar tegen de beschikking van 10 oktober 2000 is immers nog niet beslist. Hierdoor kan over de aanvraag van eiseres eerst later, zeker in onherroepelijke zin, worden beslist en zal eiseres ook pas later over een eventuele vergunning tot verblijf kunnen gaan beschikken dan bij een zorgvuldige voorbereiding van de beslissing op bezwaar het geval geweest zou zijn.

13. Ten slotte mag op grond van artikel 6:18 lid 3 van de Awb verweerder niet, hangende het bezwaar van eiseres, na bij besluit van 10 oktober 2000 het besluit van 22 juni 2000 ingetrokken te hebben, een besluit nemen waarbij de aanvraag van 29 januari 1998 wederom wordt afgewezen, nu niet is aangegeven dat gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen. Tevens is de gevolgde procedure in strijd met artikel 7:11 van de Awb, aangezien verweerder bij zijn beslissing op bezwaar van 16 juni 2000 op de grondslag van het bezwaar een (volledige) heroverweging van deze beslissing had moeten doen plaatsvinden. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten, door niet in te gaan op alle door eiseres in bezwaar aangevoerde gronden.

14. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat verweerder in het besluit van 22 juni 2000 en van 10 oktober 2000 ten onrechte ambtshalve onderzoekt of betrokkene op grond van het Pools Associatieverdrag met de Europese Unie een vergunning tot verblijf met als doel „arbeid als zelfstandige“ dient te verkrijgen, hoewel betrokkene nimmer een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend bij de vreemdelingendienst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zonder een daartoe strekkende aanvraag van eiseres niet tot een dergelijke beoordeling bevoegd is en dus ook niet tot een ambtshalve beoordeling mag overgaan.

15. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal derhalve worden vernietigd. De overige gronden behoeven geen bespreking.

16. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verweerder in het besluit van 10 oktober 2000 op inhoudelijk goede gronden de aanvraag van eiseres voor de verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf, arbeid in loondienst, heeft afgewezen, bestaat echter thans voor het instandhouden van de rechtsgevolgen geen aanleiding. De rechtbank hecht hierbij betekenis aan het feit dat inmiddels drie jaren verstreken zijn sedert de aanvraag van eiseres van 29 januari 1998 van een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf, arbeid in loondienst, zodat eiseres inmiddels op grond van het driejarenbeleid in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

17. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten wordt vastgesteld op f 1.420,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de behandeling ter zitting, waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als rechtspersoon die aan eiseres het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beschikking van 16 juni 2000;

draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad f 50,- aan eiseres te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad f 1.420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. A.W.M. van Hoof, C. Lely-van Goch en J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2001 door mr. C. Lely-van Goch in tegenwoordigheid van M. le Fèbre als griffier.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 8 juni 2001