Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5462

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
AWB 99/11046
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Albanezen Kosovo / vvtv-beleid / beslistermijn.

Verweerder heeft bij besluit van 17 mei 1999 aan eiser, een etnische Albanees uit Kosovo, een vvtv verleend. Daarbij is meegedeeld dat, onder toepassing van artikel 15e, tweede lid, Vw, de beslissing op de aanvraag om toelating als vluchteling zal worden opgeschort met één jaar. Eisers bezwaar richt zich uitsluitend tegen de opschorting van de beslistermijn.

De rechtbank oordeelt dat de opschortingsbeslissing is aan te merken als een procedurebeslissing, genomen in het kader van de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Derhalve is de opschortingsbeslissing ingevolge artikel 6:3 Awb in beginsel niet vatbaar voor bezwaar. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat haar niet is gebleken dat eiser, los van de voor te bereiden beslissing op zijn aanvraag om toelating, door de opschortingsbeslissing rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

Het beroep is gegrond omdat verweerder eiser ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen. Onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb verklaart de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Meervoudige kamer

regnr.: Awb 99/11046 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1981,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9710.23.8071,

eiser,

gemachtigde: mr. J.H. Brouwer, advocaat te Apeldoorn;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 24 oktober 1997 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf (vtv) gedaan. Bij beschikking van 7 april 1998 heeft verweerder op de aanvragen afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is ingevolge artikel 15c, eerste lid en onder a, Vreemdelingenwet (Vw) niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid. Aan eiser is een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 24 oktober 1997.

1.2 Eiser heeft bij brief van 5 mei 1998 bezwaar gemaakt tegen de niet inwilliging van zijn aanvragen. Op 23 september 1998 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Bij beschikking van 29 oktober 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 26 november 1999 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, tegen deze beschikking. De nevenzittingsplaats Zwolle heeft het beroep doorgezonden naar de nevenzittingsplaats Assen.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 november 2000. Eiser is aldaar niet verschenen, doch heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. A.C.M. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage.

1.4 De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar een meervoudige kamer van de nevenzittingsplaats Groningen.

1.5 De verdere behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 februari 2001. Eiser is aldaar niet verschenen. De gemachtigde van eiser heeft bij monde van zijn kantoorgenote, mr. H.T. Masmeijer, advocaat te Apeldoorn, ter zitting medegedeeld zich aan de zaak te onttrekken wegens het ontbreken van iedere vorm van contact met eiser.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met het beroep, geregistreerd onder nummer 00/4674 VRWET Z VR.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking van 29 oktober 1999 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag) kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvragen, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser behoort tot de Pashtun-bevolkingsgroep. Eiser heeft Afghanistan verlaten vanwege de functie van zijn vader, die lid was van de Democratische Volkspartij Afghanistan (DVPA) en secretaris was in Seyyed Kram. Later kreeg eisers vader een functie in het partij-orgaan dat controle uitoefende over drie noordelijke provincies. Eiser zelf is lid geweest van de jongerenorganisatie van de DVPA en heeft in Tashkent gestudeerd. In 1995 is de vader van eiser gearresteerd door vijf gewapende mannen, vermoedelijk leden van de Mujaheddin. Eisers familie heeft in juni 1997 van de Taliban een dreigbrief gekregen waarin stond dat zijn vader moest worden uitgeleverd. Indien hieraan geen gevolg zou worden geven, zou eisers familie worden vermoord. Eiser heeft bovendien Afghanistan verlaten omdat er sprake is van oorlog en het onmogelijk is er vrij te leven of te studeren. Eiser heeft persoonlijk geen problemen ondervonden, maar is uit voorzorg gevlucht.

Bij brief van 18 september 1998 heeft eiser een kopie van zijn geboorteboekje overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser is geboren op 21 februari 1998. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij moet worden beschouwd als een alleenstaande minderjarige asielzoeker (AMA).

2.4 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat eiser ook in bezwaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader een prominente rol binnen de DVPA heeft vervuld. Immers, de verklaringen die eiser terzake van de hoorzitting over de functie en werkzaamheden van zijn vader heeft afgelegd, zijn summier. De omstandigheid dat eiser nog jong was op het moment dat hij zijn vader voor het laatst zag, vormt geen afdoende verklaring voor de gebrekkige kennis van eiser over de positie van zijn vader binnen de DVPA. Evenmin is aannemelijk dat eiser wegens de persoon van zijn vader in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Ook in bezwaar heeft eiser de verklaringen omtrent de ontvangst van een dreigbrief niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft eerst in het bezwaarschrift naar voren gebracht dat de ontvangst van de dreigbrief is voorafgegaan door een bezoek van Taliban-leden. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de eerder door eiser afgelegde verklaringen. Eiser heeft in een eerder stadium voldoende gelegenheid gehad omtrent genoemd bezoek te verklaren. De verklaringen van eiser over de ontvangst van de dreigbrief zijn vaag. Eiser heeft niet nader kunnen concretiseren op welke wijze zijn oom op de hoogte is geraakt van het feit dat de Taliban informeerden naar eisers vader. Eerst in bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij na ontvangst van de dreigbrief is ondergedoken in de woning van zijn oom. Dit roept twijfels op omtrent de geloofwaardigheid van deze verklaring. Eiser heeft tot op heden de bewuste dreigbrief niet overgelegd. Dit klemt te meer nu eiser wel een kopie van zijn geboorteboekje in de procedure heeft ingebracht. Het beroep op artikel 3 EVRM faalt.

Eiser komt niet in aanmerking voor een vtv op grond van het AMA-beleid. Gebleken is dat de moeder, de broers, een oom en enkele tantes van eiser in het land van herkomst woonachtig zijn onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven als normaal zijn aan te merken. Adequate opvang is derhalve voor eiser aanwezig. Eisers verklaring dat zijn moeder mogelijk niet meer op haar adres verblijf, leidt niet tot een ander oordeel nu dit enkel een vermoeden is en er terzake geen begin van bewijs is geleverd.

Ter zitting van 26 februari 2001 heeft verweerder benadrukt dat de vraag of adequate opvang aanwezig is in het land van herkomst zonder meer los moet worden gezien van de omstandigheid dat voor asielzoekers afkomstig uit dat land in beginsel een vvtv-beleid wordt gevoerd.

2.5 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als zoon van een vooraanstaand DVPA-politicus heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. Eiser heeft weinig informatie omtrent zijn vader en diens positie binnen de DVPA kunnen geven in verband met zijn (jonge) leeftijd op het moment van arrestatie van zijn vader. Eisers moeder heeft eiser ook weinig informatie over zijn vaders functie gegeven. Niet ondenkbaar is dat, al dan niet om redenen van veiligheid, een taboe rustte op het onderwerp. Eiser heeft leeftijdsadequate informatie verstrekt. Het bezoek van Taliban-leden ging vooraf aan de ontvangst van de brief. Zij kwamen eiser de brief bezorgen. Eiser loopt bij gedwongen terugkeer een reëel risico te worden onderworpen aan een behandeling als verboden in artikel 3 EVRM. Eiser moet worden beschouwd als een AMA. Gelet op de huidige situatie in het land van herkomst moet terugzending en adequate opvang uitgesloten worden geacht. Eiser heeft ter zitting van 9 november 2000 verklaard dat het hem bevreemdt dat verweerder hem enerzijds tegenwerpt dat er adequate opvang in het land van herkomst is, maar hem anderzijds een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend omdat uitzetting naar Afghanistan niet verantwoord is.

2.6 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd dergelijke feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende. Het enkele behoren tot de in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 maart 1998 (kenmerk DPC/AM-67526) genoemde risicogroepen, waaronder voormalig DVPA-leden en personen die in de voormalige Sowjet-Unie hebben gestudeerd, is op zichzelf niet voldoende voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 november 1998 (kenmerk DPC/AM-602771) hebben de hiervoor genoemde (groepen van) personen voorzover zij thans geen anti-islamitisch gedrag tentoonspreiden, in beginsel niets te vrezen van de zijde van de Taliban. Nu eiser slechts lid is geweest van de jongeren-organisatie van de DVPA en verklaard heeft voor deze organisatie noch voor een andere organisatie activiteiten te hebben verricht, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin eiser het risico loopt om deze reden te zullen worden vervolgd door de Taliban.

Ten aanzien van eisers stelling dat hij vanwege de functie van zijn vader in de negatieve belangstelling van de Taliban staat, overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn vader een prominent lid was van de DVPA. Allereerst neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat eiser tijdens het nader gehoor noch tijdens het gehoor bij de ambtelijke commissie heeft kunnen aangeven welke activiteiten zijn vader voor de DVPA verrichtte. Eiser heeft over de functie van zijn vader slechts vage en summiere verklaringen afgelegd die naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk tot het oordeel kunnen leiden dat de rol van eisers vader binnen de DVPA een prominente was. Eiser heeft geen afdoende verklaring gegeven met betrekking tot zijn gebrekkige kennis over zijn vaders functie. Naar het oordeel van de rechtbank mag worden verwacht dat eiser op latere leeftijd op de hoogte zou kunnen zijn van de positie van zijn vader.

Eiser heeft inconsistente verklaringen afgelegd over de dreigbrief die eiser stelt te hebben ontvangen van de zijde van de Taliban. Eiser verklaart in het nader gehoor dat de brief naar zijn familie was gestuurd. In het bezwaarschrift geeft hij aan dat Taliban-leden voorafgaand aan de ontvangst van de brief een bezoek hebben afgelegd. Daarentegen verklaart eiser bij de ambtelijke commissie dat de Taliban-leden slechts langskwamen om de brief te bezorgen. Eiser heeft onvoldoende verklaring kunnen geven voor deze tegenstrijdigheden. De verklaringen van eiser doen ernstig afbreuk aan zijn stelling dat hij wegens de functie van zijn vader voor vervolging heeft te vrezen.

Ook indien van de juistheid van eisers relaas zou moeten worden uitgegaan, is niet aannemelijk dat hij wegens de rol van zijn vader binnen de DVPA voor vervolging heeft te vrezen. In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 1999 (kenmerk DPC/AM-633314) is te lezen dat familieleden van een persoon die in verband met zijn politieke overtuiging door de Taliban wordt gezocht, door de Taliban ongemoeid worden gelaten indien de gezochte persoon niet langer in Afghanistan verblijft. De dreiging jegens de Taliban is dan immers verdwenen. Eisers vader is in 1995 door de Mujaheddin opgepakt. Eiser heeft sindsdien niets meer van zijn vader vernomen. Niet aannemelijk is derhalve dat de vader van eiser nog steeds een bedreiging vormt voor de Taliban en in verband daarmee nog steeds door hen wordt gezocht. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet aannemelijk dat eiser deswege heeft te vrezen voor vervolging. Het wekt overigens bevreemding dat eiser nimmer aan de Taliban kenbaar heeft gemaakt dat zijn vader al ruim drie jaar spoorloos was. In de periode tussen de verdwijning van zijn vader en de ontvangst door eiser van de dreigbrief zijn meer dan drie jaren verstreken. Eiser heeft in de tussenliggende periode nimmer problemen ondervonden. Dit duidt er niet op dat eiser heeft te vrezen voor vervolging. Bovendien heeft eiser na ontvangst van de dreigbrief nog drie maanden gewacht, alvorens uit Afghanistan te vertrekken. De rechtbank leidt ook hieruit af dat eiser zich niet in een acute vluchtsituatie bevond.

Gelet hierop heeft verweerder eiser terecht de toelating als vluchteling geweigerd.

2.8 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.9 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.7 is overwogen, is niet aannemelijk dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Afghanistan een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

2.10 Met betrekking tot eisers beroep op het zogenaamde AMA-beleid overweegt de rechtbank als volgt.

Het door verweerder gevoerde AMA-beleid is neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1996/1 van 12 maart 1996, geldig van 15 maart 1996 tot en met 15 maart 1998. Van dit TBV is de geldigheidsduur bij brief van 12 februari 1998 (Stcrt 1998, 42) verlengd tot 1 maart 2000. Bij TBV 2000/07 van 4 april 2000 is TBV 1996/1 verlengd tot 1 januari 2001. Dit beleid komt er - kort samengevat - op neer dat een bij binnenkomst in Nederland niet door een ouder en/of meerderjarige bloed- of aanverwant begeleide of verzorgde minderjarige asielzoeker (AMA), die niet op andere gronden voor toelating in aanmerking komt, in het bezit wordt gesteld van een vergunning tot verblijf indien de minderjarige niet met zijn/haar ouders in het buitenland kan worden herenigd dan wel er voor hem/haar geen andere adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is.

De vraag of het AMA-beleid van toepassing is, dient te worden beantwoord in het kader van de individuele toetsing van de aanvraag om toelating. Voor de verlening van een AMA-vtv is in dat verband van belang of er in het land van herkomst adequate opvang aanwezig is. Indien deze adequate opvang voorhanden is, is het AMA-beleid niet van toepassing. De vraag naar de aanwezigheid van adequate opvang dient te worden onderscheiden van de omstandigheid dat verweerder voor sommige (delen van) landen in verband met de algehele slechte situatie aldaar een vvtv-beleid voert, als gevolg waarvan verweerder afgewezen asielzoekers niet naar zo'n land verwijdert. Eerst wanneer is vastgesteld dat een minderjarige niet in aanmerking komt voor een AMA-vtv, moet worden beoordeeld of hij/zij behoort tot een categorie vreemdelingen ten aanzien van wie een vvtv-beleid wordt gevoerd.

In casu staat niet ter discussie dat eiser bij binnenkomst in Nederland minderjarig was. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder, broers, oom en enkele tantes nog in het land van herkomst wonen. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat opvang in het land van herkomst bij een van bovengenoemde personen niet (meer) mogelijk zou zijn. Het enkele feit dat eiser afkomstig is uit een land waarvoor in verband met de algehele situatie aldaar een vvtv-beleid geldt, kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat er in dat land geen adequate opvang aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden besloten dat er voor eiser adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is en er derhalve geen aanleiding bestond eiser in aanmerking te brengen voor een vergunning tot verblijf op grond van het AMA-beleid.

2.11 Evenmin is aannemelijk dat overigens sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.12 Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

2.13 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.14 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzitter, en mrs. B.I. Klaassens en R. Depping, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. F. Sijens in tegenwoordigheid van mr. T.H.G. Schuringa als griffier op 21 mei 2001.

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: 6 juni 2001