Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5460

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
RK01/1345
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het klaagschrift richt zich tegen het schrijven van de officier van justitie van 2 maart 2001 waarbij deze de raadsman van klager heeft bericht dat hij voornemens is te voldoen aan een door de Britse autoriteiten met betrekking tot klager ingediend rechtshulpverzoek d.d. 10 juli 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

registratienummer : CU 999.127.549

kenmerk : RK01/1345

Beschikking van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift van:

Klager,

geboren op 9 juni 1937,

wonende te Groot Brittanië,

te dezer zake domicilie kiezende te ’s-Gravenhage,

Nassaustraat 113, ten kantore van jhr. mr. M. Wladimiroff,

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 14 maart 2001 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot -onder andere- de officier van justitie te bevelen aan het door de Britse autoriteiten gedane rechtshulpverzoek geen uitvoering te geven totdat op dit klaagschrift onherroepelijk is beslist.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd registratienummer

De rechtbank heeft op 29 oktober 2001 dit klaagschrift in raadkamer behandeld.

Namens klager is mw. mr. T.B. Trotman, advocaat te ‘s-Gravenhage, in raadkamer verschenen.

In raadkamer is door de raadsvrouw van klager in de eerste plaats om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift verzocht omdat de oorspronkelijke raadsman op 29 oktober 2001 verhinderd is in raadkamer aanwezig te zijn. Daarnaast is onder meer gesteld dat het de officier van justitie gelet op artikel 552oa van het Wetboek van Strafvordering niet vrij staat gevolg te geven aan het rechtshulpverzoek zonder daartoe verlof te vragen aan de rechtbank.

De officier van justitie heeft in raadkamer primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van klager in het beklag. Subsidiair heeft de officier van justitie zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat verlof van de rechtbank in dit geval niet is vereist. Zijns inziens is artikel 552oa, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing, nu daarin uitsluitend wordt gesproken over processen-verbaal en andere voorwerpen die door toepassing van, onder andere, artikel 126m zijn verkregen. In het onderhavige geval gaat het echter om telefoontaps die door toepassing van artikel 125g (oud) van het Wetboek van Strafvordering zijn verkregen, zodat artikel 552oa, vierde lid, voornoemd toepassing mist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager.

De rechtbank acht zich op grond van artikel 21, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bevoegd op het onderhavige klaagschrift te beslissen.

Het klaagschrift richt zich tegen het schrijven van de officier van justitie van 2 maart 2001 waarbij deze de raadsman van klager heeft bericht dat hij voornemens is te voldoen aan een door de Britse autoriteiten met betrekking tot klager ingediend rechtshulpverzoek d.d. 10 juli 2000.

Bij schrijven van 18 mei 2001 heeft de officier van justitie aan de raadsman een afschrift toegezonden van de stukken welke hij voornemens is te zenden aan de Britse autoriteiten. Tevens heeft hij de raadsman bericht dat hij voornemens is een aantal cd-roms te zenden met daarop vele uren tapgesprekken van het zogenoemde Mix-onderzoek. Uit een rapport van verbalisant R. van Heijningen blijkt dat het betreft met toestemming van de rechter-commissaris (artikel 125g oud van het Wetboek van Strafvordering) afgetapte telefoongesprekken in de periode van 4 juni 1996 tot en met 24 oktober 1996 alsmede de transcripties van de afgeluisterde en opgenomen gesprekken.

Vast staat dat de cd-roms en de transcripties onder de officier van justitie berusten.

De rechtbank overweegt dat artikel 552p, tweede lid juncto vierde lid van het Wetboek van Strafvordering in deze situatie niet van toepassing is. Voorts valt geen andere bepaling in het Wetboek van Strafvordering aan te wijzen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat klager tegen het door de officier van justitie bekend gemaakte voornemen beklag bij de rechtbank kan doen. In artikel 552oa van het Wetboek van Strafvordering is ter zake niets geregeld.

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een wettelijke beklagmogelijkheid voor degene ten aanzien van wie een rechtshulpverzoek is gedaan, in een situatie als de onderhavige een lacune in de wetgeving oplevert, die vanuit het oogpunt van rechtsbescherming als onaanvaardbaar moet worden beschouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dezen aansluiting moet worden gezocht bij het wel in de wet geregelde beklagrecht zoals dat in artikel 552p, vierde lid, juncto artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering is neergelegd. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift.

Ten aanzien van het klaagschrift.

De rechtbank heeft een oproeping van klager zoals vermeld in artikel 23, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering achterwege gelaten nu de Britse autoriteiten de officier van justitie uitdrukkelijk hebben verzocht het rechtshulpverzoek vertrouwelijk te behandelen en voldoende aannemelijk is geworden dat naleving van de verplichting om klager in raadkamer te horen, althans hem daartoe op te roepen, ernstige schade kan toebrengen aan de belangen van het onderzoek in het Verenigd Koninkrijk.

Ten aanzien van het door de raadsvrouw in raadkamer gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift overweegt de rechtbank dat dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de raadsman van klager c.q. zijn vervangster voldoende tijd heeft gehad zich op de behandeling van het klaagschrift voor te bereiden. Ook uit hetgeen blijkens de pleitnota door de raadsvrouw in raadkamer naar voren is gebracht blijkt zulks. De omstandigheid dat de raadsman die het klaagschrift namens klager heeft ingediend bij uitstek op de hoogte is van de problematiek rond het onderhavige rechtshulpverzoek, levert onvoldoende reden op om tot aanhouding zoals gevraagd over te gaan.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

In artikel 552oa, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Wet van 27 mei 1999 inzake de bijzondere opsporingsbevoegdheden, Stb. 245; in werking getreden op 1 februari 2000) is bepaald dat processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen door toepassing van een in de artikelen 126l, 126m, 126s en 126t omschreven bevoegdheid, door de officier van justitie kunnen worden afgegeven aan de buitenlandse autoriteiten voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.

Vast staat dat de in geding zijnde, op cd-roms geplaatste telefoontaps destijds door toepassing van artikel 125g (oud) van het Wetboek van Strafvordering zijn verkregen. De bevoegdheid om telefoonverkeer af te luisteren en op te nemen is sinds 1 februari 2000 geregeld in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering.

Hoewel artikel 125g (oud) voornoemd niet wordt genoemd in artikel 552oa, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, is de rechtbank van oordeel - gelet op de ratio van het door de wetgever wenselijk geachte verlofstelsel - dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat onder het genoemde artikel 126m mede wordt begrepen artikel 125g (oud) van het Wetboek van Strafvordering, zodat ook voor het afgeven aan buitenlandse autoriteiten van processen-verbaal en andere voorwerpen welke vóór 1 februari 2000 zijn verkregen door toepassing van voornoemd artikel 125g (oud) en waarop een ná 1 februari 2000 ingediend rechtshulpverzoek betrekking heeft, verlof van de rechtbank nodig is.

Uit het vorenstaande volgt dat het klaagschrift, voor zover daaraan ten grondslag ligt de stelling dat aan het rechtshulpverzoek geen uitvoering mag worden gegeven dan nadat daarvoor verlof van de rechtbank is verkregen, gegrond is.

Vast staat dat geen vordering tot verlof door de officier van justitie is ingediend, zodat de rechtbank daarover in deze procedure geen beslissing kan nemen.

Het verzoek van klager de officier van justitie te bevelen klager inzage te verlenen in het rechtshulpverzoek wijst de rechtbank - voor zover zij daartoe al bevoegd zou zijn - af, nu vast staat dat de Britse autoriteiten de officier hebben verzocht het rechtshulpverzoek vertrouwelijk te behandelen en voldoende aannemelijk is geworden dat het belang van het Britse strafrechtelijk onderzoek inzageverlening niet toelaat.

Ook de overige in het klaagschrift gedane verzoeken wijst de rechtbank af.

Beslissing.

De rechtbank:

-verklaart het klaagschrift voor zover daarin gesteld is dat aan het rechtshulpverzoek geen uitvoering mag worden gegeven dan nadat daarvoor verlof van de rechtbank is verkregen, gegrond.

-wijst de overige verzoeken van klager af.

Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. Roché, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 november 2001.