Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5423

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/7971
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Procesbelang / statusdeterminatie.

De aan Sudanese eiser verleende vtv zonder beperkingen is op 1 april 2001 van rechtswege aangemerkt als verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Indien hij was toegelaten als vluchteling, had hij onder de Vw 2000 geen sterkere titel kunnen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser persoonlijk geen belang bij een rechterlijke uitspraak op zijn beroep.

Hoewel niet ontkend kan worden dat gezinshereniging in de belangensfeer van eiser is gelegen, oordeelt de rechtbank dat dit geen rechtens te honoreren belang is in de onderhavige procedure. Het ligt veeleer in de rede de vraag naar de van toepassing zijnde criteria voor gezinshereniging te beantwoorden in de toelatingsprocedure van de gezinsleden van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder zich er in die procedure rekenschap van te geven dat het beroep van eiser tegen de weigering van de toelating als vluchteling niet-ontvankelijk is verklaard zonder een inhoudelijke beoordeling van eisers grieven terzake als gevolg van de inwerkingtreding van de Vw 2000. Verweerder dient derhalve in de toelatingsprocedure van eisers gezinsleden te bezien of, bij een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eiser, geconcludeerd zou moeten worden dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging, nu volgens het beleid het middelenvereiste niet wordt tegengeworpen aan gezinsleden van toegelaten vluchtelingen bij nareis binnen een redelijke termijn. In dit kader wordt gewezen op de REK-uitspraak AWB 98/2337 d.d. 9 juli 1998.

Beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 115
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 00/7971 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1956,

verblijvende te B,

van Soedanese nationaliteit,

IND dossiernummer 9809.07.8142,

eiser,

gemachtigde: mr. G.E. Jans, advocaat te Amsterdam;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.J. van Buren-Buijs, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 9 september 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 16 juli 1999, uitgereikt op 2 september 1999 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 29 september 1999 bezwaar gemaakt. Hij werd naar aanleiding hiervan gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken op 10 mei 2000. Bij beschikking van 14 juli 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, voorzover dit betreft het beroep op vluchtelingschap. Wel werd aan eiser een vergunning tot verblijf zonder beperking verleend.

1.3 Bij beroepschrift van 28 juli 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 april 2001. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden. Ingevolge artikel 122 van deze wet is de Vreemdelingenwet (Stb.1965, 40, verder Vw) ingetrokken.

2.3 Alvorens de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit dient de vraag te worden beantwoord of eiser na de inwerkingtreding van de Vw 2000 nog belang heeft bij een rechterlijke uitspraak.

2.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser in deze procedure geen rechtens te honoreren belang meer heeft bij een rechterlijke uitspraak. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat aan eiser met ingang van 9 september 1998 op grond van artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een vergunning tot verblijf zonder beperking is verleend. Op de datum van inwerkingtreding van de Vw 2000 wordt deze vergunning ingevolge artikel 115, vierde lid, Vw 2000 van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser procedeert in de onderhavige procedure voor een vluchtelingenstatus. Indien eiser voor 1 april 2001 zou zijn toegelaten als vluchteling dan zou deze toelating op de voet van artikel 115, zevende lid, Vw 2000 eveneens zijn omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De materiële uitkomst van de procedure heeft derhalve geen effect op de aan eiser vanaf 1 april 2001 toekomende verblijfstitel.

2.5 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij belang heeft bij statusdeterminatie. Verweerder heeft een onjuiste interpretatie gegeven van het begrip 'refugié sur place'. Eiser heeft voorts een procesbelang in verband met de toelating van zijn echtgenote en kinderen die in januari 2001 Nederland zijn binnengereisd. Indien eiser zou zijn toegelaten als vluchteling zouden andere, soepeler, criteria van toepassing zijn ten aanzien van de gezinshereniging.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 115, eerste en vierde lid, Vw 2000 wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een vergunning tot verblijf zonder beperkingen aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Een toelating als vluchteling wordt, op grond van artikel 115, zevende lid, Vw 2000 eveneens aangemerkt als verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

De aan eiser verleende vergunning tot verblijf zonder beperkingen is op 1 april 2001 van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser had, indien hij was toegelaten als vluchteling, geen sterkere titel kunnen verkrijgen onder vigeur van de Vw 2000. Nu eiser door een eventueel positieve uitkomst in onderhavige procedure geen andere verblijfstitel kan verwerven dan hij thans bezit, heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank persoonlijk geen belang bij een rechterlijke uitspraak op zijn beroep.

2.7 Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat het procesbelang van eiser niet kan zijn gelegen in het op enkel principiële gronden verkrijgen van een uitspraak over de vraag of verweerder hem ten onrechte niet als vluchteling heeft aangemerkt. De rechtbank acht zich niet geroepen tot het beantwoorden van rechtsvragen indien geen concreet geschil voorligt. Van een dergelijk geschil is geen sprake indien geen ander dan een principieel belang aan de orde is.

2.8 Met betrekking tot de vraag of eisers procesbelang kan zijn gelegen in de (versoepelde) criteria die gelden voor de toelating van gezinsleden van vóór 1 april 2001 toegelaten vluchtelingen in Nederland, oordeelt de rechtbank als volgt.

Hoewel niet ontkend kan worden dat gezinshereniging in de belangensfeer van eiser is gelegen, is de rechtbank van oordeel dat dit geen rechtens te honoreren belang is in de onderhavige procedure. Het ligt veeleer in de rede de vraag naar de van toepassing zijnde criteria voor gezinshereniging te beantwoorden in de toelatingsprocedure van de gezinsleden van eiser.

In dat verband merkt de rechtbank op dat verweerder zich er, naar haar oordeel, in die procedure rekenschap van dient te geven dat het beroep van eiser tegen de weigering van de toelating als vluchteling niet-ontvankelijk is verklaard zonder een inhoudelijke beoordeling van eisers grieven terzake als gevolg van de inwerkingtreding van de Vw 2000. Verweerder dient derhalve in de toelatingsprocedure van eisers gezinsleden te bezien of, bij een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eiser, geconcludeerd zou moeten worden dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging, nu volgens het beleid het middelenvereiste niet wordt tegengeworpen aan gezinsleden van toegelaten vluchtelingen bij nareis binnen een redelijke termijn.

Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank er op dat zij uit de uitspraak van de Rechtseenheidskamer (REK) van 9 juli 1998, JV 1998,132, met name r.o. II.13.2, afleidt dat ook verweerder zich op het standpunt stelt dat het feit dat het beroep van eiser tegen de weigering van de toelating als vluchteling, niet inhoudelijk is getoetst bij de door verweerder te maken afweging van belangen van eiser en zijn gezinsleden, dient te worden meegewogen.

2.9 Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van enig belang dat eiser thans zou hebben bij statusdeterminatie.

2.10 Op grond van het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

2.11 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. M.M. Beije en in tegenwoordigheid van mr. T.H.G. Schuringa als griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001.

---------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 13 juni 2001