Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5419

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2001
Datum publicatie
12-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/20077
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / beroepschrift.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting aangevoerd dat de brief van een advocaat, gericht aan het CIV, ten onrechte is aangemerkt als een beroepschrift gericht tegen de inbewaringstelling van de vreemdeling. In de betreffende brief staat slechts vermeld dat de vreemdeling op 14 mei 2001 in bewaring is gesteld en dat de betreffende advocaat als advocaat van de vreemdeling aan de beroepsprocedure wil worden toegevoegd. Naar de mening van de gemachtigde heeft verweerder ten onrechte geen kennisgeving ex artikel 94 Vw 2000 naar de rechtbank doen uitgaan. De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat het CIV terecht heeft verondersteld dat de betreffende advocaat met de betreffende brief beoogde beroep in te stellen tegen de inbewaringstelling van de vreemdeling. Zij neemt hierbij in overweging de omstandigheid dat de brief binnen de wettelijke termijn van drie dagen is ingezonden aan de juiste instantie, te weten het CIV. De brief bevatte bovendien als bijlage een afschrift van het in geding zijnde besluit tot inbewaringstelling. Het verzoek in genoemde brief om te worden toegevoegd in de bewaringszaak veronderstelt op zich bovendien dat sprake is van een tegen de bewaring aan te spannen procedure. De summiere inhoud van de brief ten spijt heeft verweerder deze derhalve redelijkerwijs kunnen begrijpen als een beroepschrift strekkend tot opheffing van de bewaring. In het onderhavige geval behoefde verweerder de rechtbank dan ook niet meer in kennis te stellen van de inbewaringstelling van de vreemdeling. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/20077 VRWET

Inzake : A, crv nummer 2215044608, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zwolle, hierna te noemen de vreemdelinge, gemachtigde mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. D. Grip, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdelinge heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1960 en de Ghanese nationaliteit te hebben.

2. Op 15 mei 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdelinge ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 14 mei 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd .

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 22 mei 2001. De vreemdelinge is aldaar verschenen, bijgestaan door

mr. R. Veerkamp, kantoorgenoot van mr. Jap-A-Joe. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig

J. van der Noordt, tolk in de Engelse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting aangevoerd dat de brief van mr. Jap-A-Joe, van 15 mei 2001 gericht aan het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken (CIV), ten onrechte is aangemerkt als zijnde een beroepschrift gericht tegen de inbewaringstelling van de vreemdelinge op 14 mei 2001. In de betreffende brief staat slechts vermeld dat de vreemdelinge op 14 mei 2001 in bewaring is gesteld en dat mr. Jap-A-Joe als advocaat van de vreemdelinge aan de beroepsprocedure wil worden toegevoegd. Naar de mening van de gemachtigde heeft verweerder ten onrechte geen kennisgeving ex artikel 94 Vw2000 naar de rechtbank doen uitgaan.

4. De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat het CIV terecht heeft verondersteld dat mr. Jap-A-Joe met de betreffende brief beoogde beroep in te stellen tegen de inbewaringstelling van de vreemdeling op 14 mei 2001. Zij neemt hierbij in overweging de omstandigheid dat de brief binnen de wettelijk termijn van drie dagen is ingezonden aan de juiste instantie, te weten het CIV. De brief bevatte bovendien als bijlage een afschrift van het in geding zijnde besluit tot inbewaringstelling. Het verzoek in genoemde brief om te worden toegevoegd in de "bewaringszaak" veronderstelt op zich bovendien dat sprake is van een tegen de bewaring aan te spannen procedure. De summiere inhoud van de brief ten spijt heeft verweerder deze derhalve redelijkerwijs kunnen begrijpen als een beroepschrift strekkend tot opheffing van de bewaring.

In het onderhavige geval behoefde verweerder de rechtbank dan ook niet meer in kennis te stellen van de inbewaringstelling van de vreemdelinge.

5. Voorts heeft de gemachtigde van de vreemdelinge aangevoerd dat de strafrechtelijke staandehouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden. De vreemdelinge heeft op 14 mei 2001 slechts bij een aantal deuren aangebeld omdat zij haar vriend zocht. Naar de mening van de gemachtigde was van een redelijk vermoeden van schuld van het plegen van een strafbaar feit geen sprake.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 2.4.9 van de Algemene Plaatselijk Verordening van Eindhoven (APV) verbiedt hinderlijk gedrag bij of in gebouwen. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat het verboden is zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden dan wel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. De rechtbank overweegt dat uit het op ambtsedig / ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de vreemdelinge in een portiek van een flatgebouw in "De Kleine Berg" te Eindhoven door de verbalisanten is aangehouden omdat zij aldaar voor overlast zorgde. De vreemdelinge belde overal aan hield zich op in portieken.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van artikel 2.4.9 van de APV van Eindhoven.

7. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de strafrechtelijke aanhouding rechtmatig heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken verder, dat de op de strafrechtelijke aanhouding gevolgde vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig is geweest.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De vreemdelinge, op wier in 1993 en 1998 gedane aanvragen om toelating negatief is beschikt, beschikt niet over een geldige titel tot verblijf, is niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs, heeft zich aan het vreemdelingentoezicht onttrokken en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Bovendien wordt de vreemdelinge verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Gelet hierop bestaat ten aanzien van haar het ernstige vermoeden dat zij zich aan uitzetting zal onttrekken.

9. De rechtbank concludeert voorts dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Verweerder heeft op 21 mei 2001 een aanvraag voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding ingezonden naar de Ghanese autoriteiten. Spoedig zal een afspraak worden gemaakt voor het presenteren van de vreemdeling in persoon bij die autoriteiten. Er is vooralsnog geen grond om aan te nemen dat een document voor grensoverschrijding niet zal worden verkregen.

10. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdelinge in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

11. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen.

12. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2001, in tegenwoordigheid van S.J.W. Stort, griffier.

afschrift verzonden op: 5 juni 2001