Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5410

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/18403
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / staandehouding / redelijk vermoeden illegaal verblijf.

Het proces-verbaal van staandehouding is in een aantal opzichten onduidelijk dan wel onvolledig. De feiten en omstandigheden voorafgaande aan de staandehouding van de Turkse vreemdeling leveren geen, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf op. Hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel omtrent de rechtmatigheid van de staandehouding van de vreemdeling. Onduidelijkheden en onvolledigheden op naar het oordeel van de rechtbank in dit geval essentiële onderdelen als de wettelijke grondslag van de bewaring en de feiten en omstandigheden die voor de bewaring van belang zijn, kunnen niet middels een toelichting ter zitting ongedaan worden gemaakt of hersteld, nog daargelaten of de rechtbank op basis van de door verweerder gegeven toelichting tot het oordeel zou zijn gekomen dat in dit geval een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kon worden aangenomen. Gelet hierop is de opgelegde maatregel van meet af aan onrechtmatig. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01/18403 VRONTN J

inzake: A, geboren op [...] 1982, van Turkse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 11 mei 2001.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M.C.G.G. van Hoek.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 4 mei 2001 is de vreemdeling staandegehouden ingevolge artikel 50, eerste lid, Vw. Aansluitend is de vreemdeling overgebracht naar een politiebureau en ingevolge artikel 50, tweede of derde lid, Vw opgehouden voor verhoor.

1.2 Bij maatregel van bewaring van 4 mei 2001 is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw in bewaring gesteld.

1.3 Bij beroepschrift van 4 mei 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op gelijke datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

2. Overwegingen

2.1 Tussen partijen is primair in geschil of de staandehouding van de vreemdeling rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.2 Onder de gedingstukken bevindt zich een op 4 mei 2001 op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van staandehouding, waarin -voor zover hier van belang - wordt vermeld dat het redelijk vermoeden van illegaal verblijf is gebaseerd op:

"(…) Naar aanleiding van een controle op 04/05/2001, op de wet arbeid vreemdelingen in samenwerking met de arbeidsinspectie in bakkerij B, die gevestigd is te [...]straat perceel 46, te C, troffen verbalisanten een vreemdeling aan genaamd D.

Verbalisanten gingen met D mee naar zijn woning, [...]straat 46-3, boven de bakkerij, waar hij ons vrijwillig binnen liet.

Verbalisanten zagen op de derde etage vier deuren. Verbalisanten zagen verder dat de deur die haaks op de deur van de woning van D stond open was. Verbalisanten liepen mee naar de woning van D. D toonde aan verbalisant (…) een op zijn naam gesteld Turks paspoort.

Tijdens het passeren van de geopende deur zag verbalisant (…) iets bewegen in de donkere ruimte die gelegen was achter de deur die open stond.

Hier op stelde verbalisant (…) een onderzoek in. Met behulp van een lamp zag ik verbalisant (…) dat er in het verlengde van de deuropening iemand in bed lag te slapen. Verbalisant (…) zag vanuit de deuropening gezien aan de rechterzijde van de kamer dat er nog een bed stond waarin iemand lag te slapen. Verbalisant (…) zag dat beide personen in de kamer wakker werden. Verbalisanten (…) en (…) hielden beide personen staande en controleerden beide personen op identiteit, nationaliteit en hun verblijfsrechtelijke positie.

De persoon die in het verlengde van de deuropening had liggen slapen kon zich niet legitimeren. Deze persoon gaf desgevraagd op A te zijn. Verder verklaarde A aan verbalisanten (…) en (…) dat hij illegaal in Nederland verbleef. Verder verklaarde A dat hij werkzaam was bij bakkerij B gevestigd aan de [...]straat 46 te C. Hierop hebben wij verbalisanten betrokkene A overgebracht naar politiebureau [...]weg te C, als plaats van verhoor (…)".

2.3 Namens de vreemdeling is ter zitting aangevoerd dat de staandehouding van de vreemdeling niet rechtmatig heeft plaatsgevonden. Meer in het bijzonder is daartoe gewezen op de omstandigheid dat er ten tijde van de staandehouding van de vreemdeling geen sprake (meer) was van een WAV-controle en de staandehouding derhalve alleen kon plaatsvinden indien er sprake was van een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Hiervan is in het onderhavige geval niet gebleken, aldus de vreemdeling.

2.4 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de staandehouding van de vreemdeling rechtmatig heeft plaatsgevonden. Daartoe heeft verweerder gewezen op het volgende. Een persoon genaamd D is tijdens een WAV-controle in de bakkerij gevestigd aan [...]straat 46 in C, staandegehouden. In de woning gelegen boven de bakkerij ([...]straat 46-3) waar de WAV-controle plaatsvond is gebleken dat D voornoemd niet legaal in Nederland verbleef. Op dat moment is de gehele woning boven de bakkerij "besmet" geraakt, aldus verweerder, en waren de bij de WAV-controle betrokken verbalisanten bevoegd een ieder die in die woning werd aangetroffen naar diens identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie te vragen. Verweerder heeft in dit verband voorts betoogd dat de wetgever met de invoering van het criterium "naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf" in artikel 50, eerste lid, Vw uitdrukkelijk de bedoeling heeft gehad om in gevallen als het onderhavige een bevoegdheid tot staandehouding te creëren. Daartoe heeft verweerder verwezen naar hoofdstuk A3/2.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin het volgende is bepaald:

"(…) Een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mag mede op basis van ervarings- of omgevingsgegevens aangenomen worden als er bijvoorbeeld sprake is van:

(….)

- het aantreffen van personen in dezelfde woning waar een met naam bekende illegale of uitgeprocedeerde vreemdeling ter uitzetting aangehouden wordt of kan worden (…)".

2.5 De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van staandehouding in een aantal opzichten onduidelijk dan wel onvolledig is.

2.6 Allereerst blijkt uit het proces-verbaal niet of op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) dan wel op grond van artikel 50, eerste lid, Vw tot staandehouding is overgegaan.

2.7 Nu de vreemdeling ten tijde van de staandehouding niet betrokken was bij activiteiten waarop krachtens de WAV moet worden toegezien is de rechtbank van oordeel dat een staandehouding op basis van de WAV onrechtmatig is.

2.8 Mitsdien kon de staandehouding van de vreemdeling alleen plaatsvinden indien voorafgaand aan die staandehouding ten aanzien van de vreemdeling sprake was van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat artikel 50, eerste lid, Vw dient te worden beschouwd als de basis van de staandehouding en niet de WAV.

2.9 Uit genoemd proces-verbaal blijkt dat direct voorafgaande aan de staandehouding sprake was van de volgende feiten en omstandigheden.

- de eerder staande gehouden D toont zijn Turkse paspoort;

- tijdens het passeren van de geopende deur haaks op die van de woning van D zagen verbalisanten iets bewegen en

- verbalisanten zagen met behulp van een lamp twee slapende personen.

Vervolgens hielden de verbalisanten beide personen, waaronder de vreemdeling, staande en controleerden hen op identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen genoemde feiten en omstandigheden voorafgaande aan de staandehouding van de vreemdeling, naar objectieve maatstaven gemeten, geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren. Eerst na de staandehouding verklaart de vreemdeling illegaal in Nederland te verblijven en in de bakkerij te werken gevestigd aan de [...]straat 46 in C. Dit feit heeft derhalve bij de staandehouding geen rol kunnen spelen.

2.11 Hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht omtrent de verblijfsrechtelijke positie van D en de "besmetting" van de boven de bakkerij gelegen woning als gevolg hiervan, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel omtrent de rechtmatigheid van de staandehouding van de vreemdeling. Daartoe is het navolgende redengevend.

2.12 Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt niet dat D niet legaal in Nederland verbleef. Uit het proces-verbaal blijkt evenmin of de verbalisanten daarvan ten tijde van de staandehouding van de vreemdeling op de hoogte waren en of zij deze omstandigheid als "omgevingsgegeven" van belang hebben geacht dan wel hebben betrokken bij hun oordeel omtrent de vermoedelijk illegaliteit van de vreemdeling.

2.13 Onduidelijkheden en onvolledigheden op naar het oordeel van de rechtbank in dit geval essentiële onderdelen als de wettelijke grondslag van de bewaring en de feiten en omstandigheden die voor de bewaring van belang zijn, kunnen niet middels een toelichting ter zitting ongedaan worden gemaakt of hersteld, nog daargelaten of de rechtbank op basis van de door verweerder gegeven toelichting onder verwijzing naar de Vc 2000, A3/2.3.3, tot het oordeel zou zijn gekomen dat in dit geval op basis van de "omgevingsgegevens" een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kon worden aangenomen. Uit het proces-verbaal zelf dient te blijken dat de ambtenaren die het toezicht uitvoeren weten wat zij aan het doen zijn.

2.14 Gelet op het voorgaande is de opgelegde maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank zal de opheffing van de maatregel bevelen met ingang van 18 mei 2001. Hetgeen overigens namens de vreemdeling naar voren is gebracht met betrekking tot het uitlezen van zijn mobiele telefoon en de bestuursdwang behoeft, gelet hierop, geen bespreking meer.

2.15 Omtrent het verzoek om toekenning van schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

2.16 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, onder a, Vw met ingang van 18 mei 2001;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Bierling als griffier

afschrift verzonden op: 18 mei 2001

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier.

Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.