Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5398

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2001
Datum publicatie
12-11-2001
Zaaknummer
AWB01/18288
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2001:AE4701
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / staandehouding / identificatieplicht.

Niet in geschil is dat de (Moldavische) vreemdelinge achter het raam van een bordeel haar diensten als prostituee aanbood. Onder die omstandigheden waren de verbalisanten, die belast waren met het toezicht op de naleving van artikel 6.9 van de APV van Amsterdam, op grond van artikel 151a, tweede lid, Gemeentewet bevoegd in bedoeld bordeel een onderzoek in te stellen en de vreemdelinge inzage te vorderen van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Noch artikel 5:13 Awb, noch de Gemeentewet stelt aan de uitoefening van de hiervoor genoemde bevoegdheid de eis dat sprake moet van een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

Het betoog van de vreemdelinge dat de bij de staandehouding betrokken verbalisanten niet bevoegd waren diverse ruimten in het perceel waarin eerdergenoemd bordeel gevestigd was te doorzoeken, faalt voorts evenzeer. Het zoeken van personen in het betreffende pand is niet gelijk te stellen met het doorzoeken van kasten en bergplaatsen teneinde bijvoorbeeld een paspoort te vinden waarover de memorie van toelichting bij artikel 5:15, eerste lid, Awb spreekt.

Door de vreemdelinge tijdens de verschillende gehoren te horen in de engelse taal is niet gehandeld in strijd met de jegens de vreemdeling te betrachten zorgvuldigheid.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:15
Gemeentewet 151
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01/18288 VRONTN J

inzake: A, geboren op [...] 1982, van Moldavische nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting in Zwolle, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 11 mei 2001.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H. Loth, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M.C.G.G. van Hoek.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 3 mei 2001 is de vreemdeling staandegehouden ingevolge artikel 50, eerste lid, Vw. Aansluitend is de vreemdeling overgebracht naar een politiebureau en ingevolge artikel 50, tweede of derde lid, Vw opgehouden voor verhoor.

1.2 Bij maatregel van bewaring van 3 mei 2001 is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw in bewaring gesteld.

1.3 Bij beroepschrift van 4 mei 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op gelijke datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

2. Overwegingen

2.1 Namens de vreemdeling is ter zitting aangevoerd dat de in het geding zijnde vrijheidsontnemende maatregel om (één van) de volgende redenen dient te worden opgeheven:

1) ten tijde van de staandehouding van de vreemdeling was ten aanzien van de vreemdeling geen sprake van een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf. In dit verband verwijst de gemachtigde van de vreemdeling naar artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

2) de bij de staandehouding betrokken verbalisanten waren niet bevoegd diverse ruimten in het (bedrijfs)pand waar zij zijn binnengetreden te doorzoeken;

3) tijdens de verschillende gehoren is gehandeld in strijd met de jegens de vreemdeling te betrachten zorgvuldigheid door de vreemdeling te horen in de engelse taal, terwijl zij die taal onvoldoende machtig is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.2 Onder de gedingstukken bevindt zich een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 mei 2001. In dit proces-verbaal wordt - voor zover hier van belang- het volgende vermeld:

(…)Op donderdag 3 mei 2001 omstreeks 17.45 uur bevonden wij, verbalisanten, ons in uniform gekleed en met de fietssurveillance belast in de [...]straat te Amsterdam. Het is ons verbalisanten bekend dat er in de [...]straat perceel 15 een bordeel gevestigd zit. Ik, 1e verbalisant, zag, bij het passeren van het voornoemde bordeel, dat er twee vrouwen achter het raam zaten. Ik zag dat deze vrouwen waren gekleed in lingerie en kennelijk aan het werk waren als prostituee.

Ik, 1e verbalisant, ben aangewezen voor het doen van zedencontrole's. Hierop hebben wij ter controle op de juiste naleving van de bepalingen gesteld ten aanzien van raambordelen (arbeid door illegale en/of minderjarige prostituees) als vermeld in de Algemene Plaatselijke Verordening der gemeente Amsterdam, en ter controle op de juiste naleving van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet een nader onderzoek ingesteld. Toen wij, verbalisanten, waren gekeerd en terug waren bij het pand zagen wij dat er geen personen meer achter het raam zaten. Wij hebben het pand niet uit het oog verloren, het was dus niet mogelijk dat de vrouwen via de voordeur het pand hadden verlaten. Ook na een aantal keren aanbellen werd er niet gereageerd. Hierop hebben wij verzocht om de eigenaar van het pand. Dit zodat hij voor ons de deur kon openen.

Op donderdag 3 mei 2001 omstreeks 18.15 uur vervoegde de eigenaar van het pand zich bij ons. Hij heeft ons toegang tot het pand gegeven.

Het pand heeft drie zogenaamde peeskamers. In geen van deze peeskamers troffen wij een van de vrouwen aan. Vervolgens hebben wij alle kasten geopend. Echter troffen wij hier ook niemand aan.

Vervolgens heb ik, 1e verbalisant, een onderzoek ingesteld in een hok waar de c.v. ketel zich bevond. Hier trof ik, naast de c.v. ketel en verstopt achter een houten schot een van de vrouwen aan. De andere vrouw bleef voor ons onvindbaar en wij zijn het zoeken gestaakt.

De aangetroffen vrouw gaf later op te zijn genaamd: (…) A (…), geboren op [...] 1982 (…), burger van Moldavië.

Wij, verbalisanten, hebben op donderdag 3 mei 2001 Perciuleac staande gehouden voor de vreemdelingenwet.

Van de eigenaar van het perceel heb ik, 1e verbalisant, een kopie van het paspoort gekregen welke zij aan hem, bij aanvang van het werk, had overhandigd. Dit was een Italiaans paspoort op naam van B, geboren op [...]1976. Duidelijk was zichtbaar dat de foto welke erop zat van A was. Zij kon ons echter dit paspoort niet overhandigen, en verklaarde deze niet te hebben (…)".

2.3 In artikel 151a, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet, in werking getreden op 1 oktober 2000, is het volgende bepaald:

1. De raad kan een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.

2. De ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht uit te oefenen op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften, zijn bevoegd van degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, inzage te vorderen van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

2.4 De voorschriften bedoeld in het eerste lid van artikel 151a van de Gemeentewet zijn neergelegd in artikel 6.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam, in werking getreden op 1 oktober 2000.

2.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdeling op 3 mei 2001 omstreeks 17.45 uur achter het raam van een bordeel gevestigd aan de [...]straat 15 te Amsterdam, haar diensten als prostituee aanbood. Onder die omstandigheden waren de verbalisanten, die belast waren met het toezicht op de naleving van de hiervoor aangehaalde APV-bepaling, op grond van artikel 151a, tweede lid, van de Gemeentewet bevoegd in bedoeld bordeel een onderzoek in te stellen en de vreemdeling inzage te vorderen van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De grief van de vreemdeling dat er in casu geen sprake was van een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in het eerste lid van artikel 50 Vw treft geen doel , nu noch artikel 5:13 van de Awb, noch de Gemeentewet aan de uitoefening van de hiervoor genoemde bevoegdheid de eis stelt dat sprake moet zijn van een dergelijk redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

2.6 Het betoog van de vreemdeling dat de bij de staandehouding van de vreemdeling betrokken verbalisanten niet bevoegd waren diverse ruimten in het perceel waarin eerdergenoemd bordeel gevestigd was te doorzoeken, faalt voorts evenzeer. Daartoe is het navolgende redengevend.

Artikel 5:15, eerste lid, Awb bepaalt dat een toezichthouder bevoegd is, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Volgens de Memorie van Toelichting bij dit artikellid (TK 23 7000, nr. 3, p. 143) impliceert "betreden" niet het "doorzoeken" van plaatsen in die zin dat willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen kunnen worden geopend. Naar het oordeel van de rechtbank is het zoeken van personen in het betreffende pand niet gelijk te stellen met het doorzoeken van kasten en bergplaatsen teneinde bijvoorbeeld een paspoort te vinden. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake geweest van "doorzoeken” als bedoeld in de Memorie van Toelichting. De in het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van bevindingen genoemde 1e verbalisant heeft in het betreffende perceel alle kasten en het hok waar zich de c.v. ketel bevindt slechts geopend teneinde na te gaan of de vreemdeling, die kennelijk trachtte zich aan toezicht te onttrekken, zich aldaar bevond.

2.7 Het namens de vreemdeling gevoerde betoog ten aanzien van de taal die tijdens de verschillende gehoren is gesproken, treft voorts evenmin doel. Daartoe is redengevend dat uit de verschillende (op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte) processen-verbaal kan worden afgeleid dat de vreemdeling tijdens bedoelde gehoren in staat was zich in de engelse taal in voldoende mate uit te drukken en zij de aan haar gestelde vragen in die taal in voldoende mate heeft begrepen. De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar de verklaring van de vreemdeling ter zitting dat zij hetgeen haar tijdens bedoelde gehoren is gevraagd in grote lijnen heeft begrepen.

2.8 De rechtbank is ook overigens van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

2.9 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.10 Nu niet de opheffing van de bewaring zal worden bevolen, komt ook het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor inwilliging in aanmerking.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Bierling als griffier.

afschrift verzonden op: 21 mei 2001

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier.

Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.