Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5174

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2001
Datum publicatie
06-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/25179 VRONTN A R04 G06 S4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / staandehouding / bevoegdheid.

De gemachtigde van de vreemdeling, van Bulgaarse nationaliteit, heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder, nu de benodigde reispapieren van de vreemdeling voor handen waren, ten onrechte de maatregel van bewaring heeft opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder a Vw 2000. Verweerder had artikel 59, tweede lid, Vw 2000 als grond voor de maatregel dienen te hanteren gezien de dwingende bewoordingen van deze bepaling en gezien de in het vierde lid van genoemd artikel gegeven waarborg voor de vreemdeling dat de bewaring krachtens het tweede lid niet langer duurt dan vier weken.

De rechtbank kan de gemachtigde van de vreemdeling hierin niet volgen. Blijkens de parlementaire geschiedenis is met artikel 59, tweede lid, Vw 2000 beoogd de mogelijkheden voor verweerder om vreemdelingen in bewaring te stellen, te verruimen. De dwingende formulering in deze bepaling ziet naar het oordeel van de rechtbank niet op een verplichting van verweerder om de bewaring, indien mogelijk, op deze grond op te leggen, maar op de omstandigheid dat van verweerder geen nadere motivering wordt verlangd dat de openbare orde de bewaring vordert, doch dat wordt uitgegaan van de fictie dat dit het geval is. Gezien de belangen van de vreemdeling mag deze bepaling slechts grond voor de bewaring zijn, indien de benodigde bescheiden voor de uitzetting reeds voorhanden zijn, dan wel binnenkort voorhanden zullen zijn.

Een inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 biedt de vreemdeling de waarborg, dat deze slechts mag geschieden indien verweerder gemotiveerd aangeeft waarom de openbare orde de bewaring vordert. De vreemdeling wordt derhalve niet geschaad in zijn belangen, indien verweerder de bewaring oplegt op grond van deze bepaling, terwijl verweerder de vreemdeling ook op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in bewaring had kunnen stellen. De rechtbank merkt nog op dat bij een eventuele beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 ook de vraag of de voor uitzetting benodigde bescheiden voorhanden zijn, zal worden betrokken.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/25179 VRONTN A R04 G06 S4

uitspraak: 21 juni 2001

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1973 te Glodzhevo,

nationaliteit Bulgaarse,

IND dossiernummer 0106.14.6031,

thans verblijvende in het politiebureau te Hellevoetsluis.

P R O C E S V E R L O O P

Namens de Staatssecretaris van Justitie is de rechtbank op 14 juni 2001 op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het besluit van 12 juni 2001 tot oplegging van de maatregel van bewaring, tegen welk besluit de vreemdeling geen beroep heeft ingesteld.

Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een eerste door de vreemdeling ingesteld beroep tegen de maatregel van bewaring.

Namens de vreemdeling is mr. F. van Dijk, advocaat te Assen, op 21 juni 2001 ter zitting verschenen.

Namens de Staatssecretaris van Justitie is mr. F. Egbers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, verschenen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de bewaring niet op te heffen.

R E C H T S O V E R W E G I N G E N

Op 12 juni 2001 heeft een algemene inspectie van het Ministerie van Landbouw plaatsgevonden op een bedrijf waar sierbloemen werden geteeld. In het kassencomplex werd een hennepkwekerij aangetroffen. De vreemdeling werd werkend aangetroffen in deze hennepkwekerij en is op grond van artikel 3, eerste lid onder b jo artikel 11, tweede lid van de Opiumwet aangehouden. Uit onderzoek bleek dat de vreemdeling geen strafbare handelingen had verricht, maar dat hij niet in het bezit was van een geldig legitimatiebewijs en niet kon aantonen rechtmatig in Nederland te verblijven. De vreemdeling is daarop op grond van de Vreemdelingenwet staandegehouden.

Verweerder heeft met het oog op de uitzetting van de vreemdeling bij besluit van 12 juni 2001 de maatregel van bewaring opgelegd, nu naar het oordeel van verweerder de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en het belang van de openbare orde deze maatregel vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000).

Namens de vreemdeling is ter zitting aangevoerd dat het strafrechtelijk voortraject op een aantal onderdelen onrechtmatig is verlopen. De rechtbank merkt hieromtrent in algemene zin op, dat de rechtmatigheid van het aan de vreemdelingenrechtelijke staandehouding en inbewaringstelling voorafgaande strafrechtelijk voortraject in het kader van de huidige procedure marginaal wordt getoetst.

Op 12 juni 2001 heeft een inspectie plaatsgevonden bij een sierbloemenkwekerij door de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet. Vervolgens werd op dat perceel een hennepkwekerij aangetroffen. Namens de vreemdeling is gesteld dat een buitengewoon opsporingsambtenaar van het Ministerie van Landbouw onvoldoende expertise heeft om te concluderen dat er strafbare feiten werden gepleegd. Deze stelling treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Immers, uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2001 valt op te maken dat deze buitengewone opsporingsambtenaar, na het aantreffen van de hennepkwekerij, de politie heeft ingeschakeld en derhalve niet zelf tot de aanhouding van de vreemdeling is overgegaan. Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat de strafrechtelijke aanhouding van de vreemdeling op rechtmatige wijze is geschied.

De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de bewaring onrechtmatig is, nu uit het dossier blijkt dat er twee verschillende percelen zijn genoemd in de processen-verbaal. Immers, in het proces-verbaal van aanhouding d.d. 12 juni 2001 wordt het perceel aan de [...]dijk 17 te B genoemde, terwijl in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2001 wordt gesproken over het perceel aan de [...]dijk 17b. De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om een mogelijke verschrijving en dat geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat hier sprake is van twee verschillende locaties.

Voorts overweegt de rechtbank dat in hetgeen is aangevoerd omtrent de wijze waarop de vreemdeling in het strafrechtelijk voortraject op zijn rechten is gewezen en omtrent de duur van de strafrechtelijke ophouding geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat deze de marginale toets, als hierboven omschreven, niet kunnen doorstaan. De rechtbank acht aannemelijk dat na het gehoor van de vreemdeling, op 12 juni 2001 om 16.30 uur, een uur de tijd is genomen om te bepalen welke consequenties aan het verhoor dienden te worden verbonden. Deze periode van een uur is derhalve niet onredelijk lang geweest.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder, nu de benodigde reispapieren van de vreemdeling voor handen waren, ten onrechte de maatregel van bewaring heeft opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder a Vw 2000. Verweerder had artikel 59, tweede lid, Vw 2000 als grond voor de maatregel dienen te hanteren gezien de dwingende bewoordingen van deze bepaling en gezien de in het vierde lid van genoemd artikel gegeven waarborg voor de vreemdeling dat de bewaring krachtens het tweede lid niet langer duurt dan vier weken.

De rechtbank kan de gemachtigde van de vreemdeling hierin niet volgen. Blijkens de parlementaire geschiedenis is met artikel 59, tweede lid, Vw 2000 beoogd de mogelijkheden voor verweerder om vreemdelingen in bewaring te stellen, te verruimen (TK 1998-1999, 26.732, nr. 3, p.96-97). De dwingende formulering in deze bepaling ziet naar het oordeel van de rechtbank niet op een verplichting van verweerder om de bewaring, indien mogelijk, op deze grond op te leggen, maar op de omstandigheid dat van verweerder geen nadere motivering wordt verlangd dat de openbare orde de bewaring vordert, doch dat wordt uitgegaan van de fictie dat dit het geval is. Gezien de belangen van de vreemdeling mag deze bepaling slechts grond voor de bewaring zijn, indien de benodigde bescheiden voor de uitzetting reeds voorhanden zijn, dan wel binnenkort voorhanden zullen zijn.

Een inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 biedt de vreemdeling de waarborg, dat deze slechts mag geschieden indien verweerder gemotiveerd aangeeft waarom de openbare orde de bewaring vordert. De vreemdeling wordt derhalve niet geschaad in zijn belangen, indien verweerder de bewaring oplegt op grond van deze bepaling, terwijl verweerder de vreemdeling ook op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in bewaring had kunnen stellen. De rechtbank merkt nog op dat bij een eventuele beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 ook de vraag of de voor uitzetting benodigde bescheiden voorhanden zijn, zal worden betrokken.

De procedure leidend tot en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is derhalve niet op die grond onrechtmatig.

Op grond van artikel 94, tweede lid, Vw 2000 roept de rechtbank de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon bij raadsman te verschijnen teneinde te worden gehoord. In het onderhavige geval heeft de rechtbank een last verstrekt tot het vervoeren van de vreemdeling teneinde de zitting te kunnen bijwonen. Derhalve had de vreemdeling, op grond van artikel 94, tweede lid, Vw 2000 naar de zitting vervoerd dienen te worden, hetgeen evenwel niet is geschied. Hierbij merkt de rechtbank nog op de verweerder ter zitting niet kon aangeven waarom de vreemdeling niet was verschenen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de bewaring onrechtmatig en dient de bewaring te worden opgeheven.

Het bovenstaande brengt mee dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet en bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is.

Het beroep dient gegrond te worden verklaard.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 710,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Koster als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2001

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, voor partijen hoger beroep open. Bij het beroepschrift dient een afschrift van de bestreden uitspraak te worden gevoegd. Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van de uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113 2500 BC `s-Gravenhage.

----------------

Afschrift verzonden: 29 juni 2001