Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4978

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
01-11-2001
Zaaknummer
KG 01/1062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - President

Vonnis in kort geding van 31 oktober 2001,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 01/1062 van:

Eiser

wonende te Zwitserland,

eiser,

procureur mr. W. Taekema,

advocaten mr. H.J.Th. Biemond en mr. P.J. Baauw te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie, meer in het bijzonder

het Openbaar Ministerie te Amsterdam),

waarvan de zetel is gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. W. Heemskerk.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 10 oktober 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie te Amsterdam d.d. 4 september 1997 is tegen eiser een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld wegens verdenking van het begaan van diverse strafbare feiten.

Op 24 oktober 1997 heeft in het kader van het ”Clickfonds-onderzoek” zowel in als buiten Nederland een groot aantal huiszoekingen plaatsgevonden, ook bij eiser.

Eiser verblijft sedert december 1997 in Zwitserland.

Op 20 mei 1998 heeft de officier van justitie de aanhouding van eiser bevolen. Eiser is op diezelfde dag zowel via het Schengen-informatiesysteem als via Interpol internationaal gesignaleerd.

In het vervolg op nadere vorderingen van de officier van justitie d.d. 29 mei 1998 en 23 maart 2000 is het gerechtelijk vooronderzoek uitgebreid.

Vanaf december 1999 is tussen het Openbaar Ministerie en de advocaten/adviseurs van eiser gesproken over de afdoening van de zaak met een transactie, de splitsing van de zaak in een fiscaal deel en een commuun strafrechtelijk deel, de internationale signalering en het verhoor van eiser als verdachte.

Op 16 december 1999 heeft een eerste bespreking plaatsgevonden, waarin over de opheffing van de internationale signalering van eiser niet is gesproken.

Op 24 mei 2000 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden over de nadere invulling van het verhoor van eiser.

De derde bespreking heeft op 14 juni 2000 plaatsgevonden, gevolgd door telefoongesprekken op 15 en 16 juni 2000.

Bij brief van 16 juni 2000 heeft de officier van justitie aan de advocaat van eiser medegedeeld dat het intrekken van de internationale signalering als voorwaarde aan het meewerken aan zijn verhoor niet bespreekbaar is.

Op 22 januari 2001 heeft wederom een bespreking plaatsgevonden, waarbij is gesproken over het verhoor van eiser als verdachte in Zwitserland. Het ingediende rechtshulpverzoek is ingewilligd, doch nimmer uitgevoerd, omdat het voornemen van de Zwitserse rechter-commissaris daarbij een lopend Zwitsers strafrechtelijk onderzoek te betrekken voor (de advocaten van) eiser niet aanvaardbaar was.

Op 22 maart 2001 is er een bespreking geweest, waarin is gesproken over de mogelijkheden van verhoor van eiser in Nederland, onder vrijgeleide. De door het Openbaar Ministerie gestelde voorwaarden zijn door eiser geaccepteerd.

Eiser is in de periode 9-12 april 2001 in Nederland door de rechter-commissaris gehoord, van welke verhoren proces-verbaal is opgemaakt.

Bij brief van 24 april 2001 heeft de officier van justitie de advocaat van eiser medegedeeld dat er vanwege twee gronden die aanwezig zijn om de voorlopige hechtenis van eiser te vorderen, te weten vluchtgevaar en herhalingsgevaar, geen reden is de internationale signalering op te heffen.

Bij brieven van 18 mei en 27 juni 2001 heeft de advocaat van eiser de officier van justitie verzocht de internationale signalering op te heffen.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te bevelen de internationale signalering ten name van eiser op te heffen en voorts gedaagde te verbieden nadien een internationale signalering uit te vaardigen in de strafzaak met parketnummer 13/129370-97 tot de datum waarop onherroepelijk uitspraak in deze strafzaak is gedaan, zulks op straffe van een dwangsom.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

Nu het vluchtgevaar kan worden opgeheven door het storten van een waarborgsom en vrees voor herhaling -mede vanwege het tijdsverloop sinds de pleegdatum van de feiten waarvan eiser verdacht wordt- niet plausibel is, zijn de door het Openbaar Ministerie aangevoerde gronden voor voorlopige hechtenis van eiser komen te vervallen. Daardoor bestaat geen wettelijke grond voor de internationale signalering van eiser en is handhaving daarvan onrechtmatig.

De beperking van eiser in zijn bewegingsvrijheid is tevens in strijd met artikel 2 lid 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM-Verdrag en met artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten. Eiser wordt al ruim drie jaar in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Deze periode staat niet in verhouding tot de maximale periode van voorlopige hechtenis van 106 dagen en 15 uur.

Bij een juiste belangenafweging dient het belang van eiser te prevaleren. De medeverdachten van eiser zijn zeer kort na hun aanhouding heengezonden en begin juni 1998 is jegens hen de voorlopige hechtenis geschorst. Bovendien heeft de rechtbank te Amsterdam de straftoemeting in soortgelijke Clickfondszaken tot op heden, naast het opleggen van geldboetes, beperkt tot vrijheidsstraffen waarvan het onvoorwaardelijke deel is omgezet in dienstverlening. Tevens is in het laatste vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 22 juni 2001 de officier van justitie deels niet-ontvankelijk verklaard. Aangezien de omstandigheden in die zaak zich ook deels in de onderhavige zaak hebben voorgedaan bestaat in de strafzaak tegen eiser gerede twijfel aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Eiser heeft een spoedeisend belang om als directeur en mede-aandeelhouder van FTC naar Londen te kunnen reizen en daar orde op zaken te stellen. Een groot deel van het personeel FTC dreigt ontslag te nemen. Als gevolg van de hierdoor ontstane onrust binnen FTC wordt steeds minder winst gemaakt.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. In geschil is de vraag of de tegen eiser uitgevaardigde internationale signalering nog gerechtvaardigd is dan wel moet worden opgeheven. Eiser legt aan zijn vordering -onder meer- ten grondslag dat geen gronden voor voorlopige hechtenis (meer) aanwezig zijn. Daarnaast heeft volgens eiser geen juiste belangenafweging plaatsgevonden.

3.2. Bij de beslissing tot handhaving van de signalering komt gedaagde een grote mate van beoordelingsvrijheid toe. Die beslissing kan dan ook slechts marginaal worden getoetst. Daarbij speelt tevens een rol dat de hier aan de orde zijnde maatregel tegen eiser niet los gezien kan worden van de tegen hem aanhangig gemaakte strafzaak. In het algemeen zal dan de strafrechter (rechter-commissaris, raadkamer, zittingsrechter) hebben te oordelen over de tegen de verdachte genomen of voorgenomen dwangmaatregelen en zal de gang naar die rechter een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang zijn die aan de bevoegdheid van de kort-geding-rechter in de weg staat. Oók als een interventie en beslissing van die rechter niet op stel en sprong mogelijk zullen zijn en de verdachte daarvoor gedurende enige dagen van zijn vrijheid wordt beroofd. De kort-geding-rechter neemt in deze zaak bevoegdheid aan, omdat tijdens de behandeling niet is gebleken dat in dit geval eiser zich tot een andere (straf) rechter kan wenden om de aan de internationale signalering ten grondslag gelegde aanhoudingsgronden op voorhand -dus vóór zijn aanhouding en overbrenging naar Nederland- te laten toetsen. Nagegaan zal derhalve worden of gedaagde in redelijkheid tot handhaving van de internationale signalering kon besluiten.

3.3. Spoedeisend belang.

Het spoedeisend belang van eiser bij opheffing van de internationale signalering volgt reeds uit de stelling van eiser dat hij dringend in Londen orde op zaken dient te stellen teneinde zijn bedrijf FTC van de ondergang te redden.

3.4. Gronden voorlopige hechtenis.

Tussen partijen is in confesso dat de grond “onderzoeksbelang”(art. 67a lid 2 sub 4 Sv) niet langer aan de orde is. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de gronden “vluchtgevaar” (art. 67a lid 1 sub a Sv) en “herhalingsgevaar”(art. 67a lid 2 sub 2 Sv) zich hier voordoen.

3.5. Ten aanzien van het vluchtgevaar wordt als volgt overwogen. Eiser houdt zich, na de huiszoekingen, sinds december 1997 in Zwitserland op. Eiser stelt dienaangaande dat zijn vertrek naar Zwitserland mede samenhing met gezondheidsredenen. Wat daar ook van zij, als vaststaand kan worden aangenomen dat eisers verblijf thans geen enkel verband houdt met zijn gezondheid. Desondanks heeft eiser verkozen niet naar Nederland terug te keren (met uitzondering van de periode 9-12 april 2001, onder vrijgeleide). Eiser stelt dat hij zijn -in zijn ogen gedwongen- verblijf in Zwitserland niet wil opgeven omdat hij bij het verlaten van dat land het risico loopt te worden aangehouden. Tegen deze achtergrond is aannemelijk dat eisers verblijf in Zwitserland -mede- is ingegeven door de overweging om onderwerping aan strafvorderlijke dwangmaatregelen hier te lande te ontlopen.

Een en ander rechtvaardigt in voldoende mate de veronderstelling van gedaagde dat eiser zich wellicht ook aan een eventueel hier te lande op te leggen vrijheidsstraf zal willen onttrekken. Dat eiser betaling van een waarborgsom zou hebben aangeboden maakt dit niet anders. Allereerst is, anders dan in het arrest waarop eiser zich beroept, vluchtgevaar niet de enige grond om de signalering te laten voortduren. Voorts geeft het betalen van een borgsom in dit geval niet de garantie dat eiser zich daadwerkelijk niet aan berechting en eventuele executie zal onttrekken. Eiser is immers zeer vermogend, bezit meerdere nationaliteiten, is niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie in Nederland en evenmin gebonden aan Nederland. In dat verband is van belang dat eiser zelf heeft gesteld nooit in Nederland gewerkt te hebben en altijd in Londen te hebben gewoond en gewerkt. En ten slotte, het is op zichzelf al veelzeggend dat eiser tot nog toe niet de kans heeft willen benutten om -zonder voorwaarden te stellen- zijn standpunt te bepleiten voor en zijn recht te zoeken bij de strafrechter.

3.6. Voor wat betreft herhalingsgevaar is juist dat in het kader van artikel 67a lid 2 sub 2 Sv niet van belang is in welk land het herhalingsgevaar zich verwezenlijkt. Dat dit gevaar zich, zoals eiser stelt, indien aanwezig, hooguit gelegen zou zijn buiten de Nederlandse rechtsorde is daarom niet van belang. Eiser wordt onder meer verdacht van het -via zijn bedrijf FTC in Londen- leiding geven aan een grote internationale criminele organisatie. Onweersproken is gebleven dat hiervan thans slechts enkele deelnemers strafrechtelijk vervolgd worden en een groot deel nog potentieel actief is. Daarnaast wordt eiser blijkens de dagvaarding van 5 september 2001 verdacht van belastingfraude, onder meer gepleegd in de periode 1995-1998. Tegen eiser loopt eveneens een strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland. Gelet op het vorenstaande kan niet gezegd worden dat gedaagde in redelijkheid geen enkel herhalingsgevaar aanwezig kan achten. Overigens valt niet in te zien dat eiser vanuit Zwitserland niet in staat zou zijn feiten te plegen in Nederland gelijk aan die waarvan hij thans verdacht wordt.

3.7. Uit het voorgaande volgt dat onder deze omstandigheden gedaagde in redelijkheid kan menen dat zich gronden voor voorlopige hechtenis voordoen en er derhalve geen reden is de internationale signalering op te (doen) heffen.

3.8. Dat de duur van de signalering inmiddels is opgelopen tot meer dan drie jaar is een omstandigheid die in overwegende mate voor rekening van eiser komt.

De stelling van eiser dat zijn medeverdachten zijn heengezonden en hun voorlopige hechtenis is geschorst is op zichzelf onvoldoende om er vanuit te kunnen gaan

-zoals eiser doet- dat ook in het geval van eiser tot heenzending en schorsing zal worden overgegaan, met name nu eiser ervan verdacht wordt een hoofdrol te hebben vervuld in de Clickfondsaffaire.

Ook het feit dat de officier van justitie in een andere Clickfondszaak ten dele niet-ontvankelijk is verklaard bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2001 kan niet tot een ander oordeel leiden nu hieruit geenszins op voorhand geconcludeerd kan worden dat de officier van justitie ook in de zaak tegen eiser niet-ontvankelijk verklaard zal worden. Een uiteindelijk oordeel hierover is voorbehouden aan de rechtbank die mogelijk belast zal worden met de behandeling van de strafzaak tegen eiser. Zoals reeds overwogen, zal eiser daar zijn recht moeten zoeken.

3.9. Belangenafweging.

Dat eiser beperkt wordt in zijn mogelijkheid naar Londen te reizen is inherent aan de internationale signalering. Mede gelet op het bovenstaande valt zonder nadere onderbouwing van dit standpunt door eiser niet in te zien waarom het belang van eiser om naar Londen te reizen in casu zou dienen te prevaleren boven dat van gedaagde bij een goede strafrechtspleging. Het staat eiser uiteraard vrij om zich met de officier van justitie in verbinding te stellen en diens bemiddeling te vragen, opdat hij op een voor hem zo min mogelijk bezwarende wijze zich zal kunnen verantwoorden voor de rechter. Daarna staat eventueel de weg voor hem open om de buitenlandse bestemming te kiezen die hij wil.

3.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde niet onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld door de internationale signalering niet op te heffen. De vordering van eiser zal worden afgewezen.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De President:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op ¦ 1.977,--, waarvan ¦ 427,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Holtrop en uitgesproken ter openbare zitting van 31 oktober 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.