Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4968

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2001
Datum publicatie
01-11-2001
Zaaknummer
AWB 99/4641
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeeroptie / remigratie.

Eiseres heeft vóór haar negentiende levensjaar elf jaar legaal in Nederland verbleven, is in 1991 naar Marokko vertrokken en doet thans een aanvraag om wedertoelating vanwege haar banden met Nederland. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat er aanknopingspunten zijn, blijkend uit de verklaringen van eiseres, dat zij Nederland destijds niet uit vrije wil heeft verlaten. Blijkens het bestreden besluit hecht verweerder bij de wegingsfactor 'reden van remigratie' ook gewicht aan de omstandigheid dat sprake zou zijn van (verder) vrijwillig verblijf in Marokko. De rechtbank stelt vast dat dit criterium niet in verweerders beleid is opgenomen. Uit het beleid blijkt evenmin dat bij de belangenafweging ten aanzien van de reden van remigratie naast de reden van vertrek zelfstandige betekenis moet worden toegekend aan het verblijf volgend op dat vertrek en de al dan niet vrijwilligheid van dit verblijf. Overigens is er geen aanleiding om aan te nemen dat het verblijf in Marokko vrijwillig was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom onaannemelijk moet worden geacht dat de banden van eiseres met Nederland sterker zouden zijn dan de banden van eiseres met Marokko.

Het feit dat eiseres reeds vanaf 1994 heeft geprobeerd op legale wijze terug te keren naar Nederland en zij in 1997 zonder visum Nederland is binnengereisd duidt niet op een sterke band met Marokko. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

j° artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 99/4641 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1970, van Marokkaanse nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. M. Spapens, juridisch medewerker bij Younge en Canales advokaten te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 15 april 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel humanitaire redenen. Bij besluit van 18 november 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 16 december 1998 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 28 december 1998. Op 24 februari 1999 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 9 april 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 6 mei 1999, aangevuld bij brieven van 21 juni 1999, heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 31 augustus 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 22 februari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 20 maart 2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. In 1980 is eiseres met haar ouders en broers en zuster naar Nederland gekomen. Zij is vervolgens in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij ouders".

Eiseres heeft hier te lande tot haar veertiende of vijftiende jaar onderwijs gevolgd. In de zomer van 1991 is eiseres met haar ouders naar Marokko afgereisd. Op 15 januari 1992 is eiseres in Marokko in het huwelijk getreden met C. Dit huwelijk is op 9 november 1992 door echtscheiding ontbonden. In augustus 1992 is eiseres in Marokko in het bezit gesteld van een geldig nationaal paspoort. De geldigheidsduur van dit paspoort is laatstelijk in Nederland verlengd tot 9 augustus 2002.

Op [...] 1993 is een zoon, D, geboren. Eiseres heeft op 28 oktober 1994 verzocht om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf, op welk verzoek op 21 november 1994 afwijzend is beslist. Zij is laatstelijk in december 1997 Nederland ingereisd.

Haar zoon is in augustus 1998 naar Nederland gekomen. De ouders van eiseres en haar broers en zuster zijn allen hier te lande woonachtig. De moeder van eiseres lijdt aan suikerziekte en is in ernstige mate hulpbehoevend. Verder is de moeder van eiseres de Nederlandse taal niet machtig.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf. Eiseres kan geen geslaagd beroep doen op het beleid inzake verruimde gezinshereniging, neergelegd in hoofdstuk B1/7 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. Het beroep van eiseres op het beleid inzake de zogenoemde terugkeeroptie, neergelegd in hoofdstuk B 21/5 van de Vc 1994, slaagt evenmin. Verweerder heeft in dit verband in aanmerking genomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onder psychische dwang van haar ouders in 1992 in Marokko in het huwelijk is getreden. Voorzover al zou moeten worden aangenomen dat eiseres door psychische dwang Nederland zou hebben verlaten dan volgt uit het "gedwongen vertrek" nog niet dat vervolgens sprake zou zijn van een onvrijwillig verblijf in Marokko. Eiseres heeft voorts niet aannemelijk kunnen maken dat zij na de echtscheiding niet de intentie had om in Marokko een bestaan op te bouwen. Eiseres heeft immers na haar echtscheiding in 1992, tot 1994 gewacht met het aanvragen van een machtiging tot voorlopig verblijf en heeft vervolgens tot 1997 gewacht met het vertrek naar Nederland, hetgeen er niet toe leidt dat aangenomen moet worden dat sprake zou zijn van een onvrijwillig verblijf in Marokko. Tot slot is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan eiseres om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. De omstandigheid dat het huwelijk van eiseres slecht was vormt geen reden om haar verblijf in Nederland toe te staan. Zij is immers al in 1992 in Marokko gescheiden. De positie van een alleenstaande gescheiden vrouw in Marokko leidt evenmin tot het oordeel dat van eiseres een terugkeer naar Marokko niet kan worden verlangd. De verzorging van de moeder van eiseres kan aan één van de hier te lande verblijvende gezinsleden worden overgedragen, terwijl in Nederland bovendien nog een uitgebreid net van extramurale zorginstellingen bestaat dat hulp verleent bij verpleging, verzorging en opvang van personen.

2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een vergunning tot verblijf heeft geweigerd. Bij de belangenafweging door verweerder in het kader van de terugkeeroptie is ten onrechte geoordeeld dat de banden van eiseres met Marokko sterker zijn dan de banden van eiseres met Nederland. Verweerder heeft in dit verband zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een gedwongen uithuwelijking waartoe eiseres psychisch is gedwongen. Verweerder miskent dat eiseres in Marokko door haar ouders is achtergelaten en dat een terugreis op eigen initiatief niet mogelijk was aangezien zij nog niet in het bezit was van een paspoort. Voorts heeft eiseres door haar tien jaar lange legale verblijf, sterke banden met Nederland. Eiseres is in Nederland naar school gegaan en beheerst dan ook de Nederlandse taal. Op dit moment volgt zij een cursus om haar beheersing van de Nederlandse taal te vergroten. Tot slot miskent verweerder dat eiseres ook na de echtscheiding niet vrijwillig in Marokko heeft verbleven. Eiseres heeft in 1994 al een machtiging tot voorlopig verblijf gevraagd, welke aanvraag niet is ingewilligd. Aan de periode bijna twee jaar na de echtscheiding en het indienen van de aanvraag moet niet al te veel waarde worden gehecht. Eiseres is immers in 1993 bevallen. De banden van eiseres met Nederland zijn ook afgezien van haar verblijfsverleden groot. Alle familie woont in Nederland. Eiseres zou bij terugkeer in Marokko van sociaal-maatschappelijke contacten verstoken zijn. Zij kan aldaar bij niemand terecht en heeft er niets. Zij heeft daar als gescheiden vrouw totaal geen perspectieven. Het is eiseres die het huwelijk heeft verbroken, zij heeft daar geen familie terwijl de familie van haar ex-echtgenoot haar niet goed gezind is. Bovendien kan zij zich in Marokko niet handhaven. Eiseres heeft met betrekking haar zoon nog opgemerkt dat hij na haar vertrek bij familie van haar ex-echtgenoot verbleef. Hij werd mishandeld en verwaarloosd.

3. In het verweerschrift heeft verweerder het in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. In aanvulling hierop is nog opgemerkt dat ten aanzien van de wegingsfactor schoolopleiding en Nederlandse taal niet ter discussie staat dat eiseres in Nederland naar school is gegaan en dat zij de Nederlandse taal beheerst. Evenmin staat ter discussie dat zij geen werkervaring in Nederland heeft. Verweerder acht de banden van eiseres met Marokko sterker dan de banden van eiseres met Nederland.

Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiseres langer dan de tien jaren die zij in Nederland heeft verbleven, in Marokko heeft verbleven. Verweerder concludeert dat Nederland voor eiseres niet het meest aangewezen land is.

4. Eiseres heeft ter zitting nog benadrukt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden in het kader van de terugkeeroptie.

IV. OVERWEGINGEN

1. Het bestreden besluit dateert van 9 april 1999 en is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, Stb. 495). Het besluit is gebaseerd op de Vw 1965 (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. De rechtbank zal zich, ex tunc toetsend, moeten uitlaten over de rechtmatigheid van het besluit. Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit de Vw 1965 (Vw) en aanverwante regelingen toegepast.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

3. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikel het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen aanspraak maakt op toelating hier te lande ingevolge het beleid met betrekking tot verruimde gezinshereniging, zoals neergelegd in hoofdstuk B1/7 van de Vc 1994.

5. In hoofdstuk B21/5 van de Vc 1994 was verweerders beleid neergelegd ten aanzien van vreemdelingen die na remigratie opnieuw toelating in Nederland aanvragen, de zogenoemde terugkeeroptie.

De terugkeeroptie is bedoeld voor twee groepen vreemdelingen:

a. de vreemdeling die tussen zijn vierde en negentiende levensjaar ten minste tien jaren in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 9 of 10 Vw, en zijn aanvraag heeft gedaan vóór zijn drieëntwintigste levensjaar;

b. b. de vreemdeling die voor zijn negentiende levensjaar ten minste vijf jaren in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 9 of 10 Vreemdelingenwet, en zijn aanvraag om wedertoelating doet vanwege zijn zodanige banden met Nederland dat dit voor betrokkene is aan te merken als meest aangewezen land.

6. Eiseres is geboren op [...] 1970 en was ten tijde van de aanvraag om toelating 27 jaar. De rechtbank constateert dat eiseres valt onder de groep vreemdelingen zoals vermeld onder categorie b. Er dient derhalve een afweging te worden gemaakt tussen de banden die eiseres met Nederland heeft opgebouwd en de banden die eiseres heeft met het land van herkomst, waarbij voor elk van de in Vc 1994 B21/5.3.1. genoemde wegingscriteria (reden van remigratie, duur van het verblijf, schoolopleiding, opgedane werkervaring, kennis van de Nederlandse taal) een afweging gemaakt dient te worden van de banden met Nederland aan de ene kant en de banden met het land van herkomst aan de andere kant.

7. Het hierboven weergegeven beleid kan in zijn algemeenheid de rechterlijke toets doorstaan.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit echter onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat in de onderhavige zaak meer gewicht kon worden toegekend aan de banden van eiseres met Marokko dan aan haar banden met Nederland. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

9. Blijkens verweerders beleid wordt met betrekking tot de wegingsfactor "reden van remigratie" belang gehecht aan de omstandigheid dat de beslissing om Nederland te verlaten uit eigen vrije wil is genomen.

De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat eiseres in 1991 niet uit eigen vrije wil heeft besloten om Nederland te verlaten om in Marokko in het huwelijk te treden. Dit kan worden afgeleid uit de door eiseres in dit verband naar voren gebrachte (onweersproken) verklaringen. Volgens die verklaringen is eiseres immers samen met haar ouders voor een vakantie naar Marokko vertrokken en werd zij eerst bij aankomst in Marokko geconfronteerd met het voornemen van haar vader om haar uit te huwelijken. Voorts is zij na haar verloving in Marokko door haar ouders achtergelaten. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom op deze stellingen geen acht is geslagen. De vaststelling dat eiseres ten tijde van haar vertrek uit Nederland 21 jaar oud was en dat zij op dat moment geen schoolopleiding volgde of arbeid in loondienst verrichtte kunnen in dit verband niet als voldoende motivering dienen, omdat deze factoren niets te maken hebben met de reden van remigratie.

Blijkens het bestreden besluit hecht verweerder bij de wegingsfactor "reden van remigratie" in het onderhavige geval ook gewicht aan de omstandigheid dat sprake zou zijn van (verder) vrijwillig verblijf in het land van herkomst. De rechtbank stelt vast dat dit criterium in verweerders beleid zoals neergelegd in B21/5 van de Vc 1994 niet is opgenomen. Uit het beleid blijkt evenmin dat bij de belangenafweging ten aanzien van de "reden van remigratie" naast de reden van vertrek zelfstandige betekenis moet worden toegekend aan het verblijf volgend op het vertrek en de al dan niet vrijwilligheid van dit verblijf. In het bestreden besluit is niet gemotiveerd hoe verweerders conclusie dat een gedwongen vertrek er nog niet toe hoeft te leiden dat tevens sprake is van onvrijwillig verblijf past in verweerders beleid. Overigens geven de stellingen van eiseres geen aanleiding voor het oordeel dat uit het feit dat eiseres pas in 1997 uit Marokko is vertrokken, ondanks het niet vrijwillige besluit in 1991 om Nederland te verlaten, zou kunnen worden afgeleid dat daarna sprake zou zijn geweest van een vrijwillig verblijf in Marokko. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dat verband de omstandigheid dat eiseres al in 1994 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf heeft ingediend, welke is afgewezen, alsmede de omstandigheid dat eiseres in 1997 zonder visum Nederland is ingereisd, onvoldoende zorgvuldig in de belangenafweging betrokken.

10. Bij de wegingsfactor "duur van verblijf" is in het beleid neergelegd dat de duur van het verblijf in Nederland op minimaal vijf jaar is gesteld. Indien de vreemdeling langer dan deze periode legaal in Nederland heeft verbleven, wordt eerder

aangenomen dat er sterke banden zijn met Nederland. Daar staat echter tegenover dat hoe langer het verblijf in het land van herkomst heeft geduurd voor de (eerste) komst naar Nederland en na het vertrek uit Nederland, het moeilijker zal zijn om

aannemelijk te maken dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst.

De rechtbank stelt vast dat eiseres elf jaren legaal in Nederland heeft verbleven voordat zij in 1991 naar Marokko is vertrokken, zodat gezien het vorenstaande in de onderhavige zaak aangenomen moet dat er sterke banden zijn met Nederland. Daar tegenover staat dat eiseres voor haar komst naar Nederland in 1980 zo'n tien jaar in Marokko heeft verbleven en dat eiseres sinds 1991 zo'n zes jaar (onvrijwillig) in Marokko heeft verbleven.

Het vorenstaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de onderhavige zaak onaannemelijk moet worden geacht dat de banden van eiseres met Nederland sterker zouden zijn dan de banden van eiseres met Marokko. De rechtbank acht hierbij van belang dat in het onderhavige geval uit de periode van meer dan 6 jaar die eiseres sinds 1991 in Marokko heeft verbleven, niet kan worden afgeleid dat de banden van eiseres met Marokko sterker zouden zijn dan de banden van eiseres met Nederland. Eiseres trachtte immers al in 1994 op legale wijze naar Nederland te komen en is in 1997 zonder een visum Nederland ingereisd. Deze omstandigheden duiden niet op een sterke band met Marokko. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit nader op dit punt moeten ingaan.

10. Met betrekking tot de wegingscriteria schoolopleiding, opgedane werkervaring en kennis van de Nederlandse taal, is niet in geschil dat eiseres de Nederlandse taal beheerst, in Nederland een schoolopleiding heeft gevolgd en dat zij in Nederland geen werkervaring heeft opgedaan.

11. Gezien het vorenstaande is het bestreden besluit genomen in strijd met het in artikel 7:12 Awb opgenomen motiveringsbeginsel, alsmede met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb. Dit leidt er toe dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit vernietigd zal worden.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op fl. 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

13. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom alsvolgt.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1420,- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2001, door

mr. E.H. de Jong-van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Bizot, griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te tekenen.

Afschrift verzonden op: 24 juli 2001

Conc: HB

Coll:

Bp: -

D: B