Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4962

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2001
Datum publicatie
01-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/9461
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Khad / artikel IF VSV.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht artikel 1F, aanhef en sub a van het Vluchtelingenverdrag aan eiser, een Afghaan, heeft tegengeworpen. Eiser heeft in de hoedanigheid van medewerker van de politie meegewerkt aan het overdragen van politieke opposanten aan de veiligheidsdienst Khad. De omstandigheden dat eiser niet primair was belast met het opsporen van politieke opposanten, maar met het bestrijden van commune criminaliteit, dat hij zelf geen arrestanten heeft mishandeld of laten mishandelen en dat hij niet persoonlijk contact onderhield met de Khad doet aan het vorenstaande niet af. Doorslaggevend is dat eiser in zijn werk heeft meegewerkt aan het overdragen van politieke opposanten aan de Khad en dat hij, mede gelet op zijn rang en functie, ermee bekend moet zijn geweest dat de Khad stelselmatig arrestanten martelde. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/289
RV20010005 met annotatie van Battjes H. Hemme
RV20020005 met annotatie van Battjes H. Hemme
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

j° artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/9461 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1967, van Afghaanse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.J. van Buren-Buijs, advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser verblijft sedert 5 december 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op

7 december 1997 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend alsmede een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 23 december 1998 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege de kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard niet ingewilligd. Voorts is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met een geldigheidsduur van 7 december 1997 tot (onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur) 7 december 1999. Bij bezwaarschrift van 19 januari 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover daarbij zijn aanvragen niet zijn ingewilligd. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 16 februari 1999 en aangevuld bij brieven van 9 maart 1999, 6 april 1999, 29 juli 1999, 18 oktober 1999, 9 februari 2000, 29 maart 2000 en 7 juni 2000. De geldigheidsduur van de aan eiser verleende vvtv is laatstelijk verlengd tot 7 december 2000, waarna eiser in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Op 8 december 2000 is eiser gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV). Het bezwaar is bij besluit van 9 februari 2001 ongegrond verklaard. Voorts is bij besluit van 9 februari 2001 de aan eiser verleende vergunning tot verblijf ingetrokken. Tegen de beslissing van 9 februari 2000 heeft eiser bij bezwaarschrift van 6 maart 2000 bezwaar gemaakt, voor zover daarbij de aan hem verleende verblijfsvergunning is ingetrokken.

2. Bij beroepschrift van 6 maart 2001 heeft eiser tegen dit besluit, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 3 april 2001 en aangevuld bij brief van 18 mei 2001. Op 8 mei 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 28 juni 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. TOEPASSELIJK RECHT

Het bestreden besluit dateert van 9 februari 2000, en is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495). Het besluit is gebaseerd op de Vw 1965 (Wet van 13 januari 1965, Stb. 1965, 40) en aanverwante regelingen. Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit de Vw 1965 (Vw) en aanverwante regelingen toegepast.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser heeft het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Hij behoort tot de Pashtun bevolkingsgroep. Hij was sedert 1984 lid van de communistische partij Democratische Volkspartij Afghanistan (DVA). Sedert 6 december 1985 tot de val van Najibullah is eiser werkzaam geweest bij de politie, die ressorteerde onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1987 is zijn vader gegijzeld en gedood door leden van de Hizb-i-Islami nadat eiser geen gehoor had gegeven aan een oproep om een gearresteerd lid van de Hizb-i-Islami vrij te laten. In 1988 werd eiser overgeplaatst naar de provincie Konar, alwaar hij in de plaats Asadabad werkzaam was. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als plaatsvervangend hoofd van de afdeling criminaliteit. Voordien was eiser hoofdrechercheur bij de afdeling controle. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest in Jalalabad. Eiser behaalde de rang van kapiteinmajoor. Hij was mede belast met het opsporen van verdachten van commune delicten of van activiteiten tegen de regering. Het onderzoeken van terroristische activiteiten behoorde niet tot de taak van zijn bureau. Deze taak behoorde toe aan de staatsveiligheidsdienst en het hoofd van de provincie. Hij heeft nimmer mensen mishandeld of gedood. Eiser stelde een dossier op voor verder onderzoek, waarna de verdachten op een andere afdeling verder werden ondervraagd. Dossiers van personen die actief waren tegen de regering werden doorgestuurd naar de Khad. Eiser heeft zelf nooit persoonlijk contact gehad met de Khad en hij is nimmer werkzaam geweest voor de Khad. Het hoofd van de politie had wel contact met de Khad. De verhouding tussen de politie en de Khad was volgens eiser zeer slecht.

Eiser was voorts van 1986 tot 1992 als partijsecretaris op zijn werk belast met het verzamelen van bewijs tegen verraders binnen de partij. Indien er verdachte verraders waren moest eiser bewijzen verzamelen, waarna de verdachte werd overgedragen aan de daarvoor bestemde organen, die ressorteerden onder de Ministeries van Binnenlandse Zaken, Staatsveiligheid en Defensie. Hij heeft binnen de DVA nooit met verraders te maken gehad.

Na de val van Najibullah in april 1992 heeft eiser geleefd van de opbrengst van minibussen die tussen Jalalabad en Kabul reden. Op 28 september 1992 werd eiser omwille van zijn partijlidmaatschap en arbeidsverleden gearresteerd door aanhangers van Massoud. Tijdens de coup van Dostum is eiser op 31 december 1993 ontsnapt. Begin 1994 is eiser wederom gearresteerd. Door de komst van de Taliban kon eiser in september 1996 wederom ontsnappen.

Op 22 november 1997 is zijn echtgenote door de Taliban om het leven gebracht toen leden van de Taliban een handgranaat in zijn woning wierpen. Eiser kon ongedeerd ontkomen. Op 24 november 1997 is eiser te voet en illegaal naar Pakistan gegaan. Vervolgens is hij per vliegtuig met het paspoort van een ander naar Nederland gereisd. Thans kampt eiser met psychische problemen waarvoor hij in Nederland onder behandeling is middels medicatie.

2. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit en onder verwijzing naar het advies van de ACV op het standpunt dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser misdrijven tegen de menselijkheid heeft begaan in de zin van artikel 1 F, aanhef en onder a van het Vluchtelingenverdrag. Eiser kan individueel verantwoordelijk worden gehouden voor de mensenrechtenschendingen die door de Khad zijn begaan ten aanzien van de verdachten waarbij de politie de Khad heeft ingeschakeld. Eiser is een loyaal medewerker geweest van de politie en hij heeft moeten weten dat mensenrechtenschendingen bij de Khad hebben plaatsgevonden, alwaar systematisch werd gemarteld. Van belang is hierbij dat eiser heeft verklaard dat personen die verdacht werden van antiregeringsgezinde activiteiten werden doorgestuurd naar de Khad. Eiser heeft mensenrechtenschendingen die bij de Khad hebben plaatsgevonden ten aanzien van de verdachten die door zijn afdeling bij de politie zijn overgedragen aan de Khad in de periode van 1985 tot 1992 direct gefaciliteerd.

Voorts is eiser als partijsecretaris belast geweest met het verzamelen van bewijzen tegen verraders. Eisers verklaring dat hij nooit heeft meegemaakt dat er verraders werden aangetroffen wordt niet aannemelijk geacht.

Ten aanzien van het bezwaar voor zover dit zich richt tegen de niet-verlening van een vergunning tot verblijf wordt in het bestreden besluit overwogen dat eiser geen belang heeft bij dit bezwaar, aangezien hij reeds een verblijfsvergunning heeft. Mitsdien wordt dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en behoeft de gezondheidssituatie en de vraag of er sprake is van een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen bespreking.

In het verweerschrift heeft verweerder nog aangevoerd dat het niet vereist is dat eiser de misdrijven als bedoeld in artikel 1 F aanhef en onder a persoonlijk heeft begaan. In reactie op eisers stelling dat niet is gesteld dat eisers dienstonderdeel misdrijven als voren bedoeld heeft begaan overweegt verweerder, onder verwijzing naar een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 december 1999, dat het justitiële vervolgingsapparaat waarvan eiser deel uit maakte in de periode 1979-1992 voor wat betreft de vervolging van commune delicten niet voldeed aan de minimumeisen zoals vastgelegd in de internationale mensenrechtenverdragen. Tijdens ondervragingen vonden mishandelingen plaats, verdachten werden lange tijd zonder aanklacht vastgehouden en niet altijd kon gebruik worden gemaakt van een advocaat en beroepsmogelijkheden. De omstandigheden in de gevangenissen waren slecht. Blijkens een individueel ambtsbericht in een andere zaak werden politieke opposanten meestal zonder overlegging van arrestatiebevelen op (extreem) gewelddadige wijze gearresteerd waarbij zich verzettende arrestanten hardhandig werden afgeranseld. Tijdens het voorarrest werd systematisch gemarteld. Het was niet ongewoon dat politieke opposanten van het regime reeds tijdens hun arrestatie werden doodgeschoten door leden van de arrestatie-eenheid. Mitsdien kan niet worden volgehouden dat eisers dienstonderdeel zich niet schuldig heeft gemaakt aan misdaden in de zin van artikel 1 F.

Daarnaast is van belang dat eiser persoonlijk en zijn afdeling in het algemeen actief betrokken is geweest bij de opsporing van politieke tegenstanders, waarna deze werden overgedragen aan de Khad. Eiser heeft immers herhaaldelijk verklaard dat hij zich bezighield met het opsporen van politieke tegenstanders, die werden overgedragen aan de Khad. Ook uit het individuele ambtsbericht van 21 december 1999 blijkt dat een verdachte van een commuun delict werd overgedragen aan de Khad zodra de verdachte werd verdacht van politieke of antiregeringsgezinde activiteiten. Zowel in zijn functie bij de politie als in zijn functie als partijsecretaris van de DVA was eiser betrokken bij het opsporen van politieke tegenstanders en verraders, waarna deze werden overgedragen aan de Khad.

Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding om eiser middels verlening van een verblijfsvergunning verblijf toe te staan nu het algemeen belang zich daartegen verzet. Onder verwijzing naar de uitspraak van 11 september 1997 (Jub 1997 16 - 3) van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser aan een mogelijke schending van artikel 3 van het Europees Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen aanspraak op een verblijfstitel kan worden ontleend.

3. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat hem artikel 1 F sub a van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen. Hierbij voert eiser aan dat hij zelf geen misdrijven heeft begaan die onder dit artikel kunnen worden gebracht en dat hem niet is tegengeworpen dat de politieafdeling waar hij werkzaam is geweest mensenrechtenschendingen heeft begaan. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij nimmer wist dat er mensenrechtenschendingen plaatsvonden bij de Khad en dat hij ook nimmer heeft verklaard dat dit gebeurde. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij belast was met het opsporen van verdachten van commune delicten en dat hij geen contact had met de Khad. Mitsdien kan hij er niet van worden beticht dat hij door de Khad begane mensenrechtenschendingen heeft gefaciliteerd.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 1F aanhef en sub a van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) zijn de in het Vluchtelingenverdrag neergelegde bepalingen niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen.

3. Ter beoordeling staat de vraag of verweerders conclusie gerechtvaardigd is dat eiser zich als werknemer van de Afghaanse politie schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 1 F, aanhef en onder a bedoelde misdrijven en dat het Verdrag derhalve niet op hem van toepassing is. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van die vraag de bepaling van artikel 1 F van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd.

4. In het licht van het voorgaande is van belang of er naar aanleiding van hetgeen eiser gedurende zijn asielprocedure heeft aangevoerd, ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat er concrete aanwijzingen bestaan die de conclusie rechtvaardigen dat hij (mede) verantwoordelijk is voor misdrijven als bedoeld in artikel 1 F onder a van het Vluchtelingenverdrag.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht in het bestreden besluit heeft geconcludeerd dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser door zijn werk als medewerker van de Afghaanse politie in de periode van december 1985 tot april 1992 misdrijven heeft begaan als bedoeld in artikel 1 F, aanhef en onder a van het Verdrag. Hierbij is het navolgende van belang.

6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij niet belast was met het opsporen, arresteren en (laten) vervolgen van politieke opposanten, maar dat hij zich bezighield met verdachten van het begaan van commune delicten. Evenwel blijkt uit de diverse gehoren die met eiser zijn gehouden dat uit de door hem gegeven omschrijving van zijn feitelijke werkzaamheden wel is gebleken dat eiser politieke opposanten heeft verhoord en dat hij deze personen heeft doorgestuurd naar de Khad. Zo heeft eiser in het aanvullend nader gehoor dat op 20 november 1998 plaats vond, verklaard dat hij mensen heeft ondervraagd die actief waren tegen de regering, dat hij hiervan een proces-verbaal opmaakte en dat hij de zaken van deze personen doorstuurde naar de Khad, nadat hij daarvoor toestemming had verkregen van zijn commandant.

Deze verklaring is weliswaar in de correcties op dit gehoor van 23 december 1998 gewijzigd in die zin dat eisers werkzaamheden uitsluitend betrekking zouden hebben op strafrechtelijke criminelen, maar hierbij is niet verhelderd waarom deze gewijzigde verklaring de juiste zou zijn en/of hoe het komt dat eiser klaarblijkelijk in het nader gehoor van 20 november 1998 een andere verklaring heeft afgelegd. Mitsdien kan uit de correcties van 23 december 1998 niet, althans niet zonder meer, worden geconcludeerd dat eiser niet kan worden gehouden aan hetgeen hij op 20 november 1998 heeft verklaard.

Voorts is van belang dat eiser in het aanvullende nader gehoor van 15 november 1999 heeft verklaard dat hij politieke tegenstanders na arrestatie onderwierp aan een eerste verhoor, tenzij het dossier volledig was, en dat deze personen werden overgedragen aan de afdeling onderzoek van het Ministerie van Staatsveiligheid. Eiser heeft voorts verklaard dat hij betrokken was bij het vooronderzoek van terroristen en tegenstanders en dat verdachten van een terroristisch misdrijf aan de Khad werden overgedragen.

Op dit gehoor zijn op 17 december 1999 correcties en aanvullingen ingebracht. Hierbij is niet verklaard dat voornoemde verklaringen uit het gehoor van 15 november 1999 niet correct zijn.

Eiser heeft voorts op 8 december 2000 ten overstaan van de ACV verklaard dat hij terroristische activiteiten via zijn commandant aan de Khad heeft gemeld.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht uit de verklaringen van eiser heeft geconcludeerd dat eiser personen die verdacht waren van politieke activiteiten heeft overgedragen aan de Khad, dan wel dat hij door zijn werkzaamheden een bijdrage heeft geleverd aan het opsporen en overdragen van politieke verdachten van de politie aan de Khad.

7. Voorts heeft eiser in beroep aangevoerd dat hij zelf geen contact onderhield met de Khad en dat hij, mede gelet op de geringe hoogte van zijn functie, niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen bij de Khad voorviel en voor de werkrelatie die de politie met de Khad onderhield. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij persoonlijk evenmin deze misdrijven heeft begaan.

De rechtbank is ten aanzien van deze stellingen van oordeel dat uit de verklaringen van eiser is gebleken dat hij politieke opposanten heeft aangeleverd aan de Khad, en dat hij mitsdien een bijdrage heeft geleverd aan de schendingen van mensenrechten die bij en door de Khad systematisch plaatsvonden. Het verweer dat eiser zelf geen mensenrechtenschendingen beging en dat hij zelf geen contact had met de Khad doet aan het vorenstaande niet af. Hierbij is van belang dat het niet, zoals eiser stelt, vereist is dat hij zelf deze schendingen begaat. Ook indien eiser werkzaamheden verricht die mensenrechtenschendingen van een andere organisatie -in dit geval de veiligheidsdienst Khad- faciliteert, kan onder omstandigheden worden geconcludeerd dat eiser mensenrechtenschendingen heeft begaan. In dit geval en in dit verband heeft verweerder terecht in het verweerschrift verwezen naar hetgeen de UNHCR over de toepassing van meergenoemd artikel 1 F heeft verklaard. Zo blijkt dat ook de UNHCR, die primair verantwoordelijk is voor een correcte toepassing en naleving van het Vluchtelingenverdrag, in paragraaf 41 van de "Guidelines on the Application of the Exclusion clauses" van 2 december 1996 niet verlangt dat eiser zelf de schendingen heeft begaan. Hetzelfde standpunt blijkt ook uit paragraaf 15 van de op 30 mei 1997 gedateerde "Note on the Exclusion Clauses van het Standing Committe" van de UNHCR. Verweerder heeft het vorenstaande ook beleidsmatig neergelegd in een brief van 28 november 1997 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De rechtbank concludeert dan ook dat niet is vereist dat eiser zelf mensenrechtenschendingen heeft begaan en dat evenmin is vereist dat de politie zelf deze schendingen heeft begaan. Van belang is in casu dat de politie in zijn algemeenheid, en eiser in het bijzonder, medewerking heeft verleend aan de Khad door het (laten) arresteren, (laten) verhoren en (laten) overbrengen van politieke opposanten aan de Khad. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser, die laatstelijk de rang van kapiteinmajoor bekleedde, langdurig bij de politie werkzaam is geweest en bij de politie een leidinggevende positie heeft bereikt, zich er niet op beroepen dat hij omwille van zijn geringe positie niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de medewerking tussen de politie en de Khad, temeer nu uit eisers verklaringen is gebleken dat eiser willens en wetens heeft samengewerkt met de Khad en dat hij er zelf voor heeft gekozen om bij de politie te gaan werken, alwaar hij is gebleven totdat hij door de val van Najibullah zijn werk verloor.

8. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij geen zicht had op hetgeen bij de Khad voorviel en dat hij weliswaar niet uitsluit dat er mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden bij de Khad, maar dat hij dit niet wist toen hij bij de politie werkzaam was. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze stelling niet aannemelijk is. Hierbij is van belang dat het ook vóór de val van Najibullah en met name in Afghanistan algemeen bekend was dat de Khad buitengewoon hardhandig optrad, dat gearresteerde politieke opposanten veelvuldig werden gemarteld en dat vele gearresteerden zonder enige vorm van proces om het leven zijn gebracht. Geenszins valt in te zien waarom eiser hiermee niet bekend zou zijn, temeer nu hij in overheidsdienst werkzaam was en hij binnen de politie een officiersrang bekleedde. De rechtbank wijst in dit verband nog in het bijzonder naar het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000, waarin uitgebreid is weergegeven dat en hoe arrestanten en gevangenen systematisch werden gemarteld door de Afghaanse veiligheidsdiensten. Hierbij is mede gelet op de omstandigheid dat uit dit ambtsbericht blijkt dat het de expliciete bedoeling was van de Khad en de Wad (de nieuwe benaming voor de Khad na januari 1986) om met hun nietsontziende en veelal willekeurige optreden bewust een klimaat van terreur te creëren dat tot doel had elk verzet onder de burgerbevolking tegen het communistische regime bij voorbaat in de kiem te smoren. Voorts is van belang dat uit dit ambtsbericht blijkt dat de onderscheidenlijke veiligheidsdiensten ongeveer 200 000 mensen hebben gearresteerd, waarvan ongeveer 50 000 het leven lieten, zodat eisers stelling dat hij niet wist dat de Khad mensenrechten schond terecht door verweerder als niet geloofwaardig is betiteld.

9. Gelet op al het hiervoor overwogene behoeft verweerders stelling dat voornoemd artikel 1 F, aanhef en sub a hem ook kan worden tegengeworpen omwille van eisers activiteiten als partijsecretaris van de DVA geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor de door verweerder in het verweerschrift ingenomen stelling dat ook de politie zelf in Afghanistan in strijd handelt met voornoemd artikel.

10. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing zijn op eiser en dat eiser om die reden niet in aanmerking komt voor toelating als vluchteling.

11. Voorts is de rechtbank met verweerder en op de door verweerder in het verweerschrift

aangevoerde gronden van oordeel dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf aangezien aan eiser artikel 1 F, aanhef en sub a van het Verdrag kan worden tegengeworpen.

In dit verband is van belang dat verweerder in voornoemde brief van 28 november 1997 een beleid heeft neergelegd en onderbouwd, dat inhoudt dat aan personen aan wie artikel 1 F wordt tegengeworpen, evenmin een verblijfsvergunning omwille van klemmende redenen van humanitaire aard wordt verleend. De rechtbank is, onder verwijzing naar voornoemde brief en de uitspraak van de REK van 11 september 1997 (Sison III, Jub 1997 nr.16 - 1) van oordeel dat in dit uitzonderlijke geval verweerder niet is gehouden om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen, ook niet indien eiser bij uitzetting naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

12. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

13. De conclusie is dan ook dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

14. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

15. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, voorzitter, en mr. M.C. Oostendorp en

mr. T. de Lange, rechters, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2001, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Michiels van Kessenich, griffier.

De griffier is buiten staat om te tekenen.

Afschrift verzonden op: 25 juli 2001