Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4876

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
29-10-2001
Zaaknummer
09/753223-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De officier van justitie mr. Horstman heeft gepersisteerd bij haar vordering ter terechtzitting van 10 juli 2001, te weten dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753223-00

's-Gravenhage, 26 oktober 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

Verdachte

geboren 1965 te Leiden,

thans gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen, Huis van Bewaring unit 1, te ‘s-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 februari 2001, 24 april 2001, 10 juli 2001 en 12 oktober 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr. A.P. Visser, advocaat te ‘s-Gravenhage, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Horstman heeft gepersisteerd bij haar vordering ter terechtzitting van 10 juli 2001, te weten dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts, eveneens conform haar vordering van 10 juli 2001, gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een door de rechtbank omgenummerde fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen jas, telefoonkaart, potloden en het C-1000 kaartje, zullen worden teruggegeven aan verdachte, en dat de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen handschoenen, het elektriciteitssnoer, het Hema-mes, het hobbymes en het tapeband zullen worden verbeurdverklaard.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat de gevonden sporen, zoals bijvoorbeeld het elektriciteitssnoer, de handschoenen en tapeband, de mogelijkheid openlaten dat verdachte, toen hij bij het slachtoffer op bezoek ging, een ander plan voor ogen stond dan het om het leven brengen van het slachtoffer. Te denken valt daarbij in het bijzonder aan een mogelijk voornemen tot het plegen van seksuele- en/of geweldshandelingen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding subsidiair vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van het bewijsmateriaal.

De raadsman heeft aangevoerd, zoals nader toegelicht in zijn ter terechtzitting van 10 juli 2001 overgelegde pleitnotities en zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2001 op de pagina’s 12 en 13, verkort en zakelijk weergegeven, dat het bewijs dat op basis van DNA-onderzoek tot stand is gekomen, onrechtmatig is verkregen. De raadsman heeft daarbij onder meer verwezen naar nieuwe wetgeving met betrekking tot de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte is op grond van een bevel eerst gedurende enige tijd onder observatie genomen. Geobserveerd werd dat hij een bekertje, waaruit hij had gedronken, op straat weggooide, welk bekertje is veiliggesteld. Vervolgens is verdachte aangehouden terzake van een winkeldiefstal. Twee glazen bekers waaruit verdachte heeft gedronken op het politiebureau zijn veiliggesteld. In opdracht van de rechter-commissaris heeft DNA-onderzoek plaatsgevonden op het plastic bekertje en op de twee glazen bekers. Later is DNA-onderzoek verricht op van verdachte afgenomen celmateriaal en is ook nog een contra-expertise verricht.

Nog daargelaten of de op handen zijnde nieuwe wetgeving met betrekking tot de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken deze gang van zaken zou uitsluiten, is de rechtbank van oordeel dat de gang van zaken dient te worden bezien in het licht van het ten tijde van het verkrijgen van verdachtes DNA-materiaal en het onderzoek daarnaar geldende recht.

Gelet op de beschikking van de Hoge Raad van 29 juni 1999, NJ 2000, nummer 10, is de rechtbank van oordeel dat in casu niet onrechtmatig jegens verdachte is gehandeld en dat het bewijs dat op basis van DNA-onderzoek tot stand is gekomen, niet onrechtmatig is verkregen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het onderzoek op het van de bekers verkregen DNA-materiaal is geschied in opdracht van de rechter-commissaris en dat de betrouwbaarheid van de uitslag bovendien niet ter discussie kan staan, nu daarnaast DNA-onderzoek van het bloed van verdachte heeft plaatsgevonden en voorts op verzoek van de verdachte een contra-expertise is verricht. Bij al deze onderzoeken was het resultaat postitief.

Bewijsverweer.

De raadsman heeft aangevoerd, zoals nader toegelicht in zijn ter terechtzitting van 10 juli 2001 overgelegde pleitnotities, verkort en zakelijk weergegeven, dat mogelijk een ander, te weten een zekere “Hans”, op 13 februari 1998 in de woning van het slachtoffer is geweest en haar om het leven heeft gebracht.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De lezing dat een ander dan verdachte op 13 februari 1998 op het tijdstip van het overlijden van het slachtoffer in de woning van het slachtoffer aanwezig was en haar om het leven heeft gebracht, is in het licht van verdachtes bij herhaling wisselende verklaringen niet aannemelijk geworden, mede gelet op de omstandigheid dat in de woning van het slachtoffer en op/aan het lichaam van het slachtoffer geen DNA materiaal is aangetroffen van een onbekend gebleven persoon.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Verzoek tot contra-expertise

Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 juli 2001 -naar aanleiding van het voorhouden van het psychiatrisch en psychologisch rapport d.d. 2 juli 2001 van J.H. Scheffer en F.W. Schalkwijk, respectievelijk zenuwarts en psycholoog bij het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, over hem- een verzoek gedaan tot het doen verrichten van een contra-experise.

De rechtbank overweegt het volgende:

Verdachte kon zich ter terechtzitting van 10 juli 2001 vinden in de conclusie van het rapport ten aanzien van het niet adviseren tot oplegging van tbs.

Bovengenoemde deskundigen zijn bovendien ter terechtzitting van 12 oktober 2001 gehoord, waarbij verdachte in de gelegenheid is gesteld om vragen te stellen aan deze deskundigen en opmerkingen te maken naar aanleiding van hun verklaringen. Verdachte heeft, nadat alle deskundigen waren gehoord, opgemerkt dat hij niet kon aangeven in hoeverre nader onderzoek op dit vlak zin zou hebben.

Verdachte heeft toegelicht dat zijn bezwaren zich richten tegen de rapportages omtrent observaties in het Pieter Baan Centrum en tegen de zijns inziens onjuiste weergave van gesprekken, maar niet tegen de conclusies van de deskundigen. Onder deze omstandigheden moet geoordeeld worden dat verdachte door het achterwege blijven van een contra-expertise redelijkerwijs niet geacht kan worden in zijn belangen te worden geschaad, zodat het verzoek reeds op die grond wordt afgewezen.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft opzettelijk het slachtoffer, met wie hij op 13 februari 1998 de dag heeft doorgebracht, door middel van verstikking om het leven gebracht. Daarmee heeft hij haar het meest kostbare dat een mens bezit, te weten het leven, ontnomen.

Het slachtoffer bleek een ernstige snijwond aan haar hand te hebben. Voorts klonk zij, toen zij in de namiddag door een vriend werd opgebeld, zodanig dat deze vriend daaruit opmaakte dat er iets niet goed zat en gaf zij aan dat er iemand bij haar was.

Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen de nabestaanden van het slachtoffer verdriet aangedaan, maar hij heeft daarmee tevens de rechtsorde geschokt. Verdachte heeft met zijn handelen voorts blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van anderen. Dit heeft zich ook gemanifesteerd in het afleggen van voortdurend wisselende verklaringen, waardoor de nabestaanden van het slachtoffer nog immer in onzekerheid verkeren over hetgeen zich op 13 februari 1998 in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4a, te weten twee handboeien, onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1a, 1b, 2a, 2b, 3, 4b, 5a, 5b, 6 en 7 te weten een jas, een telefoonkaart, twee handschoenen, het elektriciteitssnoer, het Hema-mes, potloden, het hobbymes, het C-1000 kaartje en het tapeband.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 36b, 36d, 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding subsidiair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Subsidiair: Doodslag;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van ELF (11) JAREN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 27 oktober 2000,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 30 oktober 2000;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit proces-verbaal gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4a, te weten twee handboeien;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit proces-verbaal gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1a, 1b, 2a, 2b, 3, 4b, 5a, 5b, 6 en 7 te weten een jas, een telefoonkaart, twee handschoenen, het elektriciteitssnoer, het Hema-mes, potloden, het hobbymes, het C-1000 kaartje en het tapeband;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

Mrs. Verheij, voorzitter,

Veenendaal en Valk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van der Putten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 oktober 2001.