Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4855

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
26-10-2001
Zaaknummer
KG 01/1219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 287

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - President

Vonnis in kort geding van 26 oktober 2001,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 01/1219 van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid de Vereniging van Juristen voor de Vrede,

gevestigd te Utrecht,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid de politieke partij De Groenen,

gevestigd te Utrecht,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Vrouwen voor Vrede,

gevestigd te Amersfoort,

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Haags Vredesplatform,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

5. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid De Nieuwe Communistische Partij,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

procureur mr. J. Groen,

advocaat mr. E.Th. Hummels te Zeist,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Algemene Zaken, Ministerie van Defensie en Ministerie van Buitenlandse Zaken),

zetelend te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. G.J.H. Houtzagers.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 oktober 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Op 11 september 2001 zijn de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) door een terreuraanval (hierna: de aanslag) getroffen. Door die aanslag zijn duizenden burgers het slachtoffer geworden en is er grote materiële schade aangericht.

Naar aanleiding van de aanslag heeft de Veiligheidsraad op 12 september 2001 resolutie 1368 (2001) en op 28 september 2001 resolutie 1373 (2001) aangenomen. In beide resoluties heeft de Veiligheidsraad het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging zoals bepaald in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties (hierna: het Handvest en: de VN) erkend, respectievelijk herbevestigd.

De VS wijzen Osama bin Laden (hierna: Bin Laden) aan als degene in wiens opdracht de aanslag is gepleegd. Bin Laden is leider van de Al-Qaeda beweging. Bin Laden en een deel van de Al-Qaeda beweging (waaronder trainingskampen) bevinden zich in Afghanistan. Het Taliban regime (hierna: de Taliban) in Afghanistan steunt de Al-Qaeda beweging.

Op 20 september 2001 hebben de VS de Taliban een aantal eisen

gesteld te weten:

het sluiten van terroristische opleidingskampen;

het overdragen van de leiders van de Al-Qaeda beweging;

het vrijlaten van gegijzelde Westerse hulpverleners.

De Taliban heeft die eisen niet ingewilligd.

Op 7 oktober 2001 zijn de VS en het Verenigd Koninkrijk begonnen met militaire acties tegen militaire installaties van de Taliban en trainingskampen van de Al-Qaeda beweging in Afghanistan (hierna: de militaire acties).

Bij brieven van 7 oktober 2001 hebben de VS en het Verenigd Koninkrijk de voorzitter van de Veiligheidsraad op de hoogte gesteld van de militaire acties.

Op 8 oktober 2001 heeft de secretaris-generaal van de VN een officiële verklaring afgelegd in verband met de militaire acties. In die verklaring heeft de secretaris-generaal onder meer als volgt meegedeeld:

“Immediately after the 11 September attacks on the United States, the Security Council expressed its determination to combat, by all means, threats to international peace and security caused by terrorists acts. The Council also reaffirmed the inherent right of individual or collective self-defence in accordance with the Charter of the United Nations. The States concerned have set their current military action in Afghanistan in that context.”

Op 8 oktober 2001 heeft de voorzitter van de Veiligheidsraad een persverklaring in verband met de militaire acties afgelegd. In die persverklaring heeft de voorzitter onder meer als volgt meegedeeld:

“The members of the Security Council took note of the letters that the representatives of the United States and of the United Kingdom sent yesterday to the President of the Security Council, in accordance with article 51 of the United Nations Charter, in which they state that the action was taken in accordance with the inherent right of individual and collective self-defence following the terrorist attacks in the United States of 11 September 2001.

The permanent representatives made it clear that the military action that commenced on 7 October was taken in self-defence and directed at terrorists and those who harboured them. (…) ”

Bij brief van 9 oktober 2001 hebben de ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking de Tweede Kamer onder meer als volgt meegedeeld:

“De regering heeft zich achter de acties geschaard op grond van het uitgangspunt dat de VS het recht hebben om te reageren op de terreuracties van 11 september jl. Nederland staat achter de VS in de strijd tegen het terrorisme.”

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseressen vorderen -zakelijk weergegeven-

gedaagde te verbieden om medewerking te verlenen aan de dreiging met of het gebruik van militair geweld door (bondgenoten van) de VS tegen personen die door de VS in verband worden gebracht met de aanslag, dan wel gedaagde te verbieden zelf dat geweld te gebruiken of daarmee te dreigen, een en ander zolang de Veiligheidsraad niet door middel van een nadere resolutie op grond van artikel 42 van het Handvest opdracht daartoe heeft verleend;

gedaagde te bevelen terstond aan de regering van (bondgenoten van) de VS, de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering en de secretaris-generaal van de VN mee te delen dat iedere dreiging met of het gebruik van militair geweld door (bondgenoten van) de VS tegen personen die door de VS in verband worden gebracht met de aanslag onverenigbaar is met het

geweldverbod, met het Handvest en met beginselen van internationaal

gewoonterecht, alsmede aan de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering

en de secretaris-generaal van de VN een ontwerp resolutie te doen

toekomen waarin die mededeling is verwoord.

Daartoe voeren eiseressen het volgende aan.

Het gebruik van gewapend geweld tegen doelen in Afghanistan is in strijd met dwingende beginselen en regels van volkenrecht en derhalve onrechtmatig. De door Nederland verleende steun aan dat gewapende geweld is in het verlengde daarvan in strijd met artikel 90 Grondwet (GW) en dus ook onrechtmatig.

Het beroep van de VS op artikel 51 Handvest gaat niet op.

Ten eerste is er in casu geen sprake van een gewapende aanval door of ten behoeve van een andere staat. Terroristische aanslagen vallen niet onder het begrip ‘agressie’ zoals omschreven in resolutie 3314, XXIX, Dec. 14, 1974 van de VN. Terroristische aanslagen zijn ook geen ‘gewapende aanval’ in de zin van artikel 51 Handvest.

Ten tweede is, in het geval de terroristische aanslag van 11 september 2001 wel als gewapende aanval gezien moet worden, de aanval niet meer gaande. Daaruit volgt dat ieder gebruik van geweld niet noodzakelijk en disproportioneel is.

Ten slotte wordt het zelfverdedigingsrecht zoals bepaald in artikel 51 Handvest gekenmerkt door het temporele karakter. De VS kon zich na 28 september 2001 niet meer op het recht op zelfverdediging beroepen, omdat de Veiligheidsraad toen de noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid had genomen. Op 28 september 2001 heeft de Veiligheidsraad immers resolutie 1373 (2001) ter uitvoering van resolutie 1368 (2001) aangenomen. Die resoluties houden niet in het uitvoeren van militaire acties tegen Afghanistan of de Taliban.

Daarbij komt dat de VS niet onmiddellijk na 11 september 2001 tot de militaire acties zijn overgegaan.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiseressen hebben ieder voor zich als doelstelling in hun statuten opgenomen het bevorderen van de wereldvrede en/of de internationale rechtsorde. Die doelstelling komt nagenoeg overeen met hetgeen is bepaald in artikel 90 GW. Vaststaat derhalve dat eiseressen zich ook bezighouden met de bevordering van hetgeen in artikel 90 GW is bepaald. Daarmee is het belang van eiseressen bij de onderhavige vordering gegeven. Dat het mogelijk een algemeen belang is waar eiseressen zich voor inzetten doet daaraan niet af. Eiseressen dienen derhalve ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.

3.2. In dit kort geding wordt ervan uitgegaan dat de grondslag van de militaire acties door de VS en het Verenigd Koninkrijk artikel 51 Handvest is. In de door de Veiligheidsraad aangenomen resoluties wordt het recht op zelfverdediging respectievelijk erkend en bevestigd. Uit de door gedaagde overgelegde verslagen van de vergaderingen van de Veiligheidsraad over die resoluties volgt dat beide resoluties unaniem door alle leden van de Veiligheidsraad zijn aangenomen. Ook in de brieven van 7 oktober 2001 van de VS en het Verenigd Koninkrijk aan de voorzitter van de Veiligheidsraad hebben beide landen vermeld dat zij “in accordance with Article 51 of the Charter of the United Nations (…) report that the United States (…)/United Kingdom of Great Britain (…) has initiated actions in the exercise of its inherent right of individual and collective self-defence following the armed attacks that were carried out against the United States on 11 September 2001. (…)” Ook uit de verklaringen afgelegd op 8 oktober 2001 door respectievelijk de secretaris-generaal van de VN en de voorzitter van de Veiligheidsraad volgt dat de militaire acties gebaseerd zijn op artikel 51 Handvest. Uit de tekst van artikel 51 Handvest, noch uit de toelichting daarop kan worden afgeleid dat er bij een beroep op artikel 51 Handvest enig verband is met artikel 42 Handvest. Dát artikel ziet op een geheel andere situatie.

3.3. Eiseressen worden niet gevolgd in hun stelling dat de aanslag niet aangemerkt kan worden als een ‘gewapende aanval’ als omschreven in artikel 51 Handvest. Niet weersproken is dat er hoogst waarschijnlijk in opdracht van Bin Laden op 11 september 2001 gewapende terroristen naar de VS zijn gestuurd. Die terroristen hebben vervolgens vliegtuigen in het luchtruim van de VS gekaapt en hebben deze vliegtuigen laten neerstorten op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington. Vele duizenden burgers zijn het slachtoffer daarvan geworden. Die handelingen hebben een omvang van (grote) betekenis gehad en zijn niet louter als een grensincident te beschouwen. Uit het arrest van 27 juni 1986 (hierna: het arrest) van het Internationaal gerechtshof (hierna: het Hof) volgt dat als díe situatie zich voordoet er sprake is van een ‘gewapende aanval’. Het Hof stelt namelijk dat het algemeen aanvaard is dat een gewapende aanval niet alleen gepleegd kan worden met reguliere strijdkrachten van een staat, maar ook door ‘substantial involvement’ daarin van die staat. Daarbij kan gedacht worden aan het sturen van gewapende bendes naar het territoir van een andere staat. Daarvoor beroept het Hof zich op de definitie van agressie zoals neergelegd in resolutie 3314 (XXIX) van de VN, meer in het bijzonder op een uitleg van artikel 3 sub g van die resolutie. Een redelijke uitleg brengt voorshands mee dat onder het begrip ‘substantial involvement’ ook begrepen wordt het verlenen van directe en/of indirecte steun door een staat aan op zijn grondgebied zich bevindende gewapende bendes, die daadwerkelijk een aanslag als de onderhavige hebben gepleegd. Daarmee valt dergelijke steunverlening door een staat gelijk te stellen aan het plegen van een daad van agressie. In tegenstelling tot hetgeen eiseressen beweren met een beroep op datzelfde arrest en diezelfde resolutie kan de aanslag dus wel aangemerkt worden als een ‘gewapende aanval’ in de zin van artikel 51 Handvest. Daarbij komt nog dat in artikel 4 van resolutie 3314 (XXIX) is bepaald dat de opsomming in artikel 3 niet limitatief is. Dan kan verder in het midden blijven of aan het begrip ‘gewapende aanval’ een ruimere uitleg gegeven kan worden dan aan het begrip ‘agressie’ als bedoeld in voornoemde resolutie. Door eiseressen is voorts niet betwist dat de VS zélf hebben verklaard te zijn aangevallen en op grond daarvan een verzoek tot bijstand aan de derde staten hebben gericht. De VS heeft derhalve ook aan de overige door het International gerechtshof in het arrest van 27 juni 1986 gestelde eisen voldaan.

3.4. De VS hebben voorts de militaire acties gemeld aan de (voorzitter van) Veiligheidsraad zoals bepaald in artikel 51 Handvest. Volgens het arrest van het Hof eist het internationaal gewoonterecht overigens een dergelijke kennisgeving niet. De Veiligheidsraad heeft op grond van die melding geen aanleiding gezien om over te gaan tot enig optreden voor de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid. De beide resoluties van september 2001 kunnen niet worden beschouwd als enige feitelijke maatregel in het kader van artikel 51 Handvest. Uit de tekst van de resoluties kan niet meer worden afgeleid dan dat de Veiligheidsraad Staten oproept samen te werken om terrorisme te voorkomen en te bestrijden.

3.5. Tegenover de betwisting door gedaagde hebben eiseressen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gewapende aanval niet meer gaande is. De resoluties van september 2001 zien ook op preventie van terroristische aanslagen. De militaire acties richten zich met name op trainings- en opleidingskampen van de Al-Qaeda beweging en op militaire installaties van de Taliban. Die acties zijn in het kader van preventie niet onredelijk te noemen, ook als daarbij betrokken worden de door eiseressen genoemde bezwaren. Temeer daar er -zoals door eiseressen is erkend- nog sprake is van een dreiging van meer terroristische aanslagen. De aanvallen zijn bovendien uitdrukkelijk niet gericht op de Afghaanse bevolking of tegen de Islam. Ook aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit van de zelfverdedigingsactie (ten opzichte van de aanslag) is derhalve voldaan.

3.6. De stelling ten slotte van eiseressen dat de VS niet onverwijld tot de militaire acties zijn over gegaan snijdt geen hout. De VS hebben immers vrijwel onmiddellijk (op 20 september 2001) na de aanslag een aantal eisen aan Afghanistan en de Taliban gesteld. Direct nadat duidelijk werd dat die eisen niet werden ingewilligd zijn de VS overgegaan tot de militaire acties.

3.7. Uit al het voorgaande volgt dat de militaire acties van de VS op grond van artikel 51 Handvest niet in strijd kunnen worden geacht te zijn met dwingende beginselen en regels van het volkenrecht. Dat brengt met zich dat de steun van gedaagde aan die acties ook niet in strijd met artikel 90 GW is. De vordering moet derhalve worden afgewezen.

3.8. Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De President:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiseressen in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op fl. 1.977,-- waarvan fl. 427,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.