Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4628

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2001
Datum publicatie
17-10-2001
Zaaknummer
09.926.034/01 09.925.713/99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is samen met een ander en met medeneming van een vuurwapen naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft, nadat het slachtoffer naar buiten was gelokt -na een woordenwisseling- met het vuurwapen gericht geschoten op het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer : 09.926.034/01

09.925.713/99 (vord.TUL.)

's-Gravenhage, 15 oktober 2001.

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

Verdachte

geboren 1956 te Paramaribo (Suriname),

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 oktober 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr. M. Bouman, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. W. Hemstede heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding onder 1.primair en 2. telastgelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij betreffende de gevorderde immateriële schade en heeft zich met betrekking tot de hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank

De officier van justitie heeft tevens geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige deel en gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Voorts heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte bij vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 1999 is veroordeeld, te weten 6 maanden gevangenisstraf.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1.primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1.subsidiair en onder 2. vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte is samen met een ander en met medeneming van een vuurwapen naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft, nadat het slachtoffer naar buiten was gelokt -na een woordenwisseling- met het vuurwapen gericht geschoten op het slachtoffer.

Het slachtoffer -en verdachte- mogen van geluk spreken dat het slachtoffer niet aan zijn verwondingen niet is overleden.

Een dergelijk handelen, notabene op de openbare weg en in aanwezigheid van derden gepleegd, versterkt de gevoelens van onveiligheid binnen de samenleving en laten -naast fysiek letsel- niet zelden blijvend psychische schade achter bij de slachtoffers.

Voorts heeft verdachte gedurende een periode -zonder daartoe te zijn gemachtigd- een vuurwapen en munitie voorhanden gehad.

Ongeoorloofd bezit van dergelijke wapens is vanwege het potentiële gevaar in strijd met het algemeen belang en moet krachtig worden tegengegaan.

Voorts heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte reeds meermalen is veroordeeld terzake van geweldsmisdrijven.

De vordering van de benadeelde partij

Slachtoffer, wonende te Delft, heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van de vordering tot schadevergoeding, groot ¦ 45.121,56.

Voorzover de vordering betrekking heeft op materiële schade, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien niet duidelijk is geworden of de benadeelde partij tegen ziektekosten is verzekerd en dit deel van de vordering derhalve niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Voorts is door de benadeelde partij immateriële schade (zogenoemd smartengeld) gevorderd.

Dit deel van de vordering is naar oordeel van de rechtbank ten dele eenvoudig van aard en vindt -naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken- rechtstreeks haar grondslag in het bij dagvaarding onder 1. aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in een deel van de vordering en zal een voorlopig begroot bedrag toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1. bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot ¦ 7500,- ten behoeve van het slachtoffer.

De vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie d.d. 10 augustus 2001 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 1999, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd, die bij voormeld vonnis was opgelegd en die eindigt op 19 oktober 2001, wederom heeft schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1.primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1.subsidiair en 2. telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van het onder 1.subsidiair bewezenverklaarde feit:

medeplegen van poging tot doodslag;

ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde feit:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 5 juli 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 6 juli 2001;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten dele toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan slachtoffer, wonende te Delft, een bedrag van ¦ 7500,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat voornoemde benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot ¦ 7500,- ten behoeve van het slachtoffer;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 1999, gewezen onder parketnummer 09.925.713/99, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs M.PJ.G. van der Putten-Göbbels, voorzitter,

A.A. Kalk en B. Schultsz, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Wagter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2001.