Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4297

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2001
Datum publicatie
09-10-2001
Zaaknummer
09.757.330-00, 09.926.547-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, in de wetenschap dat hij het huis -waarin hij bij zijn vriendin woonde- moest verlaten, die vriendin omvat en daarbij langdurig zoveel kracht uitgeoefend op haar borst en nek dat zij door verstikking is overleden. Daarmee heeft verdachte haar het meest kostbare dat zij bezat, te weten haar leven, ontnomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09.757.330-00 en

09.926.547-00

rolnummers 3 en 4

's-Gravenhage, 8 oktober 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

Verdachte,

geboren 1967 te Leiden,

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 september 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr R.A. van Dijk, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Van Nederpelt heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaardingen telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen -hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C1, aan dit vonnis is gehecht- onder verdachte inbeslaggenomen zakmes zal worden verbeurdverklaard en dat de betaalkaart zal worden terug gegeven aan Esso Kuipers.

De blijkens de Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C2, aan dit vonnis is gehecht onder verdachte inbeslaggenomen trui kan aan hem worden terug gegeven, aldus de officier van justitie.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopiën van de dagvaarding, gemerkt A1 en van de nadere omschrijving van de telastlegging, gemerkt A2 (parketnummer 09.757.330-00, verder te noemen dagvaarding I) en van de dagvaarding, gemerkt A3 (parketnummer 09.926.547-00, verder te noemen dagvaarding II).

Beroep op partiële nietigheid van de dagvaarding.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat feit 2 van dagvaarding I partieel nietig dient te worden verklaard, nu onduidelijk is op welke sieraden de telastlegging doelt.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit de door een getuige afgelegde verklaring blijkt dat hem door verdachte een dun gouden kettinkje was getoond waarvan de getuige vermoedde dat die van het slachtoffer afkomstig was. Voorts heeft de moeder van het slachtoffer verklaard dat haar dochter in het bezit was van een dun gouden kettinkje. Onder deze omstandigheden, in onderling verband bezien, was het gerechtvaardigd aan te nemen dat het sieraad afkomstig kon zijn van het slachtoffer en is het telastgelegde op dit punt voldoende feitelijk omschreven.

Ook voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder I onder 1 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1 (subsidiair) en 2 vermelde feiten en de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3 en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopiën daarvan, gemerkt B1 en B2.

Bewijsoverweging.

Verdachte heeft bij de politie verklaard, dat hij het slachtoffer gedurende geruime tijd stevig heeft omarmd, waarna zij op de grond gleed. De patholoog anatoom heeft geconcludeerd, dat het zeer aannemelijk is, dat er niet sprake is van een natuurlijke dood.

Voorts zijn op de bank waarop verdachte en het slachtoffer zaten sporen van ontlasting aangetroffen, in verband waarmee de patholoog anatoom heeft geconcludeerd, dat het meest waarschijnlijk is, dat de ontlasting het lichaam heeft verlaten op het moment waarop de verstikking tot stand is gekomen.

Gelet hierop en op de omstandigheden waaronder het slachtoffer is aangetroffen -gelegen voor de bank waarvan zij was afgegleden- is de rechtbank van oordeel dat een andere mogelijkheid dan dat verdachte het slachtoffer op de bank door verstikking om het leven heeft gebracht, volstrekt onaannemelijk is.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft, in de wetenschap dat hij het huis -waarin hij bij zijn vriendin woonde- moest verlaten, die vriendin omvat en daarbij langdurig zoveel kracht uitgeoefend op haar borst en nek dat zij door verstikking is overleden. Daarmee heeft verdachte haar het meest kostbare dat zij bezat, te weten haar leven, ontnomen.

Door het plegen van dit misdrijf is familie en vrienden van het slachtoffer onherstelbaar leed aangedaan. Tevens heeft verdachte grote maatschappelijke onrust veroorzaakt en is de rechtsorde ernstig geschokt.

De rechtbank rekent het verdachte daarenboven aan dat hij vervolgens het huis heeft verlaten zonder zich om zijn vriendin te bekommeren. Ook is verdachte nadien nog een aantal malen terug geweest in de woning waarin zijn overleden vriendin zich bevond.

Teneinde in de financiering van zijn verslaving te voorzien heeft hij goederen uit haar woning weggenomen en met de pinpas van het slachtoffer geld van haar rekening opgenomen.

Nadat die financieringsbron was uitgeput heeft hij zich schuldig gemaakt aan vier roofovervallen, waarbij hij de slachtoffers heeft bedreigd met een mes. Dergelijke diefstallen vergezeld van geweld brengen niet alleen bij de directe slachtoffers maar tevens bij omstanders en in de maatschappij in het algemeen een gevoel van onveiligheid teweeg.

Wat de persoon van verdachte betreft houdt de rechtbank rekening met het rapport d.d. 20 december 2000 van H.E.M. van Beek, psychiater te Hengelo, het rapport d.d. 12 december 2000 van L. van de Sande, psycholoog te Leiden en de brief van J.J.F.M. de Man, hoofd forensisch psychiatrische dienst te Den Haag d.d. 20 november 2000.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het rapport d.d. 8 augustus 2001 van E.H. Ameling, psycholoog en J.A.F. Peeters, zenuwarts, beiden werkzaam in het Pieter Baan Centrum te Utrecht. In het rapport wordt de conclusie getrokken dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem telast gelegde feiten weliswaar lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, doch dat deze persoonlijkheidsstoornis in de keuze- en wilsvrijheid geen rol van enige betekenis heeft gespeeld, zodat de feiten hem niettemin volledig kunnen worden toegerekend.

De rechtbank neemt die conclusie over.

Het hiervoor overwogene, alsmede de uitgebreide documentatie van verdachte en de houding van verdachte terzake van zijn steeds wisselende verklaringen bij de politie, de rechter-

commissaris alsook ter terechtzitting geeft de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen zakmes verbeurdverklaren, zijnde dit voorwerp voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van dit aan verdachte toebehorende voorwerp de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen trui.

De rechtbank zal de teruggave aan Esso Kuipers gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen betaalkaart (cheque).

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 33, 33a, 57, 287, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1 (subsidiair) en 2 telastgelegde feiten en de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

dagvaarding I feit 1 (subsidiair):

doodslag

dagvaarding I feit 2:

diefstal, meermalen gepleegd

dagvaarding II de feiten 1, 2, 3 en 4:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

ten aanzien van de feiten van dagvaarding II in verzekering gesteld op 22 oktober 2000

en in voorlopige hechtenis gesteld op 25 oktober 2000,

ten aanzien van de feiten van dagvaarding I in verzekering gesteld op 6 november 2000 en in voorlopige hechtenis gesteld op 9 november 2000;

verklaart verbeurd het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen zakmes;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen trui;

gelast de teruggave aan Esso Kuipers van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen betaalkaart (cheque);

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Quadekker, voorzitter,

Veenendaal en Schultsz, rechters,

in tegenwoordigheid van Bol,griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2001.