Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD3535

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
17-09-2001
Zaaknummer
AWB 00/10389 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

eerste kamer, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 00/10389 ZW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, eiser,

en

B, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser is op 18 oktober 1999 in dienst getreden bij Uitzendbureau Start B.V.

Via deze werkgever is hij fulltime gaan werken als magazijnmedewerker.

Op 18 november 1999 heeft eiser zich ziekgemeld. Met ingang van diezelfde datum heeft hij van verweerder (Gak Nederland b.v.) een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen.

Bij besluit van 25 mei 2000 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van 26 mei 2000 geen recht meer had op ziekengeld.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 juni 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is op 27 juni 2000 door verweerder gehoord omtrent zijn bezwaar.

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de uitkering vanaf 18 oktober 1999 blijvend geheel geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 september 2000, ingekomen bij de rechtbank op 13 september 2000 en nader aangevuld bij brieven van 12 oktober 2000 en 28 december 2000, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 3 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 februari 2000 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.H.H. Fuchs, advocaat te 's- Gravenhage. Verweerder is, na kennisgeving hiervan, niet verschenen.

Motivering

Ingevolge artikel 19 ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid recht op ziekengeld. Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van dit artikel besloten dat eiser met ingang van 26 mei 2000 geen recht meer heeft op ziekengeld daar hij op en na die datum niet meer ongeschikt was tot het verrichten van zijn eigen werk.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat hij zich ook na 26 mei 2000 niet in staat achtte tot het verrichten van zijn werk als magazijnmedewerker.

Bij beslissing op bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en is het ziekengeld alsnog blijvend geheel geweigerd met ingang van 18 oktober 1999. (De rechtbank neemt aan dat verweerder hier heeft bedoeld te schrijven 18 november 1999, daar eiser vanaf die datum ziekengeld heeft aangevraagd en ontvangen.) Deze blijvend gehele weigering is gebaseerd op artikel 44 ZW waarin is bepaald dat verweerder bevoegd is de uitkering van ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren indien de ongeschiktheid tot werken

1. bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam of

2. binnen een half jaar na het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, is ingetreden terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van de ongeschiktheid tot werken binnen en half jaar kennelijk moest doen verwachten.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 7:11, eerste lid, Awb, waarin is bepaald dat een heroverweging dient plaats te vinden op de grondslag van het bezwaar.

In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 19 ZW geen recht op ziekengeld meer bestond. In bezwaar heeft eiser gesteld nog steeds arbeidsongeschikt te zijn voor zijn eigen werk. In het bestreden besluit heeft verweerder het ziekengeld op grond van artikel 44 ZW blijvend geheel geweigerd, omdat eiser al arbeidsongeschikt zou zijn geweest bij de aanvang van de verzekering. Gezien de inhoud van het bezwaarschrift en de inhoud van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat verweerder een nieuw primair besluit in de vorm van een beslissing op bezwaar heeft genomen en niet conform artikel 7:11 Awb op de grondslag van het bezwaar een heroverweging heeft gemaakt.

Dit primaire besluit kan in deze procedure niet aan de orde komen.

Het beroepschrift zal aan verweerder ter behandeling worden doorgezonden, aangezien het tevens een bezwaar bevat tegen dit primaire besluit.

Bovendien is de bezwaarverzekeringsgeneeskundige naar aanleiding van het bezwaarschrift tot de conclusie is gekomen dat eiser op 26 mei 2000 nog ongeschikt was voor zijn eigen werk zodat de primaire beslissing niet in stand kon blijven. Desalniettemin heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Dit is in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde beginsel dat een besluit op een deugdelijke motivering moet rusten.

Op grond van het bovenstaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven en ziet de rechtbank aanleiding om met gebruikmaking van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien.

Het beroep is gegrond.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,-, bestaande uit de kosten van het door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener indienen van een beroepschrift met gronden (1 punt) en het verschijnen ter zitting (1 punt), waarbij per punt ƒ 710,- voor vergoeding in aanmerking komt, met een wegingsfactor 1 (gemiddeld). Aangezien ter zake van dit beroep een toevoeging als bedoeld in de Wet op de Rechtsbijstand is verleend dient het bedrag te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit d.d. 29 augustus 2000,

kenmerk bz. nr. 045.027.03, voorzover daarin het bezwaar van eiser

tegen het besluit van 25 mei 2000 ongegrond wordt verklaard;

verklaart het bezwaar van eiser gegrond en herroept het primaire besluit d.d. 25 mei 2000;

bepaalt dat het beroepschrift op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb zal worden doorgezonden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift voorzover het zich richt tegen de blijvend gehele weigering van een uitkering op grond van artikel 44 van de Ziektewet;

veroordeelt verweerder in de kosten ten bedrage van ƒ 1420,- onder aanwijzing van het Landelijk instituut sociale verzekeringen als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;

gelast dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen als rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffiegeld ad ƒ 60,- vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr drs J.E.M.G. van Wezel en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier

J. Bijleveld.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: