Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD3427

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2001
Datum publicatie
10-09-2001
Zaaknummer
AWB 00/7301 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit maandelijkse aflossing van schuld aan eiseres zijn niet gelijk te stellen met inkomsten uit vermogen.

Afwijzende beslissing op eiseresses verzoek, om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag, op grond van de overweging dat eiseres over voldoende middelen beschikt om zelf in de gevraagde kosten te voorzien.

Verweerder heeft daarbij overwogen dat de maandelijkse betalingen aan eiseres ad fl. 1.000,- ter aflossing van een schuld gezien dienen te worden als inkomsten uit vermogen of naar hun aard daarmee gelijk te stellen inkomsten.

De rechtbank is van oordeel dat de maandelijkse betalingen in elk geval niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen. De betaalde bedragen betreffen slechts aflossingen op de hoofdsom van de lening en geen rente of andere opbrengsten van die hoofdsom.

Evenmin kunnen de inkomsten naar hun aard worden gelijkgesteld met inkomsten uit vermogen. De rechtbank is van oordeel dat aan het begrip inkomsten eigen is dat, zolang het bedrag van die inkomsten niet wordt uitgegeven, dit leidt tot een toename van het totaal van het bezit van de betrokkene. Daarvan is in casu geen sprake.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat de middelen geen betrekking hebben op een periode waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, zodat niet wordt voldaan aan art. 47.1.b Abw. De periodieke aflossing van de lening is niet bestemd voor een bepaalde periode, zoals dat bij een uitkering of andere inkomstenbron die dient voor het levensonderhoud, zoals alimentatie, het geval is.

Beroep gegrond.

De Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.

mr. A.A.M. Mollee

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 47
Algemene bijstandswet 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2001, 100
JB 2001/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

tweede kamer, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 00/7301 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiseres,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.

Ontstaan en loop van het geding

Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet van ƒ 1.413,08 per maand.

Sinds 15 maart 1997 huurt zij een woning op het adres [...] te B. De netto huur bedraagt ƒ 1.185,73.

Per 31 december 1998 is de vennootschap onder firma X, waarvan eiseres mede-eigenaar was, ontbonden. In het kader van de afwikkeling daarvan heeft de rechtsopvolger van de firma, Y B.V., zich in een vaststellingsovereenkomst verplicht om een bestaande schuld jegens eiseres te doen verminderen door betaling aan eiseres van een totaalbedrag van ƒ 37.500,- in maandelijkse termijnen van ƒ 1000,-. Deze betalingen hebben op 15 februari 1999 een aanvang genomen.

Op 22 september 1999 heeft eiseres een aanvraag voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend. Eiseres komt in verband met de hoogte van de huur voor haar woning niet in aanmerking voor huursubsidie.

Op haar aanvraagformulier woonkostentoeslag heeft eiseres aangegeven dat zij bij acceptatie van de woning niet kon voorzien dat zij door ziekte niet meer de financiële middelen voor onder andere huurbetaling zou kunnen verwerven.

Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerster hierop afwijzend beslist op grond van de overweging dat eiseres over voldoende middelen beschikt om zelf in de gevraagde kosten te voorzien.

Hiertegen heeft eiseres bij schrijven van 14 december 1999 bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 14 januari 2000 is de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 maart 2000 heeft de president van deze rechtbank dit verzoek afgewezen.

Op 9 maart 2000 is eiseres in het kader van het bezwaarschrift gehoord.

Bij besluit van 19 mei 2000 heeft verweerster de bezwaren van eiseres, overeenkomstig het advies van de Afdeling Bezwaar en Beroep van 11 april 2000, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 1 juli 2000 beroep ingesteld.

Voorts heeft eiseres op 16 december 1999 een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend.

Op deze aanvraag is uiteindelijk door verweerster met ingang van 16 december 1999 aan eiseres een woonkostentoeslag toegekend ad ƒ 758,00 per maand.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 maart 2001 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.P.C.M. van Es. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Motivering

Artikel 39, lid 1, Abw bepaalt - voor zover van belang - dat de alleenstaande recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Artikel 40, lid 1, Abw bepaalt dat voor de vaststelling van de draagkracht burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk in beschouwing nemen:

a. het in aanmerking te nemen vermogen;

b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.

Artikel 47, lid 1, Abw bepaalt - voor zover van belang - dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit vermogen ..., dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, onder a, van de Abw wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

Verweerster staat op het standpunt dat de maandelijkse betalingen aan eiseres van f 1000,- gezien dienen te worden als inkomsten uit vermogen of naar hun aard daarmee gelijk te stellen inkomsten. Doordat eiseres beschikt over haar Anw-uitkering én deze maandelijkse inkomsten van f 1000,--, beschikt zij over voldoende draagkracht om de kosten van de huur op te vangen.

Eiseres betwist dat zij beschikt over voldoende middelen om in haar woonkosten te voorzien. Zij stelt dat zij naast haar uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet niet beschikt over middelen die als inkomsten in de zin van de artikelen 47 e.v. van de Abw kunnen worden aangemerkt. De maandelijkse uitbetalingen van ƒ 1000,- door Y B.V. kunnen naar de mening van eiseres niet als inkomsten worden aangemerkt nu deze betrekking hebben op een aflossingsbedrag dat genoemde vennootschap aan betrokkene verschuldigd is.

Deze middelen voldoen derhalve niet aan de criteria zoals genoemd in artikel 47, eerste lid, onder a, van de Abw.

Bovendien hebben deze middelen geen betrekking op een periode waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, maar houden zij verband met de inmiddels gestaakte activiteiten van eiseres als zelfstandig horeca-ondernemer, zodat volgens eiseres evenmin wordt voldaan aan het gestelde in artikel 47, eerste lid, onder b, van de Abw.

Eiseres stelt dat voor zover bedoelde middelen dienen te worden aangemerkt als vermogen, dat vermogen het vrij te laten vermogen niet overtreft. Ten tijde van de aanvraag woonkostentoeslag was de vordering op Y B.V. nog ƒ 29.500,-. Daarnaast heeft verzoekster in verband met haar voormalige horeca-onderneming een lening bij de IDM-bank afgesloten, waarvan zij op het moment van aanvraag nog ƒ 23.313,- moest terugbetalen. Tevens is vermeld dat zij op haar bankrekening bij de Rabo-bank voor ƒ 3.000,- en op haar girorekening bij de Postbank ƒ 1000,- rood staat.

Uit de stukken blijkt dat verzoekster maandelijks een bedrag van ƒ 508,08,- ter aflossing van haar schuld aan de IDM-bank, en ƒ 25,- ter aflossing van een schuld aan Wehkamp betaalt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiseres per 16 december 1999 in aanmerking is gebracht voor woonkostentoeslag. Vanaf die datum is de woonkostentoeslag toegekend, aangezien eiseres na december 1999 niet langer de betalingen van f. 1000,- per maand ontving, en het niet mogelijk was gebleken de schuldenaar via rechtsmaatregelen tot betaling te dwingen.

Overigens kan uit de gedingstukken worden opgemaakt dat eiseres ook in de maanden oktober en november wegens financiële problemen van haar schuldenaar geen betaling van het maandbedrag van f 1000,- heeft ontvangen. Dat zou nog uitsluitend in december 1999, na enige aanmaning door eiseres, het geval zijn geweest.

Ter beoordeling van de rechtbank staat of verweerster terecht heeft geoordeeld dat eiseres over de periode 22 september 1999 tot 16 december 1999 geen aanspraak kan maken op woonkostentoeslag op grond van de overweging dat eiseres gelet op haar inkomsten beschikt over de middelen ter voorziening in haar woonkosten.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de berekening van haar draagkracht op zichzelf niet heeft betwist, maar aanvoert dat daarbij ten onrechte rekening is gehouden met het feit dat zij maandelijks van Y B.V. een bedrag van f 1000,- ontvangt.

De rechtbank neemt, evenals verweerster, tot uitgangspunt dat de maandelijkse betalingen van ƒ 1000,- door Y B.V. voortvloeien uit een vordering die is ontstaan door een voorheen door eiseres uit haar vermogen verstrekte lening.

In het bestreden besluit heeft verweerster ermee volstaan te stellen dat de maandelijkse betalingen moeten worden gezien als maandelijks door eiseres te besteden inkomsten. De in deze stelling neergelegde mening van verweerster wordt door verweerster in het bestreden besluit en evenmin in het verweerschrift verder van enige motivering voorzien. Waarom de aflossing van een uit het vermogen verstrekte lening behoort tot de inkomsten als bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a Abw wordt niet verduidelijkt. Terwijl dit nu juist wel een van de door eiseres ingediende bezwaargronden was.

Hiermee berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de maandelijkse betalingen in elk geval niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen. De betaalde bedragen betreffen immers slechts aflossingen op de hoofdsom van de lening en geen rente of andere opbrengsten van die hoofdsom.

Ook de vraag of deze inkomsten naar hun aard gelijk te stellen zijn met inkomsten uit vermogen beantwoord de rechtbank ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank is aan het begrip inkomsten eigen dat, zolang het bedrag van die inkomsten niet wordt uitgegeven, dit leidt tot een toename van het totaal van het bezit van de betrokkene. In casu is daar geen sprake van. Door de enkele ontvangst van deze inkomsten wordt de financiële positie van eiseres per saldo niet verbeterd.

Indien eiseres maandelijks een bedrag zou opnemen van een eerder door haar bij een bank ondergebracht gedeelte van haar geldelijke bezit, dan valt niet in te zien dat zulke geldopnames tot haar inkomsten moeten worden gerekend. In casu is de situatie niet anders. De vergelijking die verweerster maakt met de inkomsten, bestaande uit een lijfrente op basis van een daarvoor als koopsom gestort bedrag, gaat hierom mank, omdat die koopsom niet alleen gestort is met het oogmerk om in de toekomst periodieke inkomsten te verkrijgen, maar ook omdat die lijfrente, in elk geval, ten dele ook gefinancierd wordt met het de renderende opbrengst van de gestorte koopsom.

Indien, zoals verweerster doet, het bedrag van de maandelijkse aflossing van de lening wordt gerekend tot de door eiseres maandelijks te besteden inkomsten, heeft dit het gevolg dat de betrokkene feitelijk moet interen op het vermogen; daarmee ontstaat strijd met de bepaling dat -een gedeelte van- het vermogen van een bijstandsgerechtigde bij de beoordeling van het recht op bijstand wordt vrijgelaten.

Voorts is de rechtbank met eiseres van oordeel dat deze middelen geen betrekking hebben op een periode waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, zodat niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 47, eerste lid, onder b, van de Abw. De periodieke aflossing van de lening is niet bestemd voor een bepaalde periode, zoals dat bij een uitkering of een andere inkomstenbron die dient voor levensonderhoud , zoals alimentatie, pensioen, e.d., het geval is.

Op bovenstaande gronden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding verweerster op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, die worden bepaald op f 1.420.

Beslist is derhalve als volgt.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit met bepaling dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een besdrag van f 1.420,-, welk bedrag aan eiser dient te worden vergoed door de gemeente Den Haag;

bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad f 60,- zal vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.M. Keizer.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: