Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2826

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2001
Datum publicatie
25-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/1726 en AWB 01/1721 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nrs. AWB 01/1726 en AWB 01/1721 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

de Stichting Toneelgroep De Appel, statutair gevestigd te Den Haag, eiseres,

ten aanzien van het besluit van 17 april 2001 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder, waarbij in bezwaar is gehandhaafd de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een meerjarige instellingssubsidie in het kader van de Cultuurnota 2001- 2004.

Ontstaan en loop van het geding

Eiseres is een in 1972 opgericht middelgroot theatergezelschap, gevestigd in een eigen theater in Den Haag. Zij brengt per jaar ongeveer 2 grote en 2 à 3 kleine producties uit. Het overgrote deel van haar inkomsten is afkomstig uit subsidie. Sedert 1972 ontvangt zij subsidie van de rijksoverheid, in de Cultuurnota-periode 1998-2001 ongeveer ƒ 1,3 miljoen per jaar. Daarnaast is in die periode van de gemeente Den Haag een bijdrage ontvangen van circa ƒ 2,7 miljoen per jaar.

Tussen eiseres en de Commissie Theater van de Raad voor Cultuur (hierna: de Raad) heeft ter voorbereiding op het door de Raad uit te brengen Cultuurnota-advies op 1 oktober 1999 een gesprek plaatsgevonden. Op

13 december 1999 is namens eiseres bij verweerder een verzoek om een meerjarige instellingssubsidie op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (hierna: de Wet) ingediend, waarbij is verzocht het voor de lopende periode toegekende bedrag (licht) te verhogen. Bij brief van

17 januari 2000 heeft verweerder de ontvangen aanvragen voor advies aan de Raad voorgelegd. De Raad heeft op 6 mei 2000 zijn Cultuurnota-advies voor de subsidieperiode 2001 - 2004 uitgebracht. Dit advies omvat een algemeen advies per sector en daarnaast de adviezen over de individuele instellingen die meerjarige subsidie hebben aangevraagd. Ten aanzien van eiseres heeft de Raad in dat advies - vide deel 15, bladzijde 84 - geadviseerd in de volgende Cultuurnota-periode geen subsidie toe te kennen. Eiseres heeft, door verweerder daartoe uitgenodigd bij brief van 15 mei 2000, bij brief van 24 mei 2000 schriftelijk gereageerd op dit advies. Bij brieven van 6 en 20 juni 2000 heeft verweerder de Raad naar aanleiding van onder meer genoemde reactie van eiseres om een nadere standpuntbepaling gevraagd. De Raad heeft op 6 juli 2000 een aanvullend advies uitgebracht, waarin onder meer is ingegaan op de reactie van eiseres.

Bij besluit van 19 september 2000 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Zij heeft op 24 oktober 2000 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De Commissie voor de Bezwaarschriften (hierna: de Commissie) heeft verweerder op 27 maart 2001 geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en een nieuw besluit te nemen. Zij heeft daartoe overwogen dat de advisering door de Raad niet voldoet aan het vereiste van een goede motivering, omdat een adequate en feitelijke onderbouwing van het artistiek-inhoudelijk oordeel ontbreekt.

Bij besluit van 2 maart 2001 heeft verweerder eiseres een éénmalige afbouwsubsidie toegekend van ƒ 783.109,--. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld en daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 juli 2001. Eiseres is verschenen in de personen van de heren mr. dr. A.J.E. Havermans (voorzitter),

C. Lammens (penningmeester), G. Dijkstra (zakelijk leider) en A. Greidanus (artistiek leider), bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.W. Klinckhamers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R. Snel.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van artikel 8:86 Awb kan de president, indien hij na de zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en ook overigens in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij stelt dat de advisering van de Raad in strijd komt met de eisen van zorgvuldigheid, draagkrachtige en kenbare motivering, consistentie en rechtszekerheid. Het is niet duidelijk welke kwaliteitsmeetlat de Raad heeft aangelegd. De Raad heeft voorts onvoldoende onderzoek naar relevante feiten verricht. Zo had het voor de hand gelegen dat de Raad eiseres zou hebben gevolgd vanaf september 1999, toen Greidanus de artistieke leiding op zich nam. Eiseres is immers afgerekend op het gebrek aan vernieuwende prestaties van haar artistiek leider, terwijl die prestaties, gelet op het feit dat de eerste première heeft plaatsgevonden op 23 oktober 1999, niet zijn waargenomen. Het is eiseres niet duidelijk waarom haar prestaties na het indienen van de aanvraag op 15 december 1999 niet zijn meegewogen. De bezochte voorstellingen hebben alle plaatsgevonden in een eerdere periode, onder de toenmalige tweehoofdige artistieke leiding. Voorts is niet duidelijk waarom de artistieke leiding niet, zoals bij de Rotterdamse Dansgroep is gebeurd, een proefperiode van twee jaren is gegund om artistieke vernieuwing door te voeren. Eiseres heeft daarnaast aantoonbaar een hoog publieksbereik, ontvangt een zeer laag subsidiebedrag per bezoeker, ontplooit velerlei educatieactiviteiten en is zeer actief op zoek naar mogelijkheden voor publieksverbreding. Eiseres begrijpt niet waarom de Raad enerzijds de regionale binding van theatergroepen positief waardeert, terwijl bij eiseres de sterke binding aan Den Haag juist negatief uitpakt. Verweerder is daarnaast ten onrechte afgeweken van het advies van de Commissie. De Commissie heeft eiseres gevolgd in haar bezwaren tegen de wijze van totstandkoming van het advies. Nu verweerder het eenduidige advies niet heeft gevolgd, kan het bestreden besluit reeds op deze grond niet in stand blijven. Verweerder trekt ten onrechte het advies van de Commissie uit elkaar. Hij kan niet een deel van de overwegingen tot de zijne maken en het deel dat leidt tot gegrondverklaring niet. Voorts motiveert hij niet waarom hij van het advies afwijkt.

3. De president stelt vast dat verweerder het advies van de bezwarencommissie heeft overgenomen, voor zover de Commissie hem in het gelijk stelt en zich een zelfstandig oordeel heeft gevormd over het standpunt van de Commissie dat het advies van de Raad onvoldoende met feitelijke gegevens was onderbouwd. Los van de vraag of verweerders zelfstandig oordeel juist is, kan hem op zich niet de bevoegdheid worden ontzegd de Commissie op een onderdeel van haar advies niet te volgen. Dat enkele feit volstaat dan ook niet voor vernietiging van het bestreden besluit. De president wijst er in dit verband - ten overvloede - op dat ook eiseres het advies van de Commissie niet op alle onderdelen onderschrijft en overneemt.

4. Voor de beoordeling van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 2 van de Wet is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (lees: verweerder) belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen, waarbij hij zich laat leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid. Op grond van artikel 3 van de Wet legt de minister eenmaal per vier jaar aan beide Kamers der Staten-Generaal een cultuurnota over, waarin verslag wordt gedaan van de uitvoering van genoemde taken en van belangrijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn geweest. De cultuurnota bevat tevens een beschrijving van de hoofdlijnen van het cultuurbeleid van het Rijk in de daarop volgende periode van vier jaren. Op grond van artikel 4 is de minister bevoegd op aanvraag subsidies te verlenen ten behoeve van cultuuruitingen. Artikel 8 van de Wet bepaalt dat met betrekking tot het verstrekken van subsidies bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld. Hierin is voorzien met het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen van 21 juni 1994, welk besluit met name procedurele en financieel-administratieve voorschriften bevat. Op grond van artikel 8 van het Bekostigingsbesluit juncto de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen kunnen op aanvraag meerjarige instellingssubsidies worden verstrekt, samenvallende met de periode waarvoor de cultuurnota is uitgebracht. Daarbij wordt eenmaal per vier jaar een integrale afweging gemaakt voor de (her)verdeling van de subsidiegelden en wordt het subsidiebudget voor vier jaar vastgelegd.

Bij de wijziging van de wet van 26 oktober 1995 is de Raad voor Cultuur ingesteld. Deze raad adviseert de minister en beide Kamers, of de minister die het mede aangaat, ingevolge het nieuw toegevoegde artikel 2a, over het cultuurbeleid van het Rijk. Tevens is bij deze wetswijziging artikel 2l aan de wet toegevoegd, ingevolge welke bepaling de Raad de op de adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van de minister houdt. Met ingang van 1 januari 1997 is deze bepaling vervallen en is op de advisering door de Raad het bepaalde in artikel 29 van de Kaderwet adviescolleges van toepassing, welke bepaling verweerder eveneens de mogelijkheid biedt om de voorbereidende stukken van de Raad op te vragen.

5. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de Raad het wettelijk adviesorgaan van de regering inzake het cultuurbeleid is en dat hij tevens vaste adviseur van verweerder is over van individuele subsidieaanvragen, als hier in geding.

De samenstelling van de Raad berust op het uitgangspunt deskundigheid en maatschappelijke representativiteit, waarbij alle taakonderdelen en aandachtsgebieden optimaal worden bestreken. De geformuleerde taakstelling tot het volgen van de ontwikkelingen is een waarborg dat bestaande kennis en inzichten steeds aan die ontwikkelingen worden getoetst. Door middel van onder meer persoonlijke contacten, kennis nemen van relevante discussies en bijwonen van openbare debatten en discussies wordt voortdurend nieuwe informatie - en daarmee deskundigheid - verzameld. Daarnaast hanteert de Raad twee geïnstitutionaliseerde vormen van informatievergaring, te weten de kennisname van publicaties van en over reeds gesubsidieerde instellingen en hun producties en het voeren van informerende gesprekken - zogenoemde monitoringgesprekken - met deze instellingen alsmede het bezoeken van voorstellingen e.d.. Dit laatste is gericht op informatie over de aard van en de indrukken over de uitvoeringen in de lopende Cultuurnota-periode. De Commissie laat zich daartoe bijstaan door rapporteurs, zogenoemde voorstellingbezoekers. De bevindingen en indrukken van deze rapporteurs, neergelegd in schriftelijke rapportages, worden door de desbetreffende Commissie periodiek met hen besproken. Deze vormen van informatievergaring zijn aanvullend en bedoeld om, naast de informatie die langs andere wegen beschikbaar is, ook uit eigen waarneming zicht te krijgen op de activiteiten en ontwikkelingen. De Raad laat zich bij de advisering primair leiden door het criterium van artistiek-inhoudelijke kwaliteit van de prestaties van de aanvragende instelling en van de verwachte producties. Beoogd wordt vanuit een professioneel perspectief te oordelen, passend in de context en traditie van het desbetreffende genre. Kwaliteit is het leidende subsidiecriterium. Als aan het kwaliteitscriterium wordt voldaan, worden een aantal aanvullende criteria, zoals maatschappelijk bereik, subsidie-per-bezoek en positie in het bestel, gehanteerd. Deze aanvullende criteria zijn neergelegd in verweerders uitgangspuntennota “Cultuur als Confrontatie”. Blijkens zijn aanvullend advies van 6 juli 2000 (blz. 13) heeft de Raad voorts de nodige aandacht besteed aan “de wenselijkheid en de mogelijkheden om te komen tot vernieuwing en doorstroming binnen het culturele bestel”.

6.1 Eiseres heeft reeds in de bezwaarfase een aantal concrete bezwaren geuit over de wijze van totstandkoming van het advies van de Raad, terwijl ook de Commissie bedenkingen heeft geuit. Verweerder heeft in hetgeen door eiseres en door de Commissie is aangevoerd geen aanleiding gezien om aan te nemen dat in het geval van eiseres door de Raad/de Commissie Theater bij de totstandkoming van het advies niet zou zijn gehandeld overeenkomstig de geldende procedure.

6.2 De president heeft evenmin vastgesteld dat het advies van de Raad, voor zover het betrekking heeft op eiseres, onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Er is op allerlei manieren kennis verzameld over eiseres, onder meer door het bezoeken van een aanzienlijk aantal voorstellingen. Daarover zijn door de voorstellingbezoekers, weliswaar niet openbaar gemaakte, rapporten opgemaakt. Ook is een monitoringgesprek gevoerd, waarin eiseres de gelegenheid is geboden een toelichting te geven op haar aanvraag annex beleidsplan voor de periode 2001 - 2004. Ter zitting is gebleken dat in het tijdvak 2001 - 2004 is voorzien in een voortgangsgesprek met de gesubsidieerde instellingen ongeveer halverwege de subsidieperiode. Nu de procedure voor de afgelopen periode niet voorzag in zo’n gesprek, vermag de president niet in te zien dat het uitblijven daarvan dermate onzorgvuldig is dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De president heeft niet geconstateerd dat sprake zou zijn van vooringenomenheid. Hij wijst in dit verband naar hetgeen de bezwaarcommissie terzake in haar advies heeft overwogen. Met deze overwegingen kan hij zich verenigen. Hij acht het daarnaast niet onrechtmatig dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de Raad in beginsel geen gegevens in zijn beoordeling behoeft te betrekken die stammen van na de wettelijke uiterste indientermijn van de aanvraag, in casu

15 december 1999. Hij stelt evenwel vast dat de bevindingen van voorstellingbezoek van leden van de Raad in de periode gelegen na die datum, maar voor de aanvullende advisering op 6 juli 2000 in het aanvullende advies zijn meegenomen.

7. Aan het advies van de Raad ten aanzien van eiseres zijn de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Na een bloeiperiode gedurende een bepaalde periode van het artistiek leiderschap van Erik Vos, viel een verminderde artistieke ontwikkeling waar te nemen. Deze ontwikkeling is in de laatste jaren eerder te beschouwen als een poging tot consolidatie van de ooit bereikte kwaliteit dan als het begin van nieuwe bloei. De Raad vindt dat de voorstellingen niet beter zijn geworden en heeft de indruk dat eiseres zwaar leunt op een trouw publiek dat nog afkomt op de reputatie die in het verleden is opgebouwd. De plannen voor de komende periode wettigen niet de verwachting dat veel ten goede zal veranderen. De huidig artistiek leider wekt geen vertrouwen en zijn regiekwaliteiten zijn niet uitzonderlijk genoeg om eiseres weer een eigen gezicht te geven. Hij beschikt niet over de leiderschapskwaliteiten die nodig zijn om het ensemble bijeen te houden en om het te laden met nieuwe vitaliteit. De keuzes voor en de verantwoording van de repertoireopbouw voor de komende jaren is niet overtuigend. De beleidsmatige of artistieke redenen achter de keuze voor de gastregisseurs is onduidelijk. De educatie- en publieksbereikactiviteiten gaan nergens verder dan het meest voor de hand liggende. De Raad mist ideeën over de manier waarop eiseres ook in de toekomst een belangrijke factor kan zijn in het culturele leven van de - in samenstelling veranderende - Haagse bevolking.

Op basis van het voorgaande is de Raad gekomen tot de/het volgende conclusie en advies: “Twijfel over het vermogen van de huidige artistiek leider om te zorgen voor een nieuwe bezieling, in combinatie met het weinig tot de verbeelding sprekende beleidsplan van De Appel, brengen de Raad tot het oordeel dat dit gezelschap geen belangrijke functie meer vervult binnen het Nederlandse theater. De Raad adviseert daarom het rijkssubsidie aan De Appel in de volgende Cultuurnota-periode niet te continueren.”. (Deeladvies 15, blz. 84).

In zijn aanvullend advies van 6 juli 2000 heeft de Raad, naar aanleiding van zijn eerder advies om toelichting gevraagd, aan verweerder laten weten dat het proces van verminderde artistieke ontwikkeling zich na het vertrek van Vos als artistiek leider in verhevigde mate heeft voortgezet en dat de kwaliteit van de voorstellingen niet beter is geworden. De vernieuwingspogingen acht de Raad niet geslaagd. (t.a.p., bijlage 4, blz. 107-108)

8. Ingevolge art. 3:9 Awb dient, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel kan worden opgemaakt dat het bestuursorgaan, naarmate een adviesorgaan meer ervaring heeft met het uitbrengen van adviezen over een bepaald type besluiten, meer zal mogen afgaan op de expertise van het adviesorgaan. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 29 april 1999 (gepubliceerd in AB 1999, 266), staat vast “dat de Raad voor Cultuur de directe rechtsopvolger is van de voormalige Raad voor de Kunst. Uit de stukken blijkt dat de commissieleden en adviseurs van de voormalige Raad voor de Kunst hun voorbereidingen voor de advisering hebben voortgezet onder auspiciën van de Raad voor Cultuur. Gelet hierop acht de Afdeling het niet onaanvaardbaar dat de staatssecretaris bij zijn oordeelsvorming over de vraag of een project voor subsidie als thans in geding in aanmerking komt, afgaat op een advies ter zake van de Raad voor Cultuur, mits dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.”.

9.1 De president is, onder hantering van de in genoemde uitspraak van de Afdeling gehanteerde terughoudende toetsing, van oordeel dat in dit concrete geval door verweerder voldoende inzicht is verkregen in de wijze waarop het advies tot stand is gekomen en dat niet is gebleken dat die totstandkoming dusdanig onzorgvuldig is dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daarnaast is ten aanzien van de inhoud sprake van een duidelijk en voldoende consistent advies, dat het bestreden besluit op zich kan dragen. Aangezien de Raad al in voorafgaande Cultuurnota-periodes kritisch over eiseres heeft geadviseerd, kan voorts niet worden gezegd dat het negatieve oordeel over de artistieke prestaties van eiseres thans volledig uit de lucht komt vallen. De president wijst er tenslotte op dat het advies van de commissie die de gemeente Den Haag adviseert over het toekennen van subsidies aan kunstinstellingen naar zijn strekking overeenstemt met dat van de Raad.

9.2 De president kan de bezwarencommissie, en in haar voetspoor eiseres, niet volgen in haar standpunt dat het advies onvoldoende wordt ondersteund door objectiveerbare, toetsbare en kenbare feitelijke gegevens. Zo is bekend welke voorstellingen in het kader van de voorbereiding van het advies zijn bezocht. Nu onvoldoende vertrouwen in de nieuwe artistiek leider bestond, was er geen aanleiding hem een proefperiode te gunnen. Dat zou slechts anders zijn indien de Raad zich redelijkerwijs nog geen oordeel over zijn kwaliteiten had kunnen vormen. Het negatieve oordeel is - mede - gebaseerd op het onder verantwoordelijkheid van Greidanus opgestelde, maar in de ogen van de Raad tekortschietende, beleidsplan én op een aantal voorstellingen van voor december 1999, waarvoor Greidanus als regisseur verantwoordelijk was en op zijn optreden in die periode als de facto artistiek leider van het gezelschap. Greidanus was derhalve al geruime tijd in staat zijn stempel op het gezelschap te drukken. Gesteld en niet weersproken is dat de Raad ook in een eerdere periode twijfels over zijn artistieke visie heeft uitgesproken.

Duidelijk is dat eiseres, en anderen, het inhoudelijk oordeel van de Raad niet delen. Dit betekent echter niet zonder meer dat dit oordeel onjuist zou zijn. Die conclusie vloeit evenmin direct voort uit de door eiseres in geding gebrachte recensies of uit haar verwijzing naar enkele verkregen theateronderscheidingen.

De president verwijst in dit verband met instemming naar verweerders standpunt dat kwaliteit zich nauwelijks in een definitie laat vangen en voortdurend in beweging is. Kwaliteit laat zich niet objectief en sluitend definiëren.

Aan het oordeel van de Raad inzake de artistiek-inhoudelijke kwaliteit van de producties van eiseres kan dus ook in de redelijkheid niet de eis worden gesteld dat het sluitend is onderbouwd. Het gaat immers - hoe dan ook - om een subjectief (deskundigen)oordeel. Wel kan worden geëist dat het bestaat uit een op voldoende feiten gebaseerd, kenbaar en voldoende gemotiveerd oordeel. Dat laatste brengt mee dat enigermate inzicht moet worden verschaft in de gedachtegang die aan het oordeel ten grondslag is gelegd. Het resultaat moet bestaan uit een begrijpelijk en verdedigbaar oordeel over de artistiek-inhoudelijke kwaliteit.

Bij dat alles dient te worden bedacht dat aanvragers als eiseres worden beoordeeld op hun producties en prestaties in het verleden, dat feiten van na de indiening van de aanvraag door de Raad niet meer in beschouwing behoeven te worden genomen en dat een relatief belangrijke plaats toekomt aan de beoordeling van de kwaliteiten van de artistiek leider als drager van de in het beleidsplan voor de komende cultuurnota-periode voorgelegde artistieke voornemens en ambities.

Het door de Raad over eiseres uitgebrachte advies voldoet op zich genomen aan de in het voorgaande ontwikkelde eisen, maar eiseres heeft daartegen onderbouwde bezwaren ingebracht die niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

10. Door verweerder is nadrukkelijk gesteld dat door de Raad eerst in beschouwing is genomen de kwaliteit van de kunstuiting als leidend subsidiecriterium, waarbij - naar de president begrijpt - ook de elementen vernieuwing en doorstroming mede in de beoordeling zijn betrokken en pas daarna de aanvullende criteria, maatschappelijk bereik, subsidie-per-bezoek en positie in het bestel. Een negatief kwaliteitsoordeel leidt ertoe dat de Raad aan de aanvullende criteria niet toekomt. Dezelfde maatstaf legt verweerder aan in de bezwaarfase: bezwaren betreffende de aanvullende criteria leggen geen gewicht in de schaal wanneer de kwaliteit door de Raad negatief is beoordeeld. Daargelaten of deze volgtijdelijke benadering in het advies van de Raad over eiseres consequent is gevolgd (het valt op dat de Raad zich bijvoorbeeld in zeer negatieve zin uitlaat over de activiteiten van eiseres op het gebied van educatie en publieksbereik) de consequenties die verweerder daaruit trekt in de bezwaarfase gaan te ver. Verweerders benadering houdt immers in hoofdzaak in dat een op het primaire criterium kwaliteit negatief beoordeelde aanvrager als eiseres vrijwel geen argumenten meer kan aanvoeren die er in de bezwaarfase nog toe doen. Het kwaliteitsoordeel is door verweerder marginaal getoetst en argumenten in de bezwaarfase in de sfeer van de aanvullende criteria kunnen aan een negatief kwaliteitsoordeel niet afdoen. Deze benadering doet in zodanige mate afbreuk aan het wezen van de bezwaarfase - een volledige bestuurlijke heroverweging ex nunc - dat zij in rechte niet kan worden aanvaard. Verweerders benadering wordt in strijd geacht met de wet.

De president is van oordeel dat het bestreden besluit op deze grond niet in stand kan blijven. Hij constateert dat eiseres in de bezwarenprocedure een aantal bezwaren, onder meer in de vorm van een aantal contra-expertises, heeft geponeerd, die betrekking hebben op de inhoud van het advies. Met name de bijdrage van professor dr. R.L. Erenstein, hoogleraar theaterwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, bevat een historische analyse van de advisering door de Raad voor Cultuur en zijn voorganger over De Appel, die een fundamentele aanval inzet op de juistheid van het meest recente kwaliteitsoordeel van de Raad over eiseres.

Ter zitting is gebleken dat verweerder bezwaren en reacties van deze aard alleen bij hoge uitzondering voor het geven van een reactie aan de Raad voorlegt. Dit gebeurt volgens verweerders gemachtigde “in kennelijke gevallen” en bovendien slechts indien een contra-expertise afkomstig is van een in zwaarte met de Raad vergelijkbare autoriteit, die, evenals de Raad, in zijn oordeelsvorming uitgaat van het beleidsplan. Het komt de president voor dat verweerder de lat op deze wijze te hoog legt, nu het niet goed voorstelbaar is dat door een bezwaarde aan de eerstgenoemde voorwaarde ooit zal kunnen worden voldaan.

De president acht verweerders handelwijze in strijd met het karakter van en de wettelijke bepalingen inzake de bezwarenprocedure. Verweerder acht zich, en in aansluiting daarop de bezwarencommissie, bevoegd noch bekwaam om zelf bezwaren, gericht tegen het artistiek-inhoudelijk oordeel van de Raad, in beschouwing te nemen en daarover zelfstandig een standpunt te bepalen. Gelet op verweerders hiervoor geschetste terughoudende toetsing van dat oordeel acht de president dit niet onbegrijpelijk. Indien deze bezwaren evenwel vervolgens evenmin om commentaar worden voorgelegd aan de Raad, betekent dit dat het voor de bezwaarde na een negatieve beoordeling van zijn artistieke prestaties vrijwel onmogelijk is zijn inhoudelijke kritiek op het artistieke oordeel van de Raad in de bezwarenprocedure op enigerlei wijze, hoe marginaal ook, getoetst te krijgen. Ook in het onderhavige geval is geen reactie verkregen op de inhoudelijke grieven en verweren van eiseres. Dat impliceert dat in de thans bestreden beslissing op bezwaar geen beslissing bevat op die verweren, anders dan dat verweerder daarin geen aanleiding heeft gevonden ze aan de Raad voor commentaar voor te leggen. Dat standpunt is echter , zoals eerder overwogen, onjuist. Het besluit lijdt in zoverre dan ook aan een motiveringsgebrek. De president acht het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Hij draagt verweerder op om binnen 8 weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Dat betekent dat hij alsnog de door eiseres in geding gebrachte inhoudelijke grieven en contra-expertises voor commentaar aan de Raad dient voor te leggen. De president acht voorts termen aanwezig om verweerder met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van dit verzoek gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ¦ 1420,-, te weten ¦ 710,- voor het verzoekschrift en ¦ 710,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht. Daarnaast wordt verweerder opgedragen aan eiseres het griffierecht te vergoeden.

13. De president ziet geen aanleiding om voor de duur van de bezwarenprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Het is immers geenszins zeker dat een nieuwe beslissing op bezwaar tot toekenning van subsidie moet dan wel zal leiden. Daarnaast kleeft aan het treffen van een voorziening in de vorm van toekenning van een geldbedrag het risico dat eiseres dit bedrag niet zal kunnen terugbetalen als zij achteraf alsnog in het ongelijk zal worden gesteld. Van de zijde van het bestuur is ter zitting erkend dat deze situatie zich zal kunnen voordoen.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) aan eiseres het betaalde griffierecht, te weten ¦ 450,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van ¦ 1420,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiseres moet vergoeden.

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2001, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. R. Meijer.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: