Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2749

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2001
Datum publicatie
20-07-2001
Zaaknummer
09/754089-96
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

parketnummer 09/754089-96

BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR

Beslissing van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[VEROORDEELDE],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Nieuw Vosseveld” te Vught.

De vordering.

De op 12 mei 1999 in persoon aan veroordeelde uitgereikte vordering strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van ƒ 63.137.500,00.

Het onderzoek ter zitting.

De vordering is behandeld ter terechtzitting van 15 oktober 1999, 31 januari 2000, 22 mei 2000, 15 januari 2001 en 21 mei 2001.

Ter zitting van 21 mei 2001 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van ƒ 26.145.829,= en dat veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 6 jaren hechtenis.

De raadsman mr J.I.M.G. Jahae is verschenen en gehoord.

De veroordeelde heeft op 18 mei 2001 schriftelijk laten weten afstand te doen van zijn recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De verdediging heeft een aantal gronden aangevoerd die ieder afzonderlijk zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Allereerst is bepleit het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding.

Gesteld is dat het openbaar ministerie de grondslag van de vordering bij zijn conclusie van 2 mei 2000 heeft gewijzigd door deze niet langer te baseren op lid 3 van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht doch thans op het tweede lid van dat artikel. Zo doende, zo wordt betoogd, ligt niet langer de oorspronkelijke vordering ex het derde lid ter behandeling voor, doch een nieuwe, thans ex het tweede lid, welke eerst bij eerder vermelde conclusie aan veroordeelde ter kennis is gebracht. Dusdoende is de termijn als bedoeld in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering overschreden.

De rechtbank kan de raadsman hierin niet volgen.

Een ontnemingsvordering vormt in beginsel ‘slechts’ de aanleiding voor hetgeen ter zitting wordt behandeld; zij is niet de grondslag daarvan zoals een dagvaarding dat is bij een strafgeding.

Eerst bij requisitoir dient de officier van justitie zich uit te laten over het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de stelling dat met de wijziging van het standpunt van de officier van justitie als boven vermeld de aanvankelijke vordering is vervallen en een nieuwe is uitgebracht kunnen noch in de wet en de wetsgeschiedenis noch in de jurisprudentie aanknopingspunten worden gevonden.

De grief van de raadsman dat de officier van justitie hiermee de procesorde ernstig zou hebben geschaad dan wel verdachtes belangen op grove wijze zou hebben veronachtzaamd snijdt dan ook geen hout. De rechtbank kan -anders dan de raadsman- geen lichtzinnigheid aan de zijde van de officier van justitie ontdekken.

Eerder is het zo, dat de vordering aanmerkelijk is teruggebracht en dat de verdediging alle gelegenheid heeft gehad op deze voor haar voordelige wijziging te reageren.

Vervolgens is aangevoerd, dat de redelijke termijn is overschreden nu de opening van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan verdachte is betekend op 4 april 1997 en de vordering eerst op 21 mei 2001 ter zitting is behandeld.

Ook hierin kan de raadsman niet worden gevolgd.

Vooropgesteld moet worden -en dit geldt ook voor het hierna te bespreken verweer met betrekking tot de onschuldpresumptie- dat voor de rechtbank buiten discussie staat dat de procedure van artikel 36e Sv dient te voldoen aan de eisen gesteld in artikel 6 EVRM.

Derhalve dient het redelijke-termijn-beginsel ook te gelden voor een zaak als de onderhavige.

In zijn arrest gepubliceerd in NJ 2000 nr 721 heeft de Hoge Raad een kader gegeven voor de hantering van dit vereiste. In beginsel behoort een zaak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Ingevolge de uitspraak gepubliceerd in NJ 2001 nr 307 dient als begin van deze termijn te gelden de datum van betekening van de opening van het strafrechtelijk financieel onderzoek, te weten in casu 4 april 1997.

De uitzonderingen als boven bedoeld zijn: de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In laatst genoemde uitspraak is als bijzonderheid nog toegevoegd voor een ontnemingszaak het mogelijk vertragende tijdsverloop dat is gemoeid met afdoening van de strafzaak en het tijdstip genoemd in art 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering waarbinnen een ontnemingszaak aanhangig moet worden gemaakt.

In casu is de twee-jaren-termijn overschreden, doch de reden daarvan is gelegen in de ingewikkeldheid van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat bovendien zeer omvangrijk is geworden en waarvoor de gegevens ook uit verschillende andere landen moesten worden verkregen.

De rechtbank is van oordeel dat de onderzoekers met voortvarendheid te werk zijn gegaan. Uiteindelijk is dit onderzoek op 22 december 1998 gesloten, waarna de eerste pro forma behandeling plaats vond op 15 oktober 1999.

Gelet op de gecompliceerdheid van de zaak is vervolgens een schriftelijke ronde bepaald, hetgeen resulteerde in de conclusie van 2 mei 2000 van de officier van justitie. De rechtbank acht aanvaardbaar, dat de officier van justitie geruime tijd nodig had om zich te beraden op de resultaten van het strafrechtelijk financieel onderzoek, nu deze resultaten niet zo eenduidig werden beoordeeld, dat behandeling van de ingediende vordering daarop succesvol zou kunnen plaatsvinden.

De rechtbank acht het niet onredelijk dat met deze koerswijziging enige tijd gemoeid was, hoewel erkend kan worden, dat uiteindelijk het thans van belang geachte materiaal reeds in de strafzaak aanwezig was.

Vooraf was echter uiteraard niet bekend, dat het strafrechtelijk financieel onderzoek niet tot de beoogde resultaten zou leiden.

In de periode tussen de eerste behandeling op 15 oktober 1999 en de inhoudelijke behandeling op 21 mei 2001, is de schriftelijke conclusie van de raadsman ingebracht, zijn getuigen bij de rechter-commissaris gehoord en is een schikking beproefd, welke uiteindelijk niet is geslaagd. Al met al acht de rechtbank geen periode van algehele inactiviteit aanwijsbaar en acht zij ook overigens de redelijke termijn niet overschreden.

Bij dit alles is niet onbelangrijk dat veroordeelde in geen enkel stadium van het onderzoek enige medewerking heeft verleend; hij heeft niet met de onderzoekers willen spreken en heeft niet bij de behandeling ter zitting aanwezig willen zijn.

De raadsman heeft verder -verkort en zakelijk weergegeven- betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient de worden verklaard in zijn vordering aangezien de Nederlandse wetgeving terzake de ontnemingprocedure in strijd is met het in het EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, met name met betrekking tot de onschuldpresumptie. Dit temeer nu de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel ertoe strekt de verdachte voordeel te ontnemen dat verkregen is uit soortgelijke of andere feiten waarvan hij eerder in de hoofdzaak is vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van de volgende overwegingen.

De rechtbank overweegt in dit verband dat het vaste rechtspraak van het EHRM is dat de vraag naar de toelaatbaarheid van bewijs dient te worden geregeld door de nationale wetgever, terwijl de waardering van het bewijs aan de nationale rechter moet worden overgelaten. Het EHRM toetst slechts of in concreto -gelet op de nationale wetgeving- al dan niet een inbreuk is gemaakt op de in artikel 6 EVRM neergelegde rechtsbeginselen (zie onder meer de arresten Schenk, 17 juli 1988, Series A nr 140 en Barbera, Messegué en Jabardo, 6 december 1988, Series A nr 146). Hieruit volgt dat de wetgever zich tevens mag (moet) uitspreken over de waarde van bewijsmiddelen. Dit mag evenwel niet leiden tot een feitelijke omkering van de bewijslast ten nadele van de verdachte, bijvoorbeeld door het hanteren van wettelijke ficties (arrest Salabiaku, 7 oktober 1988, Series A nr 141-A). Bewijs dient voor de verdediging weerlegbaar ("rebuttable") te zijn, waartoe de verdediging ook in de gelegenheid dient te worden gesteld ("given the opportunity to challenge"). De Nederlandse wetgever heeft met de invoering van artikel 36e Sv gekozen voor een aparte ontnemingsprocedure met een eigen bewijsrechtelijk systeem waarbij in een zaak als de onderhavige volstaat dat de officier van justitie aantoont dat voldoende aanwijzingen bestaan dat door de veroordeelde soortgelijke feiten zijn begaan. Het eigen karakter van de ontnemingsprocedure brengt verder met zich dat met het Nederlands recht verenigbaar is dat een verdachte de maatregel van de ontneming wordt opgelegd voor feiten die aanvankelijk voorwerp van telastlegging zijn geweest zonder dat zij tot een veroordeling hebben geleid (zie HR 14 september 1999, NJ 2000 nr 55).

Kenmerkend voor de ontnemingsprocedure is dat deze ten overstaan van de rechter wordt gevoerd, welke rechter vrij is in de waardering van het aangevoerde bewijs, terwijl de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld het bewijs ter discussie te stellen.

Aldus voldoet de Nederlandse wetgeving naar het oordeel van de rechtbank aan de in de voornoemde uitspraak van het EHRM van 7 oktober 1998, Series A nr 141-A neergelegde uitgangspunten.

De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 2001, nr 1515.99P waarbij de Raad het arrest van het Gerechtshof s-Hertogenbosch van 27 juni 1999, waarnaar de raadsman in zijn pleitnota verwijst, op grond van een vergelijkbare redenering als hierboven door de rechtbank gebezigd heeft vernietigd.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op.

Door de raadsman is verwezen naar de zaak Philips van 30 november 2000, nr 41087/98. Deze beslissing kan reeds hierom niet tot een ander oordeel leiden aangezien het hier slechts gaat om de vraag naar de ontvankelijkheid van de door Philips ingediend klacht en niet de beslissing van het EHRM ten gronde. Desalniettemin is het de rechtbank niet ontgaan dat de bedoelde beslissing in hoge mate teruggrijpt op de beslissing van het EHRM in de zaak Welch (9 februari 1995, Series A nr 307-A), waar een soortgelijke kwestie als in de zaak Philips aan de orde was. Bepalend in de zaak Welch was de vraag of met betrekking tot de aankoop/aanschaf van onroerend goed, toebehorend aan de veroordeelde, in een periode tot maximaal 6 jaar voorafgaand aan de veroordeling wegens handel in verdovende middelen de wettelijke fictie ("assumption") mag worden gehanteerd dat deze aankoop/aanschaf met de opbrengst van deze handel -het wederrechtelijk verkregen voordeel- is gefinancierd. Het EHRM was van oordeel dat zulks niet met het EVRM verenigbaar is.

De Nederlandse ontnemingprocedure kent dergelijke wettelijke ficties niet, zodat ook een beroep op deze uitspraak niet kan slagen.

Beoordeling van de vordering.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 juni 1997 is verdachte voor strafbare feiten tot straf veroordeeld. Na hoger beroep daartegen heeft het gerechtshof te ‘s-Gravenhage bij arrest van 2 juni 1998 C.A. [veroordeelde] voornoemd veroordeeld ter zake van, voor zover van belang, de strafbare feiten:

· deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waarvan hij bestuurder is;

· medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

· medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, en het in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De Hoge Raad heeft op 16 november 1999 het door veroordeelde ingestelde cassatieberoep verworpen.

In deze zaak is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. Dit heeft geresulteerd in het rapport van 22 december 1998, met bijlagen, van Politie Haaglanden, opgemaakt door R. van Heyningen, brigadier van politie.

De conclusie van dit rapport is, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel minimaal ¦ 20.734.950,= en maximaal ƒ 65.137.050,= bedraagt.

Bij conclusie van 2 mei 2000 heeft de officier van justitie zijn vordering gewijzigd in die zin, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van

ƒ 29.327.642,50. Deze wijziging is gebaseerd op het Nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel op 2 mei 2000 opgemaakt en ondertekend door R. van Heyningen voornoemd.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting van 21 mei 2001 heeft de officier van justitie de vordering verder teruggebracht tot een bedrag van ƒ 26.145.829,=.

Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van soortgelijke feiten als waarvoor veroordeling heeft plaatsgehad en waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De bedoelde soortgelijke feiten betreffen:

1. handel in XTC (artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet) in de periode van 1 november 1995 tot en met 24 oktober 1996;

2. handel in hash (artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumwet) in de periode van 1 november 1995 tot en met 24 oktober 1996;

3. handel in amfetamine (artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet) in de periode van 1 november 1995 tot en met 24 oktober 1996 en

4. handel in heroïne (artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet) in de periode van 1 november 1995 tot en met 24 oktober 1996.

Overweging met betrekking tot de gebezigde bewijsmiddelen.

Met betrekking tot de handel in XTC overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende. Uit de als bewijsmiddelen gebezigde telefoontaps blijkt voldoende van de continuïteit van de handel in verdovende middelen van veroordeelde gedurende zijn verblijf in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de berekeningen in het Nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel representatief te achten voor de periode 1 november 1995 tot en met 24 oktober 1996. Daarbij is van belang dat veroordeelde met betrekking tot zijn activiteiten in genoemde periode in Nederland de stellingen van de officier van justitie niet inhoudelijk heeft willen weerspreken.

De rechtbank heeft het uit Engeland afkomstige bewijsmateriaal niet tot bewijs gebezigd,

Het verweer van de raadsman dat dit materiaal niet tot bewijs kan worden gebezigd, omdat het onrechtmatig is verkregen, behoeft mitsdien geen nadere bespreking.

Gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

P.M.

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met betrekking tot het hiervoor onder 1. genoemde soortgelijke feit schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de berekening genoemd in de pagina’s 15 tot en met 18 van het Nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel voornoemd -en welke berekening de rechtbank overneemt en tot de hare maakt- op

¦ 14.248.762,50.

Met betrekking tot het hiervoor onder 2. genoemde soortgelijke feit schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de berekening genoemd in de pagina’s 19 tot en met 20 van het Nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel voornoemd -en welke berekening de rechtbank overneemt en tot de hare maakt- op

¦ 12.635.200,=.

Met betrekking tot het hiervoor onder 3. genoemde soortgelijke feit schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de berekening genoemd in de pagina’s 21 tot en met 22 van het Nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel voornoemd -en welke berekening de rechtbank overneemt en tot de hare maakt- op

¦ 50.880,=.

Met betrekking tot het hiervoor onder 4. genoemde soortgelijke feit schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de berekening genoemd in de pagina’s 23 tot en met 25 van het Nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel voornoemd -en welke berekening de rechtbank overneemt en tot de hare maakt- op

¦ 2.392.800,=.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het totaal door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op ƒ 29.327.642,50.

Draagkrachtverweer.

Namens veroordeelde is gemotiveerd verweer gevoerd, inhoudende dat de draagkracht van veroordeelde niet toereikend is om aan een veroordeling tot betaling te voldoen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Strekking van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is te bewerkstelligen dat datgene wat de veroordeelde aan door misdrijf verkregen materieel profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen. Gezien de wetsgeschiedenis, het stelsel der wet en de jurisprudentie wordt een dergelijke ontneming niet verhinderd door een gebrek aan financiële draagkracht aan de zijde van de veroordeelde, noch door het feit dat het verkregen voordeel reeds door de veroordeelde is verbruikt.

Aangezien bovendien in deze niet gesteld of aannemelijk is geworden dat de veroordeelde ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben is er geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag lager vast te stellen.

Gelet op het bovenstaande is toewijzing van de vordering inclusief het gevraagde dwangmiddel van vervangende hechtenis op haar plaats. Indien te zijner tijd mocht komen vast te staan dat werkelijk geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, zodat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis nog slechts neerkomt op een vorm van "extra bestraffing", staan voor veroordeelde alsdan wegen open de rechter om een (nadere) beslissing te vragen (artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering).

Betalingsverplichting.

De rechtbank zal het door veroordeelde te betalen bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op het door de officier van justitie gevorderde bedrag van ƒ 26.145.829,= en daarbij de duur van de vervangende hechtenis bepalen, aangezien de rechtbank geen aanleiding ziet boven deze vordering uit te gaan.

Ten aanzien van laatstgenoemd bedrag zal de rechtbank de betaling aan de Staat gelasten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op ¦ 29.327.642,50;

legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van ƒ 26.145.829,= aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 JAREN.

Deze beslissing is genomen door

mrs Quadekker, voorzitter,

Stemker Köster en Spliet, rechters,

in tegenwoordigheid van Groot, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2001.