Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2698

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
17-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/1428 WRO19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling (art. 19.2 WRO) voor GSM antenne-installatie. Goede ruimtelijke onderbouwing. Bouwvergunning hoefde niet vanwege gezondheidsrisico's te worden geweigerd.

De president is van oordeel dat de onderhavige aanvraag voor het plaatsen van een GSM antenne-installatie door verweerder terecht is aangemerkt als behorend tot de door GS aangegeven categorieën van gevallen en dat verweerders beleidsnota "Planologische beleidsregels voor telecommunicatievoorzieningen" naar aard en inhoud bezien, kan worden aangemerkt als 'goede ruimtelijke onderbouwing' in de zin van art. 19 WRO.

Voor zover verzoekers vrezen voor gezondheidsrisico's door blootstelling aan elektromagnetische velden afkomstig van de antenne-installatie, is door verweerder voldoende aangetoond dat de installatie voldoet aan de blootstellingslimieten zoals die zijn opgenomen in de aanbeveling van de Europese Unie van 12-06-1999. Voorts is uit de weerlegging van de bedenkingen van verzoekers en ter zitting gebleken dat verweerder in de praktijk eisen aan de veldsterktetoets stelt die deze blootstellingslimieten zelfs te boven gaan, door ook te onderzoeken of zich storingen tengevolge van de antenne-installatie zouden kunnen voordoen bij elektrische apparaten. Nu de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij brief van 20 januari 2000, heeft gesteld dat indien de elektromagnetische veldsterkten beneden de gestelde limieten van de Europese aanbeveling blijven een bouwvergunning om gezondheidsredenen niet (Red.: kan? moet?) worden geweigerd, ziet de president geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder vanwege mogelijke gezondheidsrisico's tot een andersluidende beslissing had behoren te komen.

Wijst het verzoek af.

Burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.

mr. D. Allewijn (president)

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 224
Gst. 2001-7154, 5 met annotatie van A.A.J. de Gier
Module Ruimtelijke ordening 2001/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 01/1428 WRO19

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

A, mede namens andere bewoners van het perceel [ …] [ …]- [ …] te B, verzoekers,

ten aanzien van het besluit van 9 maart 2001 van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder, waarbij

aan Telfort B.V. te Amsterdam vrijstelling en vergunning is verleend

voor het plaatsen van een GSM antenne-installatie op het perceel [….] […]-[…] te Zoetermeer.

Zitting

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 16 mei 2001.

Namens verzoekers is verschenen A, bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw K. Ulmer, medewerkster bij het Bureau Rechtshulp Zuid-Holland Zuid.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw S.M. den Haan en de heer M.E.J. Pieters.

Vergunninghoudster is verschenen bij gemachtigde, mevrouw B.H. Vasen. Tevens is namens vergunninghoudster verschenen de heer W. van Voorst.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Bij besluit van 9 maart 2001 heeft verweerder onder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 2, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan Telfort B.V. te Amsterdam (hierna te noemen: vergunninghoudster) vergunning verleend voor het plaatsen van een GSM antenne-installatie op het perceel […] […]-[…] te B.

Verzoekers hebben tegen dit besluit op 17 april 2001 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum hebben verzoekers op 17 april 2001 de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de verleende bouwvergunning wordt geschorst.

De president overweegt het volgende.

Op het te bebouwen perceel rust op grond van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Rokkeveen-Centrum de bestemming 'woondoeleinden'.

Op grond van artikel 6 van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor woondoeleinden aangewezen gronden bestemd voor de functies wonen, handel en dienstverlening, met uitzondering van detailhandel, recreatie, educatie met uitzondering van onderwijsvoorzieningen, welzijn, volksgezondheid en cultuur, verkeer en waterhuishouding.

Niet in geschil is dat de te plaatsen GSM-antenne in strijd is met genoemde bestemming.

Verweerder heeft, gelet op deze strijdigheid, de aanvraag om bouwvergunning van 6 juli 2000 op grond van het bepaalde in artikel 46, derde lid, Woningwet tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, WRO.

Op grond van artikel 19, tweede lid, WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door Gedeputeerde Staten, in overeenstemming met de inspecteur ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van Gedeputeerde Staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

In de circulaire van 4 april 2000, nr. DRGG/ARB/2000/3280, hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, WRO gespecificeerd. Daarbij zijn twee hoofdcategorieën onderscheiden, A en B, waarvoor respectievelijk specifieke verklaringen van geen bezwaar en bijzondere verklaringen van geen bezwaar kunnen worden verleend. Met betrekking tot hoofdcategorie A hebben Gedeputeerde Staten - voor zover hier van belang - het volgende gesteld:

"Het tijdig formuleren van gemeentelijk ruimtelijk beleid willen wij met kracht stimuleren. De aanwezigheid van dergelijk beleid willen wij dan ook honoreren. Tevens is, indien op provinciaal niveau met een (onderdeel van een) gemeentelijk ruimtelijk document is ingestemd, voor ons voldoende sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing c.q. een goede ruimtelijke ordening. Onder die omstandigheden zien wij overigens geen noodzaak voor een nadere rol van de provincie, indien zienswijzen of bedenkingen zijn ingediend. Wel dringen wij er bij u op aan in de (hierna te noemen) ruimtelijke plannen niet alleen aan de economische uitvoerbaarheid maar ook aan de maatschappelijke uitvoerbaarheid voldoende aandacht te besteden.

Inhoud

Op grond van het voorgaande hebben wij, in overeenstemming met de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening, besloten een specifieke verklaring van geen bezwaar te zullen verlenen voor de volgende situaties:

a. ……

b. Het bouwen en uitvoeren van werkzaamheden die passen in een ander gemeentelijk ruimtelijk document dat de instemming van de PPC heeft. Daarbij kan worden gedacht aan een gemeentelijk structuurplan, visie of een sectorale nota met ruimtelijke aspecten, bijvoorbeeld een nota omtrent erfbebouwing, GSM-masten en andere.…….."

Verweerder heeft zijn beleid met betrekking tot de plaatsing van zendmasten en antennes door aanbieders van netwerken voor mobiele telecommunicatie neergelegd in de nota 'Planologische beleidsregels voor telecommunicatievoorzieningen' van juli 2000. Op 21 september 2000 is deze nota behandeld in de Provinciale Planologische Commissie (PPC) in Zuid-Holland. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) hebben bij besluit van 9 oktober 2000, kenmerk DRG/ARB/2000/7506, een specifieke verklaring van geen bezwaar verleend voor het gebruik van gronden, de bouw van gebouwen en het uitvoeren van werken in overeenstemming met genoemde nota.

Gelet hierop in samenhang met het gestelde in genoemde circulaire van Gedeputeerde Staten, is de president van oordeel dat de onderhavige aanvraag voor het plaatsen van een GSM antenne-installatie door verweerder terecht is aangemerkt als behorend tot de door Gedeputeerde Staten aangegeven categorieën van gevallen en dat genoemde beleidsnota naar aard en inhoud bezien, kan worden aangemerkt als 'goede ruimtelijke onderbouwing' in de zin van artikel 19 WRO.

Voor zover verzoekers vrezen voor gezondheidsrisico's door blootstelling aan elektromagnetische velden afkomstig van de antenne-installatie, acht de president door verweerder voldoende aangetoond dat de installatie voldoet aan de blootstellingslimieten zoals die zijn opgenomen in de aanbeveling van de Europese Unie van 12 juni 1999. Voorts is de president uit de weerlegging van de bedenkingen van verzoekers en ter zitting gebleken dat verweerder in de praktijk eisen aan de veldsterktetoets stelt die deze blootstellingslimieten zelfs te boven gaan, door ook te onderzoeken of zich storingen tengevolge van de antenne-installatie zouden kunnen voordoen bij elektrische apparaten. Nu de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dr. E. Borst-Eilers, bij brief van 20 januari 2000, kenmerk GZB/C&O/2023420, heeft gesteld dat indien de elektromagnetische veldsterkten beneden de gestelde limieten van de Europese aanbeveling blijven een bouwvergunning om gezondheidsredenen niet worden geweigerd, ziet de president geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder vanwege mogelijke gezondheidsrisico's tot een andersluidende beslissing had behoren te komen.

Ten aanzien van de door verzoekers gevreesde overlast, bestaande uit het betreden van het dak van het flatgebouw door medewerkers van vergunninghoudster, overweegt de president dat hierover met de woningverhuurder goede afspraken dienen te worden gemaakt. In dat verband heeft de president nota genomen van de ter zitting door vergunninghoudster getoonde bereidwilligheid daaraan mee te werken.

Voor zover verzoekers hebben betoogd dat verweerder heeft verzuimd een onderzoek in te stellen naar alternatieve locaties, stelt de president vast dat een dergelijk onderzoek geen deel uitmaakt van de in de beleidsnota van verweerder opgenomen criteria. Bij de beslissing op het tegen het besluit ingediende bezwaarschrift kan verweerder dit aspect nog nader bezien, doch naar het voorlopig oordeel van de president staat dit thans aan de plaatsing van de antenne-installatie niet in de weg gezien het feit dat deze installatie eenvoudig verplaatst kan worden indien de bezwaarprocedure uitwijst dat een alternatieve geschikte locatie voorhanden is en die locatie de voorkeur van partijen geniet.

De president concludeert dat, gelet op al het vorenoverwogene, het belang van verzoekers dient te wijken voor het belang van verweerder en vergunninghoudster bij de uitvoering van het besluit.

Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

Van omstandigheden op grond waarvan een der partijen dient te worden veroordeeld in de door de andere partijen gemaakte kosten is de president niet gebleken.

Beslissing

De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. D. Allewijn, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2001, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.J. van den Broek-Prins.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: