Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2695

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2001
Datum publicatie
17-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/647 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenstel van regels op grond waarvan in Nederland verblijvende Turkse onderdaan ziekengeld is geweigerd, niet disproportioneel. In casu evenmin strijd met art. 3 Besluit nr. 3/80.

Eiser is ingaande 3 juli 2000 ziekengeld geweigerd. Vaststaat dat eiser ten tijde van betreffende periode rechtmatig in Nederland verbleef ex art. 1b aanhef en onder 3 Vw. Eiser heeft bij een werkgever gewerkt die niet in bezit was van een voor eiser afgegeven tewerkstellingsvergunning. Op grond van voorgaande is verweerder van oordeel dat eiser niet is aan te merken als een verzekeringsplichtige werknemer in de zin van de ZW.

Rechtbank: De materiële werkingssfeer van het Besluit nr. 3/80 strekt zich ingevolge art. 4 daarvan onder meer uit over de werknemersverzekeringen. In Nederland verblijvende Turkse werknemers die een uitkering krachtens zodanige regeling is geweigerd, zoals in eisers geval een ZW-uitkering, kunnen dus hierop een beroep doen. Daarvoor is nog wel vereist dat een betrokkene ook onder de personele werkingssfeer van art. 2 Besluit nr. 3/80 valt. Daarvan is in eisers situatie sprake aangezien hij in elk geval voor 1 juli 1998 verzekerd is geweest ingevolge de werknemersverzekeringen.

Eiser komt dus een beroep toe op art. 3 Besluit nr. 3/80. In het arrest Sürül heeft het Hof van Justitie EG daarover uitgesproken, dat de hierin neergelegde non-discriminatienorm betekent, dat een Turkse onderdaan, die hier te lande legaal verblijft, op dezelfde wijze moet worden behandeld als onderdanen van een lidstaat van ontvangst. De wettelijke regeling van die lidstaten mag voor de verlening van een recht aan zo'n Turkse onderdaan geen nadere of striktere voorwaarden stellen vergeleken bij eigen onderdanen.

Hoewel eiser op de datum in geding - zoals hiervoor is overwogen - legaal in Nederland verbleef, wordt hij op grond van voornoemde nationale bepalingen toch niet als werknemer beschouwd in de zin van de Ziektewet, omdat hij niet voldoet aan de nadere voorwaarden, te weten het beschikken over een vergunning tot verblijf, dan wel het verrichten van arbeid in overeenstemming met de Wav. Aangezien deze nadere voorwaarden enkel kunnen worden tegengeworpen aan niet-Nederlanders, wordt door de toepassing ervan rechtstreeks onderscheid gemaakt naar nationaliteit als bedoeld in art. 3 Besluit nr. 3/80.

Het voorgaande betekent echter nog niet zonder meer dat dit gemaakte onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het gemaakte onderscheid géén objectieve rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangedragen. Het HvJEG laat evenwel blijkens rechtsoverweging 104 van het arrest Sürül de mogelijkheid open dat objectieve rechtvaardigingsgronden bestaan voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit.

De vraag is dus of er objectieve rechtvaardigingsgronden zijn aan te voeren voor het onderscheid dat wordt gemaakt met invoering van de Koppelingswet. Daarvoor geldt dat ze gelegen moeten zijn in het doel van de Koppelingswet. Dit doel betreft ten aanzien van de nog niet in Nederland toegelaten vreemdelingen het voorkomen dat zij gaandeweg hun toelatingsprocedure een zodanige rechtspositie opbouwen dat zij na afloop van die procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.

De rechtbank acht het per 1 juli 1998 ingevoerde samenstel van regels op grond waarvan eiser ziekengeld is geweigerd een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel om het hierboven weergegeven, en geoorloofde, beleidsdoel te verwezenlijken. De rechtbank onderschrijft dienaangaand hetgeen de rechtbank te Amsterdam blijkens haar uitspraken van 4 augustus 1999 heeft geoordeeld. Daarbij merkt de rechtbank echter op dat bij de volledige toepassing van dit samenstel van regels ten aanzien van bepaalde vreemdelingen de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Hierbij doelt de rechtbank op hier legaal verblijvende vreemdelingen van wie de bestaande uitkering wordt beëindigd door invoering van de Koppelingswet. Immers, hier wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd, terwijl de Koppelingswet er toe strekt te voorkomen dat een dergelijke positie wordt opgebouwd.

Van het afbouwen van een bestaande rechtspositie in deze zin is in eisers geval echter geen sprake, aangezien hem op de peildatum niet reeds een uitkering was toegekend. Het betreft hier een nieuwe aanvraag voor een uitkering krachtens de ZW en de weigering van verweerder deze toe te kennen. Het bestreden besluit tot weigering van ziekengeld is derhalve niet in strijd is met art. 3 van het Besluit nr. 3/80.

Ten aanzien van art. 8 EVSZ merkt de rechtbank op dat ook dit artikel rechtstreekse werking heeft, maar voor de toepassing daarvan bovengenoemde rechtvaardigingsgrond evenzeer een onderscheid naar nationaliteit rechtvaardigt.

Beroep ongegrond.

Lisv, verweerder.

mrs. C.C. Dedel-van Walbeek, T.M.A. Claessens, C.J. Waterbolk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

eerste kamer, meervoudig

Reg. nr. AWB 01/647 ZW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Gak Nederland B.V.), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 3 juni 2000\ heeft eiser bij verweerder een uitkering aangevraagd krachtens de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 30 augustus 2000 heeft verweerder beslist dat eiser daarop geen recht heeft.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 26 april 2001 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T.E. van Dijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Huismans.

Motivering

Eiser bezit de Turkse nationaliteit. Sinds zijn komst naar Nederland in 1990 heeft hij hier gewerkt met tussenpozen, telkens zonder dat de diverse werkgevers beschikten over een tewerkstellingsvergunning. Eerst op 14 september 1998 heeft eiser een vergunning tot verblijf aangevraagd. Deze aanvraag is in behandeling genomen als een verzoek in het kader van het Tussentijds Bericht Vreemdelingen 1999/23. Op deze aanvraag is nog niet beslist. Eiser mag die beslissing in Nederland afwachten.

Eiser heeft eerder een uitkering ontvangen krachtens de Ziektewet. Bij bovengenoemde aanvraag heeft eiser per 3 juli 2000 opnieuw ziekengeld aangevraagd.

Met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de zogeheten Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 204) zijn de aanspraken van in Nederland verblijvende vreemdelingen op verstrekkingen, voorzieningen uitkeringen en dergelijke gewijzigd.

Artikel 20 van de ZW bepaalt dat de werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de ZW wordt sinds 1 juli 1998 niet als werknemer in de zin van deze wet beschouwd, de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).

Ingevolge artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vw (oud) genieten vreemdelingen in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een besluit tot toelating, alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

In het zesde lid van artikel 3 van de ZW is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van :

a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;

b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of beroep is beslist.

Naar aanleiding van het hier bepaalde is het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Bub) bij de inwerkingtreding van de Koppelingswet gewijzigd.

Ingevolge artikel 4a (oud, thans vernummerd tot artikel 4c) van het Bub wordt als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen beschouwd de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 2, 3, 4, en 5, van de Vw, indien hij in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) arbeid in dienstbetrekking verricht.

Ingevolge artikel 1b, aanhef, en onder 3 van de Vw genieten vreemdelingen in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven.

Artikel 2, eerste lid, van de Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Vast staat en niet in geschil is dat eiser ten tijde van de periode in geding rechtmatig in Nederland verbleef ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Vast staat verder dat eiser in deze periode heeft gewerkt zonder dat zijn werkgever in het bezit was van een ten behoeve van hem afgegeven tewerkstellingsvergunning. Gelet op de hiervoor weergegeven bepalingen is eiser daarom niet aan te merken als een (verzekeringsplichtige) werknemer in de zin van de Ziektewet en heeft hij op grond daarvan geen recht op een uitkering.

Verweerder heeft om die reden beslist dat eiser geen ziekengeld krijgt.

Eiser voert hiertegen aan dat hij als verzekerde bij verweerder stond geregistreerd en dat hem eerder wel ziekengeld was toegekend over de periode van 17 december 1998 tot 19 september 1999, hetgeen verweerder niet betwist. Eiser stelt dat verweerder daarom zonder voorafgaande beëindiging van zijn verzekering ingevolge de Ziektewet niet de in geding zijnde uitkering mocht weigeren.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat verzekeringsplicht ingevolge de werknemersverzekeringen ontstaat en eindigt van rechtswege. Premiebetaling en registratie, alsmede eerdere uitkeringen spelen daarbij geen rol. Eisers verzekeringsplicht wordt dus niet eerst beëindigd na een daartoe strekkende beslissing, maar is afhankelijk van de geldende bepalingen ten tijde van de in de aanvraag genoemde aanvangsdatum van de uitkering. Het feit dat eiser eerder (wellicht ten onrechte) een uitkering heeft ontvangen betekent op zichzelf dus niet dat hij ten tijde van de periode in geding als verzekerde ingevolge de Ziektewet is aan te merken.

Eiser voert verder aan dat de weigering hem ziekengeld toe te kennen in strijd is met bepalingen van internationaal recht, in het bijzonder met artikel 8 van het Europees verdrag inzake sociale zekerheidsrechten (EVSZ) en met de Associatieovereenkomst EEG-Turkije in samenhang met het Besluit nr. 3/80.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Tussen de EEG en Turkije is bij overeenkomst van 12 september 1963 een associatie tot stand gebracht (PB 1964, blz. 3685). Ingevolge artikel 6 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije hebben de partijen zich verenigd in een Associatieraad. Ter aanvulling op de Associatieovereenkomst hebben partijen een (aanvullend) Protocol opgesteld (PB L 293, blz. 1). Artikel 39 van het Protocol luidt, voorzover hier van belang:

"1. Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol stelt de Associatieraad bepalingen vast ter zake van de sociale zekerheid ten behoeve van de werknemers van Turkse nationaliteit die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en ten behoeve van hun binnen de Gemeenschap woonachtige gezinnen.

(…)".

Op basis van het eerste lid van artikel 39 heeft de Associatieraad op 19 september 1980 Besluit nr. 3/80 vastgesteld (PB C 110, blz. 60), betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden.

Artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit nr. 3/80 luidt:

"Voor toepassing van dit besluit:

b) wordt onder "werknemer" verstaan ieder:

i) die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op loontrekkenden van toepassing is, met uitzondering van de in bijlage V, punt A, België, sub 1), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 opgenomen beperkingen;

ii) die in het kader van een stelsel van sociale zekerheid dat voor alle ingezetenen of voor de gehele beroepsbevolking geldt, verplicht verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop dit besluit van toepassing is:

- wanneer hij door wijze van beheer of van financiering van dit stelsel als loontrekkende kan worden onderkend, dan wel,

- indien dergelijke criteria niet aanwezig zijn, wanneer hij in het kader van een voor loontrekkenden ingesteld stelsel verplicht of vrijwillig verzekerd is tegen een andere in de bijlage omschreven gebeurtenis".

Artikel 2 van het Besluit nr. 3/80 luidt, voorzover hier van toepassing:

"Dit besluit is van toepassing op werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van Turkije zijn".

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit nr. 3/80 luidt:

"1. Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van dit besluit".

In het Sürül-arrest (HvJEG 4 mei 1999, CELEX-nr. 696J0262) heeft het Hof overwogen dat artikel 3 van het Besluit nr. 3/80 rechtstreekse werking heeft. Deze is overigens wel in de tijd beperkt. Geen beroep op de rechtstreekse werking kan worden gedaan tot staving van vorderingen ter zake van uitkeringen die betrekking hebben op tijdvlakken vóór de datum van het onderhavige arrest, behalve door personen die vóór die datum beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee vergelijkbare vordering hebben ingediend. Deze beperking is in de onderhavige zaak niet aan de orde.

De materiële werkingssfeer van het Besluit nr. 3/80 strekt zich ingevolge artikel 4 daarvan onder meer uit over de werknemersverzekeringen. In Nederland verblijvende Turkse werknemers die een uitkering krachtens zodanige regeling is geweigerd, zoals in eisers geval een ZW-uitkering, kunnen dus hierop een beroep doen. Daarvoor is nog wel vereist dat een betrokkene ook onder de personele werkingssfeer van artikel 2 van het Besluit nr. 3/80 valt. Daarvan is in eisers situatie sprake aangezien hij in elk geval voor 1 juli 1998 verzekerd is geweest ingevolge de werknemersverzekeringen.

Eiser komt dus een beroep toe op artikel 3 van het Besluit nr. 3/80. In het arrest Sürül heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) daarover uitgesproken, dat de hierin neergelegde non-discriminatienorm betekent, dat een Turkse onderdaan, die hier te lande legaal verblijft, op dezelfde wijze moet worden behandeld als onderdanen van een lidstaat van ontvangst. De wettelijke regeling van die lidstaten mag voor de verlening van een recht aan zo'n Turkse onderdaan geen nadere of striktere voorwaarden stellen vergeleken bij eigen onderdanen.

Hoewel eiser op de datum in geding - zoals hiervoor is overwogen - legaal in Nederland verbleef, wordt hij op grond van voornoemde nationale bepalingen toch niet als werknemer beschouwd in de zin van de Ziektewet, omdat hij niet voldoet aan de nadere voorwaarden, te weten het beschikken over een vergunning tot verblijf, dan wel het verrichten van arbeid in overeenstemming met de Wav. Aangezien deze nadere voorwaarden enkel kunnen worden tegengeworpen aan niet-Nederlanders, wordt door de toepassing ervan rechtstreeks onderscheid gemaakt naar nationaliteit als bedoeld in artikel 3 van het Besluit nr. 3/80.

Het voorgaande betekent echter nog niet zonder meer dat dit gemaakte onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het gemaakte onderscheid géén objectieve rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangedragen. Het Hof van Justitie laat evenwel blijkens rechtsoverweging 104 van het arrest Sürül de mogelijkheid open dat objectieve rechtvaardigingsgronden bestaan voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit.

De vraag is dus of er objectieve rechtvaardigingsgronden zijn aan te voeren voor het onderscheid dat wordt gemaakt met invoering van de Koppelings-wet. Daarvoor geldt dat ze gelegen moeten zijn in het doel van de Koppelingswet. Dit doel betreft ten aanzien van de nog niet in Nederland toegelaten vreemdelingen het voorkomen dat zij gaandeweg hun toelatings-procedure een zodanige rechtspositie opbouwen dat zij na afloop van die procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.

De rechtbank acht het per 1 juli 1998 ingevoerde samenstel van regels op grond waarvan eiser ziekengeld is geweigerd een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel om het hierboven weergegeven, en geoorloofde, beleidsdoel te verwezenlijken. De rechtbank onderschrijft dienaangaand hetgeen de rechtbank te Amsterdam blijkens haar uitspraken van 4 augustus 1999, gepubliceerd in RSV Katern 1999, 8 t/m 10, heeft geoordeeld.

Daarbij merkt de rechtbank echter op dat bij de volledige toepassing van dit samenstel van regels ten aanzien van bepaalde vreemdelingen de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Hierbij doelt de rechtbank op hier legaal verblijvende vreemdelingen van wie de bestaande uitkering wordt beëindigd door invoering van de Koppelingswet. Immers, hier wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd, terwijl de Koppelingswet er toe strekt te voorkomen dat een dergelijke positie wordt opgebouwd.

Van het afbouwen van een bestaande rechtspositie in deze zin is in eisers geval echter geen sprake, aangezien hem op de peildatum niet reeds een uitkering was toegekend. Het betreft hier een nieuwe aanvraag voor een uitkering krachtens de Ziektewet en de weigering van verweerder deze toe te kennen. Dit leidt tot de conclusie dat de het bestreden besluit tot weigering van ziekengeld niet in strijd is met artikel 3 van het Besluit nr. 3/80.

Ten aanzien van artikel 8 van het EVSZ merkt de rechtbank op dat ook dit artikel rechtstreekse werking heeft, maar voor de toepassing daarvan bovengenoemde rechtvaardigingsgrond evenzeer een onderscheid naar nationaliteit rechtvaardigt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. C.C. Dedel-van Walbeek, T.M.A. Claessens en C.J. Waterbolk en door hen in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: