Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2401

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2001
Datum publicatie
02-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/1577
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorgezet verblijf / klemmende redenen.

In geschil is de handhaving d.d. 2 april 1999 van de niet-inwilliging van de aanvraag van Marokkaanse eiseres om verlening van een vtv met als doel klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat zij is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en dat terugkeer naar het land van herkomst niet van haar gevergd kan worden gelet op de situatie van alleenstaande vrouwen met een (buitenechtelijk) kind in Marokko, de maatschappelijke positie van eiseres aldaar en de mate van opvang door familieleden, alsmede de zorg voor haar kind welke haar zal belemmeren in het vinden van werk buitenshuis. Eiseres wijst in dit verband op een rapportage inzake het Islamitisch recht en familiebetrekkingen in Marokko. De rechtbank overweegt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat er geen klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiseres, wier hele familie in Nederland woont, door haar ex -echtgenoot en zijn familie fysiek en mentaal is mishandeld omdat zij kinderloos bleef tijdens dit huwelijk. Van belang is voorts dat eiseres niet alleen een gescheiden vrouw is maar bovendien een kind heeft gekregen uit een relatie met een man met wie zij niet was getrouwd. De rechtbank wijst in dit verband op de eerder genoemde rapportage waarin staat dat de positie van ongehuwde moeders en hun bastaardkinderen in Marokko zowel naar de regels van het positieve recht als naar de lokale gebruiken slecht is. Zowel juridisch als sociaal kunnen deze moeders en hun kinderen nauwelijks een behoorlijk leven leiden wanneer zij niet de bescherming, steun en het onderhoud van hun vader/grootvader en broers/ooms genieten. De positie van deze vrouwen en kinderen is beduidend veel slechter, zowel in juridisch als sociaal opzicht, dan de positie van "gewone" gescheiden vrouwen. De rechtbank stelt voorts vast dat de bevindingen in bovengenoemde rapportage grotendeels worden onderschreven in het individueel ambtsbericht, nu daarin wordt vermeld dat op het platteland van Marokko waar 80 procent van de bevolking analfabeet is, wordt vastgehouden aan traditionele waarden en normen zoals die in het gewoonterecht tot uiting komen. Een punt van zorg volgens het individueel ambtsbericht is voorts hoe moeder en kind in Marokko zonder familie in hun onderhoud kunnen voorzien. In het ambtsbericht wordt ook nog opgemerkt dat Marokko een land is met een enorme werkloosheid en praktisch geen door de staat georganiseerd sociaal voorzieningensysteem, dat het gebruikelijk is dat de familie bijspringt in het geval een familielid (man of vrouw) niet in zijn levensonderhoud kan voorzien, en dat indien de vrouw geen familie in Marokko heeft, er weinigen zullen zijn die zich om het lot van moeder en kind bekommeren. Voorzover in de bestreden beschikking wordt gesteld dat eiseres een baan kan vinden in de stad en haar kind in een crèche kan laten verblijven overweegt de rechtbank dat onvoldoende aandacht is besteed aan het bericht van de Nederlandse ambassade te Rabat van 8 januari 1999. Volgens dit bericht kunnen de openingstijden van de crèche voor werkende en alleenstaande moeders een probleem vormen nu de crèches zijn gesloten tussen 12.00 uur en 14.00 uur. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat eiseres zich in economisch en sociaal opzicht in het land van herkomst zal kunnen handhaven. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Regnr : AWB 99/1577 VRWET

Inzake : A, eiseres, mede ten behoeve van haar minderjarig kind, B, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde mr. M. Samama, advocaat te Den Haag,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiseres, geboren op [...] 1968, bezit de Marokkaanse nationaliteit en stelt in 1992 voor het eerst Nederland te zijn ingereisd. In 1993 is eiseres uitgezet naar Marokko. In datzelfde jaar is eiseres wederom naar Nederland gereisd en verblijft zij sedert 1 juli 1993 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 1 april 1997 heeft eiseres verzocht om vergunning tot verblijf met als doel "artikel 9 humanitaire redenen". Verweerder heeft dit verzoek op 14 april 1998 niet ingewilligd.

Eiseres heeft op 5 mei 1998 een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit. Op 22 oktober 1998 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Verweerder heeft op 2 februari 1999 het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Op 23 februari 1999 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 17 januari 2000 heeft rechtbank bepaald dat het onderzoek niet volledig is geweest en heropend dient te worden. Voorts heeft de rechtbank aan verweerder verzocht middels een onderzoek door de Minister van Buitenlandse Zaken duidelijkheid te verschaffen omtrent positie van eiseres en haar kind bij terugkeer naar Marokko. Het individueel ambtsbericht is uitgekomen op 11 december 2000 (kenmerk: DPC/VV681036/MdO). De gemachtigde van eiseres heeft op 27 december 2000 een reactie gegeven op het individueel ambtsbericht, verweerder heeft dit niet gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw2000), Stb. 2000, 495. Ingevolge artikel 122 van deze wet is de Vreemdelingenwet 1965 (hierna Vw) ingetrokken.

Met betrekking tot de wijze van behandeling van het beroep en de rechtsgevolgen van het instellen van beroep overweegt de rechtbank dat het beroep is ingesteld vóór 1 april 2001. Er valt geen overgangsrechtelijke bepaling aan te wijzen op grond waarvan het beroep zou moeten worden aangemerkt als een beroep op grond van de Vw2000. Uit het vorenstaande volgt dat het geschil dient te worden behandeld met toepassing van het recht zoals dat gold vóór 1 april 2001.

2. Ingevolge artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank bepalen, indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

3. Na te hebben kennis genomen van de stukken heeft de rechtbank partijen verzocht aan te geven of zij kunnen instemmen met het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Op 12 april 2001 hebben partijen de rechtbank meegedeeld dat zij toestemming geven voor een afdoening van het beroep met toepassing van artikel 8:57 Awb. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

4. In geschil is de handhaving d.d. 2 april 1999 van de niet-inwilliging van de aanvraag van eiseres om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: " klemmende redenen van humanitaire aard". Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat zij is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en dat terugkeer naar het land van herkomst niet van haar gevergd kan worden gelet op de situatie van alleenstaande vrouwen met een (buitenechtelijk) kind in Marokko, de maatschappelijke positie van eiseres aldaar en de mate van opvang door familieleden, alsmede de zorg voor haar kind welke haar zal belemmeren in het vinden van werk buitenshuis. Eiseres wijst in dit verband op een rapportage van prof. dr. L. P. H. M. Buskens, de auteur van een in 1999 uitgekomen boek inzake het Islamitisch Recht en Familiebetrekkingen in Marokko.

5. De aanvraag om verlening van de vergunning tot verblijf is afgewezen omdat verweerder van mening is dat er geen gronden aanwezig zijn om eiseres op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verblijf hier te lande toe te staan.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

7. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

8. Verweerder voert met het oog op de bevolkings - en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is

gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

9. De rechtbank overweegt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat er geen klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiseres, wier hele familie in Nederland woont, door haar ex - echtgenoot en zijn familie fysiek en mentaal is mishandeld omdat zij kinderloos bleef tijdens dit huwelijk.

Van belang is voorts dat eiseres niet alleen een gescheiden vrouw is maar bovendien een kind heeft gekregen uit een relatie met een man met wie zij niet was getrouwd. De rechtbank wijst in dit verband op de eerder genoemde rapportage van prof. dr. Buskens waarin staat dat de positie van ongehuwde moeders en hun bastaardkinderen in Marokko zowel naar de regels van het positieve recht als naar de lokale gebruiken slecht is.

Zowel juridisch als sociaal kunnen deze moeders en hun kinderen nauwelijks een behoorlijk leven leiden wanneer zij niet de bescherming, steun en het onderhoud van hun vader/grootvader en broers/ooms genieten. De positie van deze vrouwen en kinderen is beduidend veel slechter, zowel in juridisch als sociaal opzicht, dan de positie van "gewone" gescheiden vrouwen.

10. De rechtbank stelt voorts vast dat de bevindingen van prof. dr. Buskens grotendeels worden onderschreven in het individueel ambtsbericht, nu daarin wordt vermeld dat op het platteland van Marokko waar 80 procent van de bevolking analfabeet is, wordt vastgehouden aan traditionele waarden en normen zoals die in het gewoonterecht tot uiting komen.

Een punt van zorg volgens het individueel ambtsbericht is voorts hoe moeder en kind in Marokko zonder familie in hun onderhoud kunnen voorzien. In het ambtsbericht wordt ook nog opgemerkt: "Marokko is een land met een enorme werkloosheid en praktisch geen door de staat georganiseerd sociaal voorzieningensysteem. Het is gebruikelijk dat de familie bijspringt in het geval een familielid (man of vrouw) niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Indien de vrouw geen familie in Marokko heeft, zullen er weinigen zijn die zich om het lot van moeder en kind zullen bekommeren."

Voor zover in de bestreden beschikking wordt gesteld dat eiseres een baan kan vinden in de stad en haar kind in een crèche kan laten verblijven overweegt de rechtbank dat onvoldoende aandacht is besteed aan het bericht van de Nederlandse ambassade te Rabat van 8 januari 1999. Volgens dit bericht kunnen de openingstijden van de crèche voor werkende en alleenstaande moeders een probleem vormen nu de crèches zijn gesloten tussen 12.00 uur en 14.00 uur.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat eiseres zich in economisch en sociaal opzicht in het land van herkomst zal kunnen handhaven. Mitsdien is het beroep gegrond.

12. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 710,-

(1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht ad f 225,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Ingevolge het bepaalde in artikel 120 Vw2000 staat voorts tegen deze uitspraak geen hoger beroep open op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gedaan door mr. M.A.A. Mondt-Schouten en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. A. Jiménez Gill, griffier.

afschrift verzonden op: