Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2390

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
09-027547-01
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2007:BA3498, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-027547-01

rolnummer 0005

's-Gravenhage, 29 juni 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuw Vosseveld, Unit 6.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 juni 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr G.F. van der Hardt Aberson, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr Nieuwenhuis heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en onder 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en zal deelnemen aan het begeleidingsprogramma van het Leyenburg ziekenhuis.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ¦ 10.146,42 als voorschot en het toe te wijzen bedrag tevens op te leggen als schadevergoedingsmaatregel subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis. Tevens heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] tot een bedrag van ¦ 2.564,= als voorschot en het toe te wijzen bedrag tevens op te leggen als schadevergoedingsmaatregel subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

P.M.

Bewijsoverweging.

Door verdachte en diens raadsman is ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood c.q. het zware lichamelijke letsel van de vrouwen met wie hij onbeschermd seksuele gemeenschap heeft gehad, nu hij ervan uitging dat hij niemand kon besmetten, omdat zijn “viral load” laag was en hij bovendien veiligheidshalve steeds buiten het lichaam van die vrouwen klaar kwam.

De rechtbank stelt vast dat verdachte met beide aangeefsters onbeschermde seksuele gemeenschap heeft gehad, terwijl hij wist dat hij besmet was met het HIV-virus, zonder dit voorafgaand aan die gemeenschap aan die vrouwen kenbaar te maken. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van opzet in de zin dat verdachte de bedoeling heeft gehad die vrouwen te doden of (zwaar) lichamelijk letsel toe te brengen.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of verdachte door aldus te handelen willens en wetens (welbewust) de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze vrouwen ten gevolge daarvan zouden overlijden, dan wel zwaar lichamelijk letsel bekomen, met andere woorden of zijn zogeheten voorwaardelijk opzet daarop gericht is geweest. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet gelden drie vereisten. Het eerste vereiste is het kenniselement: de dader moet zich van de mogelijkheid van het intreden van het gevolg waartegen de strafbepaling bescherming beoogt te bieden bewust zijn geweest. Als tweede vereiste geldt dat de mogelijkheid van verwezenlijking van dat gevolg aanmerkelijk is. Tenslotte geldt voor voorwaardelijk opzet een wilsvereiste: de dader moet die kans willens en wetens (of bewust) hebben aanvaard, (of anders gezegd:) voor lief of op de koop toe hebben genomen.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte in deze zin voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel van de bedoelde vrouwen is het volgende van belang.

1) Kenniselement: De problematiek van HIV en AIDS besmetting is reeds vele jaren onderwerp van uitgebreide voorlichtingscampagnes, waarin aandacht wordt besteed aan de risico’s van onbeschermd seksueel contact en de gevolgen van besmetting met HIV. De mogelijkheid van besmetting door een handelwijze als die van verdachte en de gevolgen daarvan zijn derhalve feiten van algemene bekendheid, welke ook verdachte bekend waren. Voorts was verdachte hiermee in het bijzonder bekend, omdat hij zelf door onbeschermd seksueel contact met HIV is besmet geraakt.

Uit de verklaring van verdachte bij de politie blijkt dat verdachte - wetende dat hij met HIV besmet was - een eerdere relatie met een vrouw heeft gehad, waarin onbeschermde seksuele gemeenschap plaatsvond. Verdachte heeft verklaard dat dit feit tijdens een controle in het ziekenhuis ter sprake kwam en dat de arts daarvan zichtbaar schrok en aandrong op een onmiddellijke test voor zijn vriendin. Deze test toonde aan dat zij HIV besmet was geraakt. Voorts blijkt uit de verklaring van een getuige dat verdachte heeft verteld dat hij in die relatie ook altijd buiten het lichaam klaar kwam. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte kennis droeg van de mogelijkheid dat hij door onbeschermd seksueel contact een vrouw zou besmetten met HIV, ook indien hij buiten haar lichaam zou klaarkomen. In dit verband is voorts van belang dat verdachte ter terechtzitting heeft verdachte verklaard nimmer enige inlichtingen te hebben ingewonnen over specifieke factoren die van belang zijn voor de mate van besmettingsgevaar. Hiermee is niet te rijmen dat verdachte ten tijde van de telastgelegde feiten overwegingen gewijd zou hebben aan zijn “viral load” in relatie tot besmettingsgevaar, zoals door zijn raadsman is gesteld.

Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van dit punt dat het een feit van algemene bekendheid is dat HIV de ziekte AIDS kan ve[benadeelde partij2]zaken en dat AIDS de dood tot gevolg kan hebben. Verdachte was daarmee in het bijzonder bekend. Hij gebruikte immers reeds lange tijd medicijnen om deze gevolgen af te wenden.

2) Aanmerkelijke kans: Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een “aanmerkelijke” kans indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat door de verweten gedraging het gevolg waartegen de strafbepaling bescherming beoogt te bieden zal optreden en die kans tot anders handelen aanleiding had kunnen (en moeten) geven. De kans (of: het gevaar) moet zodanig zijn geweest dat er tegenmotiverende kracht van zou hebben kunnen (en moeten) uitgaan. Daarbij worden slechts die gevolgen of omstandigheden in aanmerking genomen die zich niet incidenteel voordoen maar waarvan een aspect van regelmaat en algemener voorkomen valt te ontwaren (in deze zin: P.J.H.M. Brouns, Opzet in het wetboek van strafrecht, 1988, blz 228). In dit oordeel ligt besloten dat de berekening van een kans op basis van wetenschappelijke en/of statistische gegevens of aannames wel van belang, maar niet beslissend is voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een strafrechtelijk relevante aanmerkelijke kans.

De rechtbank heeft zich over de vragen die in dit verband rijzen laten voorlichten door de deskundige, prof. dr. S.A. Danner. Zij acht met name het volgende van wat hij verklaard heeft van belang. De kans dat de dood intreedt als gevolg van onbeschermde seksuele gemeenschap met iemand die HIV besmet is, is afhankelijk van het overbrengen van het HIV virus, het ontwikkelen van de ziekte AIDS en het verloop van de ziekte. De kans op besmetting met het HIV virus is afhankelijk van een veelheid van factoren die zowel de drager als de ontvanger betreffen, zoals bijvoorbeeld de “viral load” (de hoeveelheid HIV-cellen), de vorm van seksueel contact en de gezondheidstoestand van de vrouw. De deskundige gaat uit van een algemeen aangehouden besmettingskans van 1 op 250 a 300 per genito-vaginaal contact. Hij heeft daarbij benadrukt dat zijn schattingen van deze kans ingeval buiten de vagina wordt klaargekomen, dan wel bij een geringe hoeveelheid HIV in het bloed met veel onzekerheden zijn omgeven en neerkomt op een “gevoel”, dan wel een “educated guess”. De kans op ontwikkeling van de ziekte AIDS is op haar beurt weer afhankelijk van onder meer virusfactoren, gastheerfactoren en succesvolle therapie. Gelet op de huidige kennis van de medische wetenschap geldt dat de ziekte AIDS ongeneeslijk en dodelijk is, aldus de deskundige. Daarbij speelt een grote rol dat de behandeling zeer zwaar is en veel bijwerkingen kent, dat niet duidelijk is hoe het op de lange duur patiënten zal vergaan die behandeld worden en dat AIDS uiteindelijk mogelijk een resistentie tegen de medicijnen ontwikkelt.

Uit de verklaring van de deskundige maakt de rechtbank op dat zelfs in de meest gunstige omstandigheden de kans op (allereerst) besmetting met HIV, (vervolgens) het ontwikkelen van AIDS en (tenslotte) de dodelijke afloop van de ziekte zodanig is dat die als reëel moet worden aangemerkt. De conclusie moet dan ook zijn dat de mogelijkheid dat het handelen van verdachte de dood van de slachtoffers ten gevolge zou hebben aanmerkelijk is (geweest).

3) Wilselement: Uit de verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting blijkt dat verdachte een mogelijke besmetting met het HIV virus, het ontwikkelen van de ziekte AIDS en de dood van de slachtoffers op de koop toe nam, liever dan af te zien van onbeschermde seksuele gemeenschap. Verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar een morele plicht voelde te vertellen dat hij seropositief was, dan wel een condoom te gebruiken, doch dat dit hem niet van zijn handelen heeft weerhouden, omdat hij absoluut niet wilde dat de slachtoffers zouden weten dat hij seropositief was.

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de vrouwen met wie hij onbeschermde seksuele gemeenschap had met een dodelijk virus zou besmetten. In die zin was zijn voorwaardelijk opzet gericht op de dood van beide vrouwen.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft, in de wetenschap dat hij besmet was met HIV, in een periode van twee maanden meerdere malen onbeschermde seksuele gemeenschap gehad met [benadeelde partij1], zonder tegen haar iets over zijn besmetting te zeggen. Zelfs het gesprek dat verdachte en [benadeelde partij1] over hun seksuele verleden en over seksueel overdraagbare ziektes - waaronder AIDS - hadden, vormde voor verdachte klaarblijkelijk geen aanleiding om aan [benadeelde partij1] te vertellen dat hij seropositief was, noch om veilig te vrijen. Daarnaast heeft verdachte, in de wetenschap dat hij besmet was met HIV, onbeschermde seksuele gemeenschap gehad met [benadeelde partij2], zonder tegen haar iets over zijn besmetting te zeggen, terwijl hij met [benadeelde partij2] een stilzwijgende afspraak had met betrekking tot het gebruik van een condoom.

Ondanks het feit dat verdachte, door zijn algemene kennis over HIV en AIDS en meer specifiek door zijn eigen ervaringen en kennis met betrekking tot HIV besmetting, wist dat HIV door seksueel contact overdraagbaar is en wist dat besmetting met HIV de ongeneeslijke en dodelijke ziekte AIDS kan veroorzaken, heeft hij er welbewust voor gekozen om niet te vertellen dat hij HIV besmet was, noch om beschermende maatregelen te treffen. Daarmee heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat hij de slachtoffers besmet met een dodelijke ziekte op de koop toegenomen.

Verdachte heeft door zijn handelwijze op een zeer ernstige wijze het vertrouwen van de slachtoffers beschaamd. Verdachte heeft zijn eigen belang - het geheimhouden van zijn HIV besmetting en het behouden van de relatie met de slachtoffers - boven de belangen van de slachtoffers gesteld. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat zijn ogen heeft gesloten voor de traumatische en ingrijpende gevolgen die zijn handelen op het leven van de slachtoffers hebben. Dat [benadeelde partij2] niet besmet is geraakt met het HIV virus is een gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan verdachte te danken is. [benadeelde partij1] verkeert (nog) in onzekerheid omtrent het feit of zij al dan niet besmet is geraakt met het HIV virus. Beide slachtoffers hebben als gevolg van het gebeurde ernstige psychische schade opgelopen en hebben zich onder behandeling van een psycholoog moeten stellen.

Het gedrag van verdachte is maatschappelijk volstrekt ontoelaatbaar en raakt niet alleen de directe betrokkenen en hun partners, doch ook de rest van de maatschappij, nu door een dergelijke handelwijze een dodelijke ziekte gemakkelijk verspreid kan worden en gevoelens van onrust en onveiligheid worden versterkt.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 6 maart 2001 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Over de persoonlijkheid van verdachte is schriftelijk gerapporteerd en geadviseerd door M.H. de Groot, psycholoog d.d. 5 juni 2001. De psycholoog acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Geadviseerd wordt verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel te verplichten de begeleiding die hij vanuit het Leyenburg ziekenhuis te Den Haag ontvangt gedurende langere tijd te continueren.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland, d.d. 15 juni 2001 opgemaakt door H.J. Tempelman, reclasseringswerker, in welk rapport geadviseerd wordt verdachte te laten deelnemen aan het programma in het Leyenburg ziekenhuis en een verplicht reclasseringscontact op te leggen.

De rechtbank acht een verdere begeleiding en behandeling van verdachte - met name uit een oogpunt van voorkoming van herhaling van soortgelijke feiten - dringend noodzakelijk en zal daarom aan het op te leggen voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht verbinden, ook indien dat voor verdachte inhoudt het deelnemen aan het begeleidingsprogramma van het Leyenburg ziekenhuis.

Beroep op artikel 6 EVRM

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de verdediging bewust op een achterstand heeft willen zetten door voor te spiegelen dat ook psychiatrische rapportage was aangevraagd en eerst op een tijdstip dat feitelijke rapportage niet meer tot de mogelijkheden behoorde de verdediging te berichten dat zulks niet was gebeurd. Hierdoor is het in artikel 6 van het EVRM neergelegde fair-play beginsel geschonden, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit beroep. De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat het Openbaar Ministerie de verdediging bewust op achterstand heeft gezet, dan wel heeft willen zetten. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een schending van het fair-play beginsel.

De raadsman heeft namens verdachte verzocht om een aanhouding en terugverwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris, opdat een psychiatrische rapportage kan worden opgemaakt, nu uit het psychologische rapport niet duidelijk blijkt waarom verdachte is gekomen tot zijn handelen.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Zij overweegt daartoe dat een nader inzicht in de beweegredenen van verdachte niet noodzakelijk is voor de beslissing omtrent de aan verdachte op te leggen straf en dat overigens deze vraag gewoonlijk niet in een psychiatrische rapportage wordt beantwoord. De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte en ziet geen aanleiding om een psychiatrische rapportage te doen opmaken.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

1. [benadeelde partij1], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ¦ 10.146,42.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1 primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ¦ 10.146,42 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij1].

2. [benadeelde partij2], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot ¦ 2.564,=.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 2 primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ¦ 2.564,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij2].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1 primair:

POGING TOT DOODSLAG, MEERMALEN GEPLEEGD

Ten aanzien van feit 2 primair:

POGING TOT DOODSLAG

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 10 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook indien dat voor verdachte inhoudt het deelnemen aan het begeleidingsprogramma van het Leyenburg ziekenhuis;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 6 maart 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 9 maart 2001;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij1], wonende te [adres], [woonplaats], een bedrag van ¦ 10.146,42, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

¦ 10.146,42 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij2] toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij2], wonende te [adres], [woonplaats], een bedrag van ¦ 2.564,=, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

¦ 2.564,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Don en Van der Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr De Kwant, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2001.