Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2366

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-05-2001
Datum publicatie
29-06-2001
Zaaknummer
AWB 00/9511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / Agneskerkzaken.

In onderhavige zaak vormt uitgangspunt het door verweerder ingenomen en door eiser in deze zaak niet bestreden standpunt dat eiser niet aan de voorwaarden voor toelating op grond van de tot eind 1998 geldende witte-illegalenregelingen (TBV 1995/1 en 1996/4) voldeed, noch toentertijd anderszins op grond van het in de Vc-1994 neergelegde beleid aanspraak had op toelating. Tegen die achtergrond heeft verweerder onderzocht of eiser in afwijking van het beleid toch in aanmerking kon komen voor toelating. Zoals in het kamerdebat van 25 juni 1988 in een motie aan de orde gesteld, diende verweerder van deze bevoegdheid in zaken als de onderhavige in voorkomende schrijnende gevallen verstandig gebruik te maken. In dat kader kan verweerder echter een grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid niet worden ontzegd en zal de rechtbank verweerders ter zake genomen beslissing slechts marginaal kunnen toetsen. Beoordeeld moet dan ook worden of verweerder, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die niet kennelijk onredelijk genoemd kan worden. Van belang daarbij zijn de individuele omstandigheden van eiser en de vraag of deze in het bestreden besluit zijn meegewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet het geval zou zijn, dan wel dat het besluit in dit opzicht niet de redelijkheidstoets kan doorstaan. Daartoe is het volgende redengevend. In zijn (voorwaardelijk) bezwaarschrift van 11 februari 1999 en zijn bezwaarschrift van 26 februari 1999 heeft eiser omtrent zijn individuele situatie geen bijzonderheden vermeld, doch slechts in algemene zin zich beroepen op schending van het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het gelijkheidsbeginsel. Ook in het kader van de aanvraag van 11 oktober 1999 op basis van de TBV heeft eiser geen relevante, concrete omstandigheden gesteld die als nadere onderbouwing in het kader van de lopende bezwaarzaak moesten worden aangemerkt en die in het licht van verweerders toelichting op zijn heroverwegingsbeslissingen, zoals onder meer vervat in de brief aan de rechtbank van 6 april 1999 in de zaak AWB 98/3241, van belang konden worden geacht. Eerst in zijn bezwaarschrift van 27 juli 2000, gericht tegen het hier niet ter beoordeling staande, gedeelte van het besluit van 4 juli 2000, inhoudende afwijzing van eisers aanvraag om toelating in het kader van de TBV, heeft eiser gewezen op zijn medische en in het bijzonder zijn psychische situatie, die - naar hij stelt - zou moeten leiden tot toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Ten tijde van het hier bestreden besluit, de beslissing op bezwaar van 4 juli 2000, was hieromtrent door eiser nog niets aangevoerd. Verweerder kon en behoefde hiermee derhalve geen rekening te houden. Gelet op de zogenaamde ex-tunctoetsing in beroep moet hetgeen eerst in beroep op dit punt is aangevoerd buiten beschouwing blijven. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit, mede gelet op de de gegevens die verweerder blijkens gedingstuk 15 (uittreksel uit het dossier van eiser d.d. 20 december 1998) bekend waren, de - hiervoor omschreven - beperkte rechterlijke toetsing kan doorstaan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet 1965

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/9511 VRWET

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. A.A. Vermeij, advocaat te Den Haag,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.W. Schaper, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1956, bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft sedert juni 1989 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Naar aanleiding van de deelname van eiser aan de hongerstaking in de Sint Agneskerk te Den Haag heeft verweerder aan eiser toegezegd zijn zaak persoonlijk te heroverwegen. Op 1 februari 1999 heeft verweerder in dat kader afwijzend beslist op eisers verzoek om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, alsmede op 11 oktober 1999 een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen, neergelegd in Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1999/23 (hierna: de TBV). Op deze laatste aanvraag is op 4 juli 2000 door verweerder afwijzend beslist. Tegen die beslissing heeft eiser bezwaar gemaakt. Op dat bezwaar is nog niet beslist. Bij genoemd besluit van 4 juli 2000 is (tevens) het eerdergenoemde bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Op 1 augustus 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep, gelijktijdig behandeld met een zestal beroepen in het kader van de TBV, heeft plaatsgevonden op 5 april 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Mons, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig drs. M.A. Spaans als tolk in de Turkse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw2000), Stb. 2000, 495. Nu het bestreden besluit is bekend gemaakt voor 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het voor die datum geldende recht van toepassing.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3. Eiser stelt dat zijn bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard, dat het bestreden besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd, dat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser.

Hij wijst er op dat een fatsoenlijke uitoefening van de discretionaire bevoegdheid eist dat de relevante feiten en omstandigheden eerst worden vastgesteld en een op de zaak toegesneden motivering moet worden gegeven. Voorts stelt eiser in de bezwaarprocedure tegen de niet-inwilliging van de aanvraag van 11 oktober 1999 dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf zonder beperkingen" op grond van de TBV. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij reeds sedert 1989 in Nederland verblijft, dat hij vanwege knie- en rugklachten sedert 16 april 1998 een WAO-uitkering ontvangt naar een arbeidsongeschiktheids-klasse van 15-25% en thans vanwege psychische klachten en beperkingen geheel arbeidsongeschikt is.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de hongerstaking in de Sint Agneskerk te Den Haag niet voor toelating in aanmerking komt.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheids-situatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

In dit geding staat (slechts) ter toetsing de bij het bestreden besluit van 4 juli 2000 door verweerder gehandhaafde weigering eiser alsnog in aanmerking te brengen voor een vergunning tot verblijf in het kader van de heroverweging naar aanleiding van eisers deelname aan de hongerstaking in de Agneskerk te Den Haag.

8. In overhavige zaak vormt uitgangspunt het door verweerder ingenomen en door eiser in deze zaak niet bestreden standpunt dat eiser niet aan de voorwaarden voor toelating op grond van de tot eind 1998 geldende witte illegalenregelingen (TBV 1995/1 en 1996/4) voldeed, noch toentertijd anderszins op grond van het in de Vreemdelingencirculaire neergelegde beleid aanspraak had op toelating. Tegen die achtergrond heeft verweerder onderzocht of eiser in afwijking van het beleid toch in aanmerking kon komen voor toelating. Zoals in het Kamerdebat van 25 juni 1988 in een motie aan de orde gesteld, diende verweerder van deze bevoegdheid in zaken als de onderhavige in voorkomende schrijnende gevallen verstandig gebruik te maken. In dat kader kan verweerder echter een grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid niet worden ontzegd en zal de rechtbank verweerders ter zake genomen beslissing slechts marginaal kunnen toetsen.

Beoordeeld moet dan ook worden of verweerder, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die niet kennelijk onredelijk genoemd kan worden. Van belang daarbij zijn de individuele omstandigheden van eiser en de vraag of deze in het bestreden besluit zijn meegewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet het geval zou zijn, dan wel dat het besluit in dit opzicht niet de redelijkheidstoets kan doorstaan. Daartoe is het volgende redengevend.

9. In zijn (voorwaardelijk) bezwaarschrift van 11 februari 1999 en zijn bezwaarschrift van 26 februari 1999 heeft eiser omtrent zijn individuele situatie geen bijzonderheden vermeld, doch slechts in algemene zin zich beroepen op schending van het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het gelijkheidsbeginsel. Ook in het kader van de aanvraag van 11 oktober 1999 op basis van de TBV heeft eiser geen relevante, concrete omstandigheden gesteld die als nadere onderbouwing in het kader van de lopende bezwaar-zaak moesten worden aangemerkt en die in het licht van verweerders toelichting op zijn heroverwegingsbeslissingen, zoals onder meer vervat in de brief aan de rechtbank van 6 april 1999 in de zaak Awb 98/3241, van belang konden worden geacht. Eerst in zijn bezwaarschrift van 27 juli 2000, gericht tegen het hier niet ter beoordeling staande, gedeelte van het besluit van 4 juli 2000, inhoudende afwijzing van eisers aanvraag om toelating in het kader van de TBV, heeft eiser gewezen op zijn medische en in het bijzonder zijn psychische situatie, die - naar hij stelt - zou moeten leiden tot toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Ten tijde van het hier bestreden besluit, de beslissing op bezwaar van 4 juli 2000, was hieromtrent door eiser nog niets aangevoerd. Verweerder kon en behoefde hiermee derhalve geen rekening te houden. Gelet op de zogenaamde ex tunc-toetsing in beroep, moet hetgeen eerst in beroep op dit punt is aangevoerd, buiten beschouwing blijven. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit, mede gelet op de de gegevens die verweerder blijkens gedingstuk 15 (uittreksel uit het dossier van eiser d.d. 20 december 1998) bekend waren, de - hiervoor omschreven - beperkte rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Van een schending van de hoorplicht is, gelet op het hiervoor overwogene, geen sprake. De algemene grieven, zoals aangevoerd tegen de beschikking van 1 februari 1999, heeft verweerder immers tegen het licht van het onder rechtsoverweging 8 geschetste beoordelingskader als kennelijk ongegrond kunnen passeren.

10. Toetsing van het bestreden besluit, voorzover betreffende de afwijzing van de aanvraag in het kader van de TBV - en een mogelijk in die procedure, gelet op de in bezwaar aangevoerde feiten en omstandigheden, voor verweerder bestaande hoorplicht - is in dit geding niet aan de orde. Hetgeen partijen hieromtrent naar voren hebben gebracht, behoeft derhalve thans geen bespreking.

11. Het beroep is derhalve ongegrond.

12. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de kosten van de andere partij, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 120 Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mrs. M.A.A. Mondt-Schouten, W.J. van Bennekom en R.H.M. Bruin, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. G.F. van der Linden-Burgers, griffier.

afschrift verzonden op: 29 mei 2001