Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2362

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-05-2001
Datum publicatie
29-06-2001
Zaaknummer
AWB 01/617
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / ononderbroken woonplaats / waarde bewijsmiddelen.

In dit geschil speelt de vraag wanneer is aangetoond dat de aanvrager van een verblijfsvergunning op grond van de TBV vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad. De rechtbank overweegt hierover allereerst dat de TBV geen bijzondere, van het algemene bestuursrecht afwijkende bewijsregels bevat. Voorts dient voorop gesteld te worden dat het primair aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij de gehele hier bedoelde periode, voorzover door verweerder bepaalde periodes niet buiten beschouwing worden gelaten in verband met bijvoorbeeld vakantieverblijf, in Nederland heeft verbleven. De verstrekte gegevens moeten door verweerder op hun eigen merites, alsmede in het licht van de overige door de vreemdeling verstrekte of bij verweerder bekende gegevens, worden beoordeeld. Het staat verweerder niet vrij bij voorbaat aan bepaalde bewijsmiddelen, zoals getuigeverklaringen, geen enkele waarde toe te kennen. Verweerder zal dergelijk bewijs mede tegen de achtergrond van andere bewijsmiddelen moeten waarderen. Bij de beoordeling van de overtuigende kracht van getuigenissen kan worden betrokken uit welke bron deze afkomstig zijn. Deze beoordeling kan, nu het om een feitelijke kwestie gaat, volledig door de rechter worden getoetst.

De rechtbank overweegt dat de gegevens waarover verweerder ten tijde van het bestreden besluit de beschikking had niet buiten twijfel stellen dat eiser in de betwiste periode ononderbroken in Nederland verbleef. Anderzijds heeft eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar gegevens overgelegd die dit verblijf tot zekere hoogte aannemelijk maken. De in bezwaar overgelegde stukken roepen weliswaar een aantal vragen op, maar rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op eisers verklaring, niet zonder meer de door verweerder getrokken conclusie dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt over het dienstverband bij een uitzendbureau. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voorts niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat het bezwaar van eiser geen redelijke kans van slagen had. Derhalve heeft verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 32, eerste lid, onder b, en tweede lid, Vw, beslist dat uitzetting van eiser hangende het bezwaar niet achterwege blijft en dat - derhalve - geen verplichting bestaat hem te horen. In dit verband is van belang dat in dit geval, waarin de afwijzing van de aanvraag is gebaseerd op het ontbreken van toereikend bewijs, het horen van eiser hem de gelegenheid had geboden de verstrekte gegevens toe te lichten en over zijn verblijfplaats in de betwiste periode nadere bijzonderheden te verschaffen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet 1965

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/617 VRWET

Inzake: A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M.J. Mons, advocaat te 's-Gravenhage,

tege : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. G.M.G. Hink, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1963, bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft, naar gesteld, sinds het begin van de jaren '80 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 28 november 1999 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen, neergelegd in Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1999/23 (hierna: de TBV). Op deze aanvraag is door verweerder op 28 juni 2000 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 6 december 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij brief van 2 januari 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep, gelijktijdig behandeld met zes andere beroepen in het kader van de TBV, heeft plaatsgevonden op 5 april 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig drs. M.A. Spaans als tolk in de Turkse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw2000), Stb. 2000, 495. Nu het bestreden besluit is bekend gemaakt voor 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het voor die datum geldende recht van toepassing.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

4. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

5. De aanvraag is ingediend op grond van de TBV. Deze regeling stelt, onder meer, de voorwaarden om in aanmerking te komen voor advisering door de commissie van burgemeesters van Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht over de mate van inburgering van de aanvrager in de Nederlandse samenleving.

Deze - cumulatieve - voorwaarden zijn:

1. Het verzoek moet tussen 1 oktober 1999 en 1 december 1999 worden ingediend en zijn ontvangen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst;

2. De vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad;

3. De vreemdeling moet in elk geval vanaf 1 januari 1992 tot 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit zijn geweest van een sofinummer;

4. De vreemdeling moet in het bezit zijn van een geldig paspoort;

5. De vreemdeling mag gedurende de onder 2. genoemde periode niet Nederland zijn uitgezet;

6. De vreemdeling mag niet in het bezit zijn geweest of gebruik hebben gemaakt van (ver)vals(t)e documenten;

7. De vreemdeling mag geen onjuiste gegevens hebben verstrekt;

8. Er mag geen sprake zijn van criminele antecedenten.

6. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting betoogd dat deze voorwaarden geen recht doen aan het oogmerk dat aan de totstandkoming van de regeling ten grondslag lag, te weten het geven van een oplossing voor schrijnende gevallen die overbleven na de expiratie van de vorige regelingen (TBV 1995/1 en TBV 1996/4). Het wel of niet in de papieren werkelijkheid voldoen aan de voorwaarden heeft geen direct verband met de mate van integratie. De voorwaarden zijn een willekeurig samenraapsel van ijkpunten en de uitkomst van een politiek proces waarbij van teveel verschillende kanten is getrokken en geduwd, hetgeen heeft geleid tot een onsystematische, onvoldoende doordachte regeling.

De rechtbank vat dit betoog aldus op dat de gemachtigde van eiser de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een inburgeringsadvies door de commissie van burgemeesters, en daarmee ook de TBV zélf, als zodanig onrechtmatig acht. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder in het licht van de hem toekomende beleidsvrijheid met het stellen van deze voorwaarden de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet heeft overschreden. Verweerder kan derhalve de op grond van de TBV ingediende aanvragen aan deze voorwaarden toetsen. Hij zal daarbij, gelet op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, steeds moeten bezien of onverkorte toepassing van de voorwaarden voor de aanvrager gevolgen zou hebben die wegens diens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de in de TBV neergelegde regeling of de met die voorwaarden te dienen doelen. Indien dat het geval zou zijn, kan het niet (volledig) voldoen aan de voorwaarden de betrokkene niet worden tegengeworpen en dient over hem een inburgeringsadvies door de commissie van burgemeesters te worden uitgebracht.

7. In de onderhavige procedure is primair in geschil of eiser voldoet aan voorwaarde 2. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij in de periode van 15 december 1994 tot 27 maart 1995 en in de periode vanaf 13 februari 1998, gedurende welke perioden eiser niet was ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA), ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat met betrekking tot het verblijf in eerstgenoemde periode geen bewijs meer wordt verlangd, nu verweerder in aansluiting op het eerdere witte illegalenbeleid ook onder TBV 1999/23 een verblijf in het buitenland van maximaal drie maanden per kalenderjaar niet tegenwerpt. Gelet hierop beperkt het (primaire) geschil zich tot de periode vanaf 13 februari 1998. Verweerder is voorts van mening dat eiser met betrekking tot deze periode onjuiste informatie heeft verstrekt, zodat ook niet is voldaan aan voorwaarde 7.

8. Eiser heeft met betrekking tot deze periode bij de aanvraag overgelegd een verklaring d.d. 3 december 1999 van B dat eiser vanaf 1 september 1997 in vaste dienst is bij uitzendbureau De Tijd.

In bezwaar heeft eiser, voor zover hier van belang, de volgende stukken toegevoegd:

- een behandelkaart van het Westeinde Ziekenhuis, met de handgeschreven datum 9 april 1998;

- nota's van Nuts Verzekeringen van de nominale premie ZFW over mei, augustus en oktober 1998;

- een jaaropgave van het GUO over 1997 (loon ƒ 8.017);

- twee verklaringen van de belastingdienst Den Haag d.d. 17 mei 2000 dat eiser in 1997 en 1998 ƒ 23.169,- respectievelijk ƒ 31.678,- loon uit dienstbetrekking had;

- een verklaring van C d.d. 12 juli 2000 dat eiser sinds 1997 zijn dagelijkse boodschappen in zijn supermarkt doet;

- loonspecificaties van uitzendbureau De Tijd over de weken 10 tot en met 13 van 2000, waarop is vermeld dat eiser sinds 2 juni 1997 in dienst is.

Verweerder heeft eiser op 15 september 2000 geconfronteerd met ambtshalve van het GAK verkregen informatie dat eiser van 1 september 1997 tot 30 maart 1998 in dienst was bij uitzendbureau De Tijd en van 5 juni 2000 tot 5 juli 2000 bij uitzendbureau Jaar. Verweerder acht daarom de eerder overgelegde werkgevers-verklaring van De Tijd dat eiser daar van 1 september 1997 tot heden in dienst is, onjuist. Ook vermelden de loonspecificaties over 2000 een onjuiste datum van indiensttreding, terwijl de bedrijfsnaam en het aansluitnummer niet met elkaar corresponderen. Tenslotte komen de kopieën van de loonverklaringen van de belastingdienst niet overeen met de informatie van het GAK, zodat in redelijkheid aan de juistheid van deze kopieën moet worden getwijfeld.

In zijn reactie van 22 september 2000 stelt eiser dat hij vanaf 1 september 1997 bij De Tijd in dienst is, dat hij voordien een WW-uitkering genoot, en dat de data van indiensttreding per 2 juni 1997 en van uitdiensttreding per 30 maart 1998 hem niet bekend zijn. De afwijkende gegevens van het GAK zijn volgens hem het gevolg van geknoei van zijn werkgever of diens boekhouder. Met uitzendbureau Jaar heeft hij geen overeenkomst gesloten noch is hem meegedeeld door De Tijd (eigenaar B) dat zijn arbeidsovereenkomst geëindigd zou zijn of dat de verplichtingen van De Tijd zouden zijn overgenomen door D (mevrouw B). De verklaringen van de belastingdienst zijn authentiek. Om duidelijk te maken hoe er met werknemers in zijn zwakke positie gesold wordt, legt eiser enkele stukken over:

- een aan hem gericht registratiebericht van het GAK d.d. 21 juli 2000, waarop als datum indiensttreding is vermeld 5 juni 2000 (gedrukt), met een handgeschreven correctie: 1 september 1997, en als naam van de werkgever B D Uitzendbureau;

- een brief van het GAK d.d. 16 juni 2000, waarin wordt meegedeeld dat eiser geen recht heeft op ziekengeld vanaf 6 april 2000, omdat zijn werkgever Loonbedrijf De Toekomst verplicht is tot loondoorbetaling;

- een brief van administratiekantoor Goudsteen & De Leeuw aan het GAK d.d. 22 juni 2000 in verband met ziekengeld van eiser. Hierin wordt gesteld dat eiser in week 1 tot en met 13 van 2000 bij De Tijd heeft gewerkt.

In beroep heeft eiser nog een aantal stukken overgelegd, waaronder:

- een beslissing op bezwaar van het GAK d.d. 16 november 2000, waarin eiser ziekengeld wordt geweigerd omdat hij recht heeft op loondoorbetaling van uitzendbureau De Tijd, waar hij volgens het GAK blijkens informatie van dit uitzendbureau al sedert 1997 onafgebroken werkt;

- een verstekvonnis van de kantonrechter Den Haag d.d. 18 oktober 2000, waarin uitzendbureau De Tijd jegens eiser wordt veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 6 april 2000 en vakantiegeld met ingang van 1 januari 1999;

- een verklaring van een huisarts d.d. 4 augustus 2000 dat deze eiser sinds juli 1980 regelmatig op het spreekuur zag.

9. In het bestreden besluit stelt verweerder, samengevat, dat de loonspecificaties van uitzendbureau De Tijd en de verklaring van B niet overeenkomen met de gegevens van het GAK. Dit dient te worden gerangschikt onder het verstrekken van onjuiste gegevens, indien de vreemdeling hiervoor geen afdoende verklaring kan geven. De verklaring dat de werkgever onjuiste informatie aan het GAK zou hebben verschaft is niet afdoende, nu dit niet met zich kan brengen dat de omstandigheid dat eiser zich heeft bediend van onjuiste gegevens met als doel toelating in Nederland te verkrijgen, hem niet kan worden tegengeworpen. Opzet om de Nederlandse autoriteiten te misleiden is niet noodzakelijk. Eiser heeft de stukken zelf in procedure gebracht, kennelijk zonder deze stukken vooraf aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Hij had uit het registratiebericht van het GAK kunnen afleiden dat bij het GAK een - volgens hem - onjuist dienstverband geregistreerd staat. Niet is gebleken dat hij dit bij het GAK heeft aangegeven. Ook had eiser kunnen constateren dat de gegevens op de door hem overgelegde salarisspecificaties niet overeenkomen met de verklaring van B. Dat de bij het GAK geregistreerde gegevens niet juist zouden zijn, komt derhalve voor rekening en risico van eiser. Aan voornoemde verklaring van De Tijd wordt geen waarde toegekend, omdat deze niet overeenkomt met de gegevens van het GAK. De verklaring van C toont niet aan dat eiser vanaf 13 februari 1998 onafgebroken in Nederland heeft verbleven en is niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd, zoals betaalbewijzen van de dagelijkse boodschappen. Bovendien kunnen getuigenverklaringen alleen gelden ter meerdere zekerheid en hebben zij geen zelfstandige bewijskracht. Ook valt niet in te zien waarom van betrokkene in redelijkheid niet kan worden verlangd andere (objectieve en verifieerbare) bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat hij in deze periode ononderbroken verblijf in Nederland heeft gehad. Hij heeft immers verklaard al die tijd in Nederland te hebben verbleven. Verweerder concludeert in het bestreden besluit dat eiser in ieder geval geen objectieve en verifieerbare stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij in 1999 verblijf hier te lande heeft gehad, en dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt.

10. Eiser bestrijdt in beroep in de eerste plaats dat hij onjuiste gegevens heeft verschaft. De afwijkende gegevens van het GAK geven weer wat door zijn werkgever aan het GAK is doorgegeven, waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Hij had te doen met een malafide werkgever, die onder vele petten heeft geopereerd. Bovendien had verweerder, nu hij van mening is dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt, hiervan proces-verbaal moeten laten opmaken, zoals door hem aan de Tweede Kamer is medegedeeld. In de tweede plaats stelt eiser dat verweerder aan het overgelegde bewijs niet het gewicht heeft toegekend dat het toekomt. Hij wijst daarbij in het bijzonder nog op de loonverklaring van de belastingdienst over 1998 en voornoemd (verstek)vonnis van de kantonrechter. Tenslotte, en subsidiair, is eiser van mening dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid om in voor eiser positieve zin af te wijken van de voorwaarden van de TBV. Hij heeft daarbij gewezen op zijn verblijf sedert twintig jaar in Nederland, dat vanaf 1986 blijkt uit een inschrijving in de GBA. In dit verband heeft eiser, verwijzend naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 1 november 2000, AWB 00/7766 VRWET, aangevoerd dat hij in de bezwaarprocedure door verweerder gehoord had moeten worden.

11. In dit geschil speelt een centrale rol de vraag wanneer is aangetoond dat de aanvrager van een verblijfsvergunning op grond van de TBV vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad. De rechtbank overweegt hierover - in algemene zin - allereerst dat de TBV geen bijzondere, van het algemene bestuursrecht afwijkende, bewijsregels bevat. Voorts dient voorop gesteld te worden dat het primair aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij de gehele hier bedoelde periode, voorzover door verweerder bepaalde periodes niet buiten beschouwing worden gelaten in verband met bijvoorbeeld vakantieverblijf, in Nederland heeft verbleven. De verstrekte gegevens moeten door verweerder op hun eigen merites, alsmede in het licht van de overige door de vreemdeling verstrekte of bij verweerder bekende gegevens, worden beoordeeld. Het staat verweerder niet vrij bij voorbaat aan bepaalde bewijsmiddelen, zoals getuigeverklaringen, geen enkele waarde toe te kennen. Verweerder zal dergelijk bewijs mede tegen de achtergrond van andere bewijsmiddelen moeten waarderen. Bij de beoordeling van de overtuigende kracht van getuigenissen kan worden betrokken uit welke bron deze afkomstig zijn. Deze beoordeling kan, nu het om een feitelijke kwestie gaat, volledig door de rechter worden getoetst.

12. In het onderhavige geschil heeft eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar met betrekking tot zijn verblijf in Nederland in de periode vanaf 13 februari 1998 tot 28 november 1999 (datum aanvraag) een aantal stukken overgelegd. De werkgeversverklaring van B en de verklaring van C zien op deze gehele periode. Met betrekking tot 1998 heeft eiser daarnaast nota's van Nuts Verzekeringen en een verklaring van de belastingdienst overgelegd. Verweerder heeft aan de verklaring van B geen waarde gehecht, omdat deze niet overeenstemt met bij het GAK geregistreerde gegevens over eisers dienstverband(en). Voorts heeft verweerder in dit verband het verstrekken van onjuiste gegevens tegengeworpen. In zijn brief van 22 september 2000 heeft eiser verklaard dat de gegevens van het GAK het gevolg zijn van onjuiste opgave door zijn werkgever of diens boekhouder en dat zijn dienstverband met uitzendbureau De Tijd niet is beëindigd. Hij heeft hierbij stukken overgelegd die een en ander zijns inziens illustreren.

De rechtbank overweegt dat de gegevens waarover verweerder ten tijde van het bestreden besluit de beschikking had niet buiten twijfel stellen dat eiser in de betwiste periode ononderbroken in Nederland verbleef. Anderzijds heeft eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar gegevens overgelegd die dit verblijf tot zekere hoogte aannemelijk maken. De rechtbank acht in dit verband met name de verklaring van de belastingdienst dat eiser in 1998 ƒ 31.678,- loon uit dienstbetrekking had en de nota's van Nuts Verzekeringen van belang. Verweerder is op die stukken in het bestreden besluit niet ingegaan. Voorts heeft eiser in bezwaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in het jaar 2000 in dienst was van een uitzendbureau, waarmee hij een geschil had over de loondoorbetaling tijdens ziekte. De in bezwaar overgelegde stukken roepen weliswaar een aantal vragen op, maar rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op eisers verklaring, niet zonder meer de door verweerder getrokken conclusie dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt over het dienstverband bij uitzendbureau De Tijd.

Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voorts niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat het bezwaar van eiser geen redelijke kans van slagen had. Derhalve heeft verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 32, eerste lid, onder b, en tweede lid, Vw (oud), beslist dat uitzetting van eiser hangende het bezwaar niet achterwege blijft en dat - derhalve - geen verplichting bestaat hem te horen. In dit verband is van belang dat in dit geval, waarin de afwijzing van de aanvraag is gebaseerd op het ontbreken van toereikend bewijs, het horen van eiser hem de gelegenheid had geboden de verstrekte gegevens toe te lichten en over zijn verblijfplaats in de betwiste periode nadere bijzonderheden te verschaffen.

13. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige grieven van eiser geen bespreking meer. De rechtbank merkt ten overvloede op dat bij het horen van eiser in het kader van een nieuw te nemen beslissing op bezwaar ook de door hem in beroep overgelegde gegevens dienen te worden betrokken.

14. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van ƒ 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 120 Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mrs. M.A.A. Mondt-Schouten, W.J. van Bennekom en R.H.M. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. G.F. van der Linden-Burgers, griffier.

afschrift verzonden op: 29 mei 2001