Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2007

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/3615
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sri Lanka / Tamil / littekens.

Hoewel verzoeker heeft verklaard dat het litteken op zijn arm tijdens detentie is aangebracht door leden van het Sri Lankaanse leger en derhalve niet is veroorzaakt door betrokkenheid bij de LTTE, staat daarmee naar het oordeel van de president niet vast dat de Sri Lankaanse autoriteiten het litteken van verzoeker niet in verband zullen brengen met LTTE-lidmaatschap, met name niet nu in het ambtsbericht van 6 november 1998 niet nader is omschreven om welke littekens het gaat. Gelet hierop kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat verzoeker het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg. nr.: AWB 00/3615 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1982, van Sri Lankaanse nationaliteit, wonende te B, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.M. Volwerk, juridisch medewerker te Leiden,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker verblijft sedert 20 januari 1999 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 22 januari 1999 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 7 februari 2000 heeft verweerder

deze aanvraag niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder ambtshalve overwogen geen aanleiding te zien een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Dit

besluit is op 15 maart 2000 aan verzoeker in persoon uitgereikt. Bij bezwaarschrift van 11 april 2000 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 25 april 2000. In het

kader van de behandeling van het bezwaar heeft verweerder bij brief van 8 mei 2000 meegedeeld dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten en dat verzoeker Nederland binnen

twee weken moet verlaten. Verzoeker moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij verzoekschrift van 19 mei 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht over te gaan tot schorsing van de op 8 mei 2000 genomen beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het

bezwaar is beslist. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 20 september 2000 ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 29 januari 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en,

met toepassing van artikel 33b Vw, tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Verzoeker heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 5 februari 2001.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2001. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens

was ter zitting aanwezig

T. Sabapathy-Emmanuel als tolk.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft besloten uitzetting hangende de bezwaarfase niet achterwege te laten. Verzoeker meent dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor

verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzoeker heeft ten overstaan van de contactambtenaar het volgende naar voren gebracht. In 1996 zat de zus van verzoeker bij de Tamil Tijgers

en was zijn broer een aanhanger van hen. Verzoeker en zijn broer werden door het Sri Lankaanse leger meegenomen naar Palali. Ze werden mishandeld en verzoeker werd verbrand met een ijzeren voorwerp op zijn arm. Verzoekers broer

moest toegeven dat hij aanhanger was van de Tamil Tijgers. Hij werd geëxecuteerd. Na drie dagen hielp de ICRC verzoeker vrij te krijgen. Ze brachten verzoeker naar het ziekenhuis. De volgende dag kwamen zijn ouders hem ophalen.

Verzoeker moest zich van het Sri Lankaanse leger wekelijks melden en zijn zus dagelijks. Verzoeker moest van zijn moeder bij zijn nicht in C gaan wonen. In juli 1998 kwam zijn zus hem daar opzoeken. In september 1998 kwam zij bij

gevechten om het leven. In november 1998 werd verzoeker door leden van de Tamil Tijgers meegenomen naar een kamp in Vidalthaltivu. Hij moest trainen om te vechten. Verzoeker weigerde dit en moest voor straf een jaar lang werken. Hij

moest eten brengen en ophalen, ook tijdens gevechten, en de planten water geven. In januari 1999 ontsnapte verzoeker met de hulp van zijn oom uit het kamp.

In bezwaar heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij behoort tot meerdere van de in de ambtsberichten genoemde risicogroepen. Hij loopt als Tamil, afkomstig uit Jaffna, zonder beheersing van de Singalese taal en zonder geldige

papieren noch verblijfsreden in Colombo een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3 van het

Anti-Folterverdrag. Voorts vormt het litteken dat verzoeker heeft opgelopen als gevolg van de brandmerking zoals hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard en in de correcties en aanvullingen op het rapport van nader gehoor naar

voren heeft gebracht een risicofactor voor een detentie van langer dan 48/72 uur.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beslissing om uitzetting hangende de bezwaarfase niet achterwege te laten rechtmatig is. Daartoe voert verweerder aan dat er geen enkel vermoeden bestaat dat verzoeker in het land van

herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. Niet is aannemelijk geworden dat verzoeker enkel en alleen vanwege het behoren tot de Tamil bevolkingsgroep een negatieve bejegening van de zijde van de Sri Lankaanse overheid

heeft te vrezen. Daarbij is van belang dat uit informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (ambtsbericht van 6 november 1998, kenmerk DPC/AM 613652) bekend is dat de Sri Lankaanse autoriteiten zich met name richten tegen

die Tamils die betrokken zijn bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) of van betrokkenheid bij de LTTE verdacht worden. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de Sri Lankaanse autoriteiten hem verdenken van

het hebben van (politieke) activiteiten voor de LTTE. Voor zover verzoeker al in zijn verklaringen zou moeten worden gevolgd is niet aannemelijk dat hij door de Sri Lankaanse autoriteiten wordt gezocht. Voorts is zeer

onwaarschijnlijk dat de gedwongen werkzaamheden van verzoeker voor de LTTE bij de

Sri Lankaanse autoriteiten bekend zijn. Die werkzaamheden hebben immers slechts een korte periode geduurd en waren niet van dien aard dat de Sri Lankaanse autoriteiten er kennis van zouden hebben kunnen nemen. Tevens is van belang

dat het risico dat verzoeker bij een eventuele arrestatie zou lopen beperkt is. Niet aannemelijk is dat verzoeker voor een periode langer dan een week zal worden vastgehouden.

Voorts bestaat er geen aanleiding verzoeker in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden. Verder is niet gebleken dat er een reëel risico bestaat dat verzoeker bij terugkeer in het land van herkomst

zal worden onderworpen aan een behandeling die strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM. Niet aannemelijk is dat verzoeker vanwege zijn litteken bij terugkeer naar Sri Lanka het risico loopt onderworpen te worden aan een

behandeling in de zin van voornoemd artikel.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat de voorlopige voorziening te treffen en het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen. Het verzoek

moet worden toegewezen indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dan verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van zijn besluit.

2. In deze belangenafweging speelt in dit geval met name een rol het voorlopig oordeel van de president over de rechtmatigheid van het besluit om de uitzetting niet achterwege te laten. Dit besluit is onrechtmatig indien het is

genomen in strijd met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder a, van de Vw onrechtmatig

indien de vreemdeling een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 15 Vw en er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat gevaar bestaat voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging,

nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

3. Het in dit kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van verweerder uitzetting hangende de bezwaarfase niet achterwege te laten is niet bindend in de bodemprocedure die (eventueel) tegen dat besluit wordt

aangespannen.

4. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Sri Lanka zorgwekkend is, doch niet zodanig dat asielzoekers die afkomstig zijn uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Verzoeker dient derhalve aannemelijk te

maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin rechtvaardigen.

5. De president is van oordeel dat verzoeker hierin niet is geslaagd. Niet is aannemelijk geworden dat verzoeker voor vervolging te vrezen heeft van de zijde van de Sri Lankaanse autoriteiten. De omstandigheid dat verzoeker in 1996

door het Sri Lankaanse leger is meegenomen en gedurende drie dagen is vastgehouden, leidt niet tot dat oordeel. Verzoeker is na korte tijd in vrijheid gesteld, hetgeen niet duidt op een bijzondere belangstelling voor zijn persoon.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de gedwongen activiteiten van verzoeker voor de LTTE dan wel dat de Sri Lankaanse autoriteiten verzoeker ervan verdenken lid te zijn

van de LTTE. Bovendien waren deze activiteiten van zodanig marginale aard, dat mede gelet daarop niet aannemelijk is dat de Sri Lankaanse autoriteiten daarvan op de hoogte zijn geraakt.

Evenmin is aannemelijk geworden dat verzoeker in Sri Lanka voor vervolging te vrezen heeft van de zijde van de LTTE. De omstandigheid dat verzoeker het kamp waar hij gevangen zat op eenvoudige wijze heeft kunnen verlaten en er

bovendien geen wacht of controle in het kamp aanwezig was, duidt niet op een bijzondere op de persoon van verzoeker gerichte aandacht van de zijde van de LTTE.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de president met recht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor toelating als vluchteling.

7. Met betrekking tot verzoekers beroep op artikel 3 EVRM overweegt de president het volgende.

Indien een vreemdeling bij gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die is verboden bij artikel 3 EVRM, dient verweerder ingevolge vaste jurisprudentie van het

Europese Hof voor de rechten van de mens hiertegen bescherming te bieden.

In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 september 1999 is in dit verband het volgende vermeld. Voor de risico-factoren voor detentie langer dan 48/72 uur zonder voorgeleiding voor de rechter en percentages

langdurig gedetineerden zij verwezen naar het ambtsbericht van 6 november 1998 (p.15-16). Onder die risico-factoren vallen het niet in het bezit zijn van een identiteitskaart, niet geregistreerd zijn bij de politie, recente aankomst

uit het noorden of het oosten, en zij die door aanwezigheid van littekens of om andere redenen verdacht worden van LTTE-lidmaatschap. (…) Daarbij kan men soms 5 dagen onder de normale strafwetgeving worden vastgehouden alvorens

voorgeleid te worden.

Evenals de president van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, in de uitspraak van 29 december 2000 (AWB 00/74187 VRWET en AWB 00/74199 VRWET) is de president van oordeel dat uit het hierboven vermelde volgt dat

een Tamil, bij wie tijdens een persoonscontrole littekens worden ontdekt in afwachting van de uitkomst van een antecedentenonderzoek, het risico loopt langer dan 48/72 uur te worden gedetineerd wegens verdenking van

LTTE-lidmaatschap.

Hoewel verzoeker heeft verklaard dat het litteken op zijn arm tijdens detentie is aangebracht door leden van het Sri Lankaanse leger en derhalve niet is veroorzaakt door betrokkenheid bij de LTTE, staat daarmee naar het oordeel van

de president niet vast dat de Sri Lankaanse autoriteiten het litteken van verzoeker niet in verband zullen brengen met LTTE-lidmaatschap, met name niet nu in eerdergenoemd ambtsbericht niet nader is omschreven om welke littekens het

gaat. Gelet hierop kan vooralsnog niet worden uitgesloten dat verzoeker het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

8. Op grond van het vorenstaande is de president van oordeel dat het besluit van verweerder om uitzetting hangende de bezwaarfase niet achterwege te laten destijds onrechtmatig is genomen.

9. Nu thans niet is gebleken van veranderde feiten en omstandigheden en evenmin is gebleken van een doorslaggevend belang van de kant van verweerder, bestaat er, gegeven de spoedeisendheid van de zijde van verzoeker in het licht van

diens belang om uitzetting te voorkomen, voldoende aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f

1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

11. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt

vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

IV. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker te (doen) verwijderen totdat is beslist op het bezwaar;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op ƒ 1.420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- (zegge: vijftig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001, door mr. F. Salomon, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Sulsters, griffier.

Afschrift verzonden op: 15 maart 2001

Conc.: es

Coll:

Bp: -

D: b