Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1991

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/250 VRONTO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / valse documenten / onttrekkingsgevaar.

Bij de vraag of een vreemdeling zich aan uitzetting zal onttrekken kan het er onder omstandigheden mede om gaan of de vreemdeling zich aan een bij de wet voorziene wijze van uitzetting onttrekt. Nu eiser is aangehouden omdat hij bij zijn poging op onregelmatige wijze uit te reizen een vals paspoort heeft gebruikt, is er sprake van een onregelmatige en zelfs strafbare uitreis. In dat geval is de aanname van verweerder dat eiser zich aan uitzetting zal onttrekken niet ongegrond. Het belang van de openbare orde rechtvaardigt dan ook de bewaring.

Aan verweerder moet enige ruimte worden geboden om aan het begrip 'te kennen geven Nederland te willen verlaten', als vermeld in artikel 26, tweede lid, Vw, van geval tot geval nadere invulling te geven. De enkele mededeling van de vreemdeling dat hij Nederland wil verlaten, behoeft dan ook niet te leiden tot beëindiging van de bewaring ingevolge artikel 26, tweede lid, Vw. Eiser heeft echter in dit geval verklaard Nederland te willen verlaten en verweerder twijfelde kennelijk niet aan deze mededeling. Verweerder heeft zich - met eiser - immers actief opgesteld teneinde te onderzoeken of eiser op eigen gelegenheid en op zijn eigen kosten het land zou kunnen verlaten en eiser de daartoe noodzakelijke stappen, als het laten overkomen van zijn paspoort en het aanschaffen van een vliegticket, laten ondernemen. Toen vervolgens de situatie ontstond waarin niets in de weg stond aan eisers vrijwillige vertrek - anders dan het ontbreken van voldoende vertrouwen van verweerder in eisers voornemen - kon op grond van het door de Vreemdelingendienst gewekte vertrouwen door verweerder niet meer worden teruggegrepen op de stelling dat niettemin niet aan de voorwaarde van artikel 26, tweede lid, Vw was voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/113

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht

j artikel 34a Vreemdelingenwet

reg. nr.: AWB 01/250 VRONTO

inzake : A, van gestelde Cambodjaanse nationaliteit, zonder vaste

woon- of verblijfplaats hier te lande, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 3 januari 2001 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) in bewaring gesteld. Verweerder heeft op dezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van

eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 5 januari 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

Op 9 januari 2001 is eiser uitgezet naar Cambodja.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 16 januari 2001. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. J. Hemelaar, advocaat te Hoofddorp. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. D. Grip, werkzaam bij

de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Eiser is op zijn uitreis uit Nederland aangehouden. In dat geval kan niet worden gezegd dat eiser zich aan het toezicht in Nederland onttrekt. Er is dan ook geen sprake van een inbreuk op de openbare orde. Slechts voor verblijf in

Nederland bestaat een wettelijke grondslag voor toezicht. Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 30 mei 2000 (JV 2000/195). De bewaring moet om deze reden vanaf de aanvang

onrechtmatig worden geacht.

Voorts heeft eiser tijdens de bewaring een beroep gedaan op artikel 26, tweede lid, van de Vw. Eiser heeft na voorafgaand overleg met de Vreemdelingendienst zijn paspoort laten overkomen uit Cambodja. Op zondag 7 januari 2001 is

eisers paspoort bij de gemachtigde van eiser binnengekomen en op maandag 8 januari 2001 heeft de gemachtigde het paspoort bij de Vreemdelingendienst overgelegd. Eiser was in het bezit van een ticket voor een vlucht naar Cambodja met

als datum van terugvlucht 9 januari 2001. Eiser heeft op maandag 8 januari 2001 te kennen gegeven dat hij Nederland wilde verlaten. Vanaf het moment dat hij over zijn eigen paspoort beschikte bestond voor hem daartoe ook de

gelegenheid. Bovendien beschikte eiser over voldoende middelen van bestaan. De bewaring had dan ook, gelet op artikel 26, tweede lid, van de Vw, op 8 januari 2001 moeten worden beëindigd. Nu dat door verweerder ten onrechte is

nagelaten, is de bewaring, in elk geval, vanaf deze datum onrechtmatig.

Eiser heeft er ten slotte op gewezen dat zowel zijn gemachtigde als de Vreemdelingendienst deze zaak als een principezaak zien. Volgens de gemachtigde van eiser heeft de Vreemdelingendienst hem gezegd zich in de toekomst in haar

overleg met vreemdelingen en hun gemachtigden te zullen richten naar hetgeen de rechtbank op het laatste punt zal beslissen.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Eiser is aangehouden op Schiphol wegens een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf. Eiser heeft zich wel degelijk onttrokken aan toezicht, daar hij geprobeerd heeft met een vals paspoort uit te reizen, terwijl hij bovendien

al vijf maanden illegaal hier te lande verbleef.

Voorts was er geen aanleiding om de bewaring op grond van artikel 26, tweede lid, van de Vw te beëindigen. Uit de stukken is weliswaar naar voren gekomen dat eiser in tweede instantie alle medewerking heeft verleend om zijn paspoort

uit Cambodja te laten overkomen, maar hij heeft zich eerder aan het toezicht onttrokken door met een vals paspoort uit Nederland te willen reizen. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij reeds vijf maanden illegaal in Nederland

verbleef. De Vreemdelingendienst zag hierin reden om hem te begeleiden bij zijn uitreis. Van de Vreemdelingendienst kon in dit geval niet worden verlangd dat zij onder deze omstandigheden geloof hecht aan de woorden van eiser dat

hij het land vrijwillig zou verlaten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de bewaring na de indiening van het beroep is opgeheven. Thans moet worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.

De rechtbank stelt voorop dat het belang van de openbare orde de bewaring kan vorderen indien het gevaar bestaat dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. Aan de orde is derhalve de vraag of verweerder terecht

heeft overwogen dat dat gevaar bestond.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat eiser niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, dat zijn identiteit en nationaliteit niet vaststaan en dat zijn uitzetting is gelast.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerders standpunt dat aannemelijk is dat eiser zich aan de uitzetting zou onttrekken, ten tijde van de inbewaringstelling niet ongegrond was. De door eiser in dit kader

geponeerde stelling dat hij, toen hij werd aangehouden, bezig was Nederland uit te reizen en zich derhalve niet aan de uitzetting heeft onttrokken, volgt de rechtbank niet. Zij overweegt hiertoe dat het er bij de vraag of een

vreemdeling zich aan uitzetting zal onttrekken onder omstandigheden mede om kan gaan of de vreemdeling zich aan een bij de wet voorziene wijze van uitzetting onttrekt. Nu eiser is aangehouden omdat hij bij zijn poging op

onregelmatige wijze uit te reizen een vals paspoort heeft gebruikt, is er sprake van een onregelmatige en zelfs strafbare uitreis. In dat geval is de aanname van verweerder dat eiser zich aan uitzetting zal onttrekken niet

ongegrond.

Gelet op vorenstaande wordt geoordeeld dat het belang van de openbare orde de bewaring rechtvaardigde toen zij werd bevolen.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Vw blijft de bewaring van een vreemdeling achterwege wanneer - en wordt beëindigd zodra - hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat.

De rechtbank stelt voorop dat aan verweerder enige ruimte moet worden geboden om aan het begrip "te kennen geven Nederland te willen verlaten" van geval tot geval nadere invulling te geven. De enkele mededeling van de vreemdeling

dat hij Nederland wil verlaten, behoeft dan ook niet te leiden tot beëindiging van de bewaring ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Vw. De rechtbank overweegt echter dat eiser in dit geval heeft verklaard Nederland te willen

verlaten en dat verweerder kennelijk niet aan deze mededeling twijfelde. Verweerder heeft zich - met eiser - immers actief opgesteld teneinde te onderzoeken of eiser op eigen gelegenheid en op zijn eigen kosten het land zou kunnen

verlaten en eiser de daartoe noodzakelijke stappen, als het laten overkomen van zijn paspoort en het aanschaffen van een vliegticket, laten ondernemen. Toen vervolgens de situatie ontstond waarin niets in de weg stond aan eisers

vrijwillige vertrek - anders dan (kennelijk) het ontbreken van voldoende vertrouwen van verweerder in eisers voornemen - kon op grond van het door de Vreemdelingendienst gewekte vertrouwen door verweerder niet meer worden

teruggegrepen op de stelling dat niettemin niet aan de voorwaarde van artikel 26, tweede lid, van de Vw was voldaan. De omstandigheid dat eiser tevoren had verklaard reeds vijf maanden illegaal in Nederland te hebben verbleven, deed

daar, gelet op het voorgaande, niet aan af.

Gebleken is dat op 8 januari 2001 bij de Vreemdelingendienst bekend werd dat eiser in het bezit was van zijn paspoort en een ticket naar Cambodja, zodat hij in de gelegenheid was het land te verlaten. In dit geval was derhalve op

8 januari 2001 aan de voorwaarden van artikel 26, tweede lid, van de Vw voldaan en had verweerder de bewaring op die datum moeten beëindigen. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten. De bewaring is derhalve vanaf 8 januari 2001

onrechtmatig.

Het beroep is, gelet op vorenstaande, gegrond.

Nu de bewaring onrechtmatig wordt geoordeeld heeft eiser in beginsel aanspraak op schadevergoeding, behoudens gronden van billijkheid die tot matiging kunnen leiden. De rechtbank acht dergelijke gronden niet aanwezig, nu de

waarborgen die de vreemdelingenwetgeving eiser biedt zodanig zijn geschonden dat de daaruit voortvloeiende schade niet, ook niet voor een deel, aan eiser toegerekend kan worden.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als genoemd in artikel 34j van de Vw en wel tot een bedrag van ƒ 200,- per dag dat eiser ten onrechte op

een politiebureau aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal ƒ 200,-.

Gelet op het vorenstaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op ƒ 1420,- als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent ten laste van de Staat der

Nederlanden aan de vreemdeling een schadevergoeding toe van ƒ 200,- (zegge:

tweehonderd gulden), te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van ƒ 1420,- (zegge:

veertienhonderd en twintig gulden) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden

als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te

betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2001 in tegenwoordigheid van mr. J.Th.H. Zimmerman, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc.:AZ

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.