Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1937

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/8250
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Turkse Koerd / PKK.

In het ambtsbericht van 13 december 2000 staat: "Indien bij terugkeer een antecedent wordt vastgesteld volgt in de regel een nader onderzoek (...). Er zijn geloofwaardige berichten dat tijdens deze nadere onderzoeken niet zelden mishandelingen en/of folteringen voorkomen; dit is vooral het geval indien de verdenking zich richt tegen mogelijke betrokkenheid bij de PKK. Indien er echter geen specifieke verdenkingen zijn, volgt in de regel na gemiddeld zes tot negen uur vrijlating. In andere gevallen wordt de betrokkene overgedragen aan de betrokken opsporingsinstantie."

Naar het oordeel van de president kan uit het Duitse rapport "Von Deutschland in den türkischen Folterkeller, Zur Rückkehrgefährdung von Kurdinnen und Kurden" van de Niedersächsische Flüchtingsrat en PRO ASYL van juni 2000 weliswaar een zekere willekeur en onvoorspelbaarheid van de bejegening bij terugkeer worden afgeleid, maar juist waar het gaat om grote aantallen teruggestuurden, als in het rapport bedoeld, en daarvan in een substantieel maar lang niet alle gevallen een wrede en onmenselijke behandeling volgt, is niet de conclusie op basis van die gegevens gerechtvaardigd dat het risico voor elke teruggezonden Turkse Koerd op een wrede en onmenselijke behandeling zo reëel is dat terugzending in geen geval toelaatbaar is te achten. Het rapport kan voorts de conclusie in het ambtsbericht niet weerleggen, dat tijdens het kortdurend antecedentenonderzoek een voor onderhavige beoordeling relevante wrede of onmenselijke behandeling realiter niet aan de orde is.

Daarnaast ziet de president geen aanleiding het ambtsbericht niet te volgen in de conclusie dat slechts bij het bestaan van antecedenten het risico of een wrede en onmenselijke behandeling in het kader van nader onderzoek zodanig is dat uitzetting verboden moet worden. Het komt er bij de vraag naar de toelaatbaarheid van de uitzetting daarom op aan te onderzoeken of er relevante antecedenten zijn, althans redelijkerwijs door de Turkse autoriteiten aan de terugkerende asielzoeker zullen worden toegerekend. Daarbij zij opgemerkt dat onder dergelijke antecedenten volgens het Duitse rapport ook activiteiten in het westen te beschouwen zijn. Verzoekers relaas bevat geen aanknopingspunten dat een antecedent over hem bestaat of aan hem zal worden toegedicht. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/155

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/8250 VRWET H

inzake: A, wonende/verblijvende te B, verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Timmer, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.H.J.M. Roelofs, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Verzoeker, geboren op [...] 1977, heeft de Turkse nationaliteit. Hij verblijft sedert 6 december 1999 in Nederland. Op 16 december 1999 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een

vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 14 april 2000, aan verzoeker uitgereikt op 2 mei 2000, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om

toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Verzoeker heeft op 12 mei 2000 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting, gedurende de

periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven.

1.2 Bij verzoekschrift van 4 september 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te

laten, totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek met toepassing van artikel 33b Vw.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 18 januari 2000. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een

voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 32, aanhef en eerste lid, onder a, Vw blijft uitzetting hangende bezwaar achterwege, tenzij er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging als omschreven in artikel

15, eerste lid, Vw.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw blijft uitzetting hangende bezwaar achterwege, indien het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.

Tenslotte dient uitzetting achterwege te blijven ingeval deze anderszins in strijd is met het recht.

2.3 Verzoeker legt aan de aanvragen ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard en beoogt met het

onderhavige verzoek zijn uitzetting hangende het verdere onderzoek in de bodemprocedure te voorkomen.

Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij – voor zover mogelijk samengevat en voor zover hier van belang – het navolgende aangevoerd. Verzoeker behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en stelt hierdoor alsmede vanwege zijn

betrokkenheid bij de PKK problemen te hebben ondervonden in Turkije. Verzoeker was sympathisant van de PKK en bracht in 1995 voedsel naar PKK-strijders. In 1995/1996 is verzoeker tweemaal opgepakt door het leger op verdenking van

betrokkenheid bij de PKK. Hij is na zes respectievelijk twee dagen wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten.

Vanaf september 1997 heeft verzoeker zijn militaire dienstplicht vervuld en op 5 mei 1999 is hij op normale wijze afgezwaaid. Nadien, in 1 juni 1999, bracht verzoeker weer voedsel naar de PKK.

In juni 1999 is een vriend voor verzoekers ogen door een pantserwagen van het leger (opzettelijk) van de weg gereden, waardoor deze vriend is gedood.

Militairen zijn langs geweest op zoek naar een van zijn broers, doch deze broer is verdwenen.

Verzoeker werd regelmatig (eenmaal tot driemaal per maand) naar het bureau meegenomen om één of twee dagen vastgehouden te worden, waarna hij werd vrijgelaten. Tijdens de gehoren werd hem gevraagd of hij voedsel naar de PKK

bracht, hetgeen verzoeker ontkende. Laatstelijk is hij op 1 september 1999 ondervraagd. Verzoeker heeft op 1 december 1999 Turkije verlaten.

2.4 Verweerder heeft in de bestreden beschikking – samengevat en voor zover hier van belang – overwogen dat verzoeker heeft verklaard activiteiten te hebben verricht voor de PKK, maar acht gelet op de beperkte omvang en aard

daarvan, niet aannemelijk dat hij deswege vervolging heeft te vrezen van de Turkse autoriteiten. De problemen die verzoeker heeft ondervonden zijn lokaal. Niet valt in te zien dat hij geen (tijdelijk) vestigingsalternatief heeft in

bijvoorbeeld een van de grote steden in Turkije. Verweerder wijst er nog op dat verzoeker bij zijn vertrek uit zijn geboortestreek nog is gecontroleerd door gendarmes en dat niet is gebleken dat een opsporings- of arrestatiebevel

tegen verzoeker is uitgevaardigd.

Voorts is door verweerder overwogen dat verzoeker op essentiële onderdelen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.

2.5 In bezwaar is namens verzoeker – samengevat – naar voren gebracht dat verzoekers aanvraag bezien dient te worden in het licht van de zorgwekkende situatie in Turkije. Voor zover geoordeeld zou worden dat verzoekers activiteiten

in het land van herkomst van marginale aard waren, betekent dat nog niet dat hij deswege geen risico loopt bij terugkeer. Dat hij tijdens het eerste gehoor andere verklaringen heeft afgelegd dan tijdens het nader gehoor mag niet

tegen hem gebruikt worden, nu het eerste gehoor enkel bedoeld is om de identiteit, nationaliteit en reisroute in kaart te brengen.

2.6 Ter zitting is voorts – samengevat - betoogd dat, voor zover verweerder ten aanzien van de (gestelde) positieve ontwikkelingen in Turkije verwijst naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 december

2000, verzoeker in de gelegenheid dient te worden gesteld daaromtrent gehoord te worden. Uit voornoemd ambtsbericht blijkt dat er bij terugkeer antecedentenonderzoek wordt verricht. Dienaangaand staat in het ambtsbericht vermeld:

"Er zijn geloofwaardige berichten dat tijdens deze nadere onderzoeken niet zelden mishandelingen en/of folteringen voorkomt". In het rapport van de Duitse organisatie Pro Asyl "Von Deutschland in den türkischen Folterkeller" van

juni 2000 wordt melding gemaakt van 32 gevallen van marteling of mishandeling bij terugkeer. In Duitsland wordt geloof gehecht aan deze verklaringen, zodat hieraan niet zonder meer voorbij mag worden gegaan. Voorts blijkt uit

voornoemd rapport dat er maar weinig verdenking van PKK-betrokkenheid nodig is om slachtoffer te worden van ernstige mensenrechtenschendingen.

2.7 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

Verweerder heeft geconcludeerd tot afwijzing van de gevraagde voorlopige voorziening en ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw.

2.8 De fungerend president overweegt als volgt.

2.9 Voorop staat dat het enkele feit dat verzoeker behoort tot de bevolkingsgroep der Koerden in Turkije niet meebrengt dat hij om die reden als vluchteling aangemerkt dient te worden.

Naar het oordeel van de president heeft verweerder voorts terecht kunnen concluderen dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat voor verzoeker bij terugzending naar Turkije geen gevaar voor vervolging bestaat en

evenmin een reëel risico op een wrede of onmenselijke behandeling. Daartoe is het volgende redengevend.

2.10 Verzoeker heeft tijdens de verschillende gehoren op essentiële onderdelen tegenstrijdige en bovendien vage verklaringen afgelegd die in ernstige mate afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de cruciale onderdelen van zijn

asielrelaas. De president gaat voorbij aan verzoekers stelling dat tegenstrijdigheden in het relaas niet mogen worden afgeleid uit verklaringen tijdens het eerste gehoor. Weliswaar is namens verzoeker terecht opgemerkt dat het

eerste gehoor dient ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute van de vreemdeling, zodat de aldaar afgelegde verklaringen met name in het kader van dat onderzoek moeten worden begrepen, doch dit betekent niet dat

verklaringen die aldaar worden afgelegd niet aan hem mogen worden tegengeworpen als deze strijdig blijken te zijn met later afgelegde verklaringen, zonder dat daarvoor een bevredigende verklaring wordt gegeven.

Verzoeker heeft desgevraagd tijdens het eerste gehoor aangegeven dat zijn broer C in de ouderlijke woning verblijft. In het nader gehoor heeft hij hierop aanvankelijk geen correctie aangebracht. Eerst later heeft hij in het nader

gehoor - in de context van gebeurtenissen die in juni 1999 zouden hebben plaatsgevonden - aangegeven dat deze broer is verdwenen. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor staat voorts vermeld dat deze broer een jaar op

tien verdwenen is. Deze verklaringen over de verblijfplaats van de broer heeft verweerder als tegenstrijdig kunnen aanmerken, terwijl daarvoor geen bevredigende verklaring is gegeven.

Voorts heeft verweerder terecht opgemerkt dat verzoeker omtrent zijn gestelde detenties discrepante verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft hij aanvankelijk verklaard tweemaal in 1995/1996 te zijn vastgehouden gedurende zes

respectievelijk twee dagen. Vervolgens verklaart hij tijdens het nader gehoor dat hij daarnaast verschillende malen in 1999 is meegenomen en gedurende één of twee dagen is vastgehouden. Verzoekers verklaring voor deze discrepantie,

dat hij bij het eerste gehoor enkel de langere detenties heeft genoemd, acht de fungerend president volstrekt ontoereikend, nu verzoeker aanvankelijk wel melding heeft gedaan van de detentie van twee dagen in 1995/1996.

Tenslotte heeft verzoeker tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn verblijfplaats tot aan zijn vertrek uit het land van herkomst. In het verslag van het eerste gehoor is op pagina 7 als zijn verklaring vastgelegd, dat hij

vanaf zijn geboorte tot de dag van vertrek op 30 november 1999 onafgebroken op het adres van zijn ouders heeft gewoond, geleefd en geslapen. Vervolgens geeft hij aan dat hij voor zijn militaire dienst een aantal maanden in 1996 op

een ander adres heeft verbleven, doch een verblijf elders in 1999 heeft hij daar niet vermeld. Zijn reisverhaal start met de opmerking dat hij op 30 november 1999 samen met zijn vader zijn woning in zijn geboortedorp heeft verlaten.

Nadat in het nader gehoor zeer intensief gesproken was over de vraag waarom verzoeker ondanks zijn stellingen omtrent de vele bezoeken en ophoudingen door de autoriteiten vanaf juni 1999 eerst in december 1999 het land verliet en

verzoeker later aangaf na 1 september 1999 niet meer te zijn meegenomen, heeft verzoeker pas veel later aangegeven dat hij vanaf 1 september 1999 niet meer thuis verbleef. Verzoekers verklaringen bieden daartegenover onvoldoende

aanknopingspunten voor zijn stelling dat hij in het eerste gehoor bedoeld had aan te geven dat hij steeds geregistreerd stond - en dus woonachtig was - op het adres van zijn ouders, doch dat hij sedert september 1999 niet langer

daar verbleef.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de conclusie kunnen trekken dat geen geloof kan worden gehecht aan de cruciale stelling van verzoeker dat hij sedert zijn terugkeer uit militaire dienst in 1999 als PKK-aanhanger of

anderszins als Koerdisch opposant werd gezocht. Verzoeker heeft die stelling niet anderszins aannemelijk gemaakt nog aangegeven daarvan een nadere onderbouwing te kunnen leveren.

2.11 Dat verzoeker sedert 1995/1996 in de (negatieve) belangstelling zou staan bij de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de PKK, heeft verzoeker naar het oordeel van de fungerend president ook niet op andere wijze

tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt.

Weliswaar stelt verzoeker dat hij in 1995/1996 tweemaal is opgepakt, doch beide keren is hij na korte tijd wegens gebrek een bewijs vrijgelaten. Evenmin is gebleken dat verzoeker tijdens het vervullen van zijn militaire dienstplicht

problemen heeft ondervonden.

Voorts is niet gebleken dat verzoeker vanwege de gestelde verdwijning van zijn broer persoonlijk problemen heeft ondervonden.

De stellingen omtrent het overlijden van zijn vriend, hoe confronterend die ook mogen zijn, rechtvaardigen niet de conclusie dat de autoriteiten belangstelling voor verzoeker toonden.

Dat verzoeker in 1999 diverse malen zou zijn aangehouden acht de fungerend president gelet op het onder 2.10 overwogene niet aannemelijk. Bovendien is niet aannemelijk dat verzoeker steeds heengezonden zou zijn, indien er

daadwerkelijk vluchtelingrechtelijk relevante negatieve belangstelling voor hem zou bestaan. De gestelde bezoeken door militairen bij verzoekers ouders heeft verweerder, in het licht van de algehele situatie in Zuidoost-Turkije,

overigens kunnen kwalificeren als niet specifiek op de persoon van verzoeker gerichte acties.

2.12 Voormeld oordeel wordt niet anders doordat verweerder, zoals verzoeker terecht heeft doen opmerken, zich ten onrechte in zijn motivering op een binnenlands vluchtalternatief heeft gebaseerd, terwijl verzoeker stelt vervolging

door de centrale autoriteiten te vrezen. Van vluchtelingrechtelijk relevante belangstelling van die autoriteiten is immers niet gebleken.

2.13 Verzoeker heeft onder verwijzing naar het rapport "Von Deutschland in den türkischen Folterkeller, Zur Rückkehrgefährdung von Kurdinnen und Kurden" van de Niedersächsische Flüchtingsrat en PRO ASYL van juni 2000 aangevoerd dat

elke teruggestuurde Turkse Koerd van de zijde van de Turkse overheid zodanig risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdig, c.q. als vervolging te kwalificeren bejegening dat de gedwongen terugkeer van elke Turkse Koerd als

strijdig met het refoulementverbod en artikel 3 EVRM ontoelaatbaar moet worden geacht. Het rapport bevat een selectie uit een groot aantal zaken – 32 totaal - waarin door Duitsland Turks Koerdische asielzoekers gedwongen naar

Turkije zijn uitgezet, c.q. teruggestuurd, en die vervolgens aldaar een wrede en onmenselijke behandeling van de zijde van de Turkse autoriteiten hebben ondergaan. Aangegeven is dat er meer gevallen zijn onderzocht waarin twijfel

over de bejegening bij terugkeer bestond, doch dat in de bundeling volstaan is met de zaken waarin de wrede en onmenselijke behandeling vast staat. In het rapport is voorts aangegeven dat jaarlijks duizenden Turken naar Duitsland

vluchten en dat velen daarvan worden teruggestuurd.

2.14 Ter zitting is voorts gesproken over het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 december 2000. In het ambtsbericht wordt op pagina 10 aangeven dat bij terugkeer steeds een antecedentenonderzoek volgt, waarna

wordt opgemerkt:

"Indien bij terugkeer een antecedent wordt vastgesteld volgt in de regel een nader onderzoek dat in eerste instantie geschiedt op het bureau van de Turkse inlichtingendienst in Istanboel. Er zijn geloofwaardige berichten dat tijdens

deze nadere onderzoeken niet zelden mishandelingen en/of folteringen voorkomt; dit is vooral het geval indien de verdenking zich richt tegen mogelijke betrokkenheid bij de PKK. Indien er echter geen specifieke verdenkingen zijn,

volgt in de regel na gemiddeld zes tot negen uur vrijlating. In andere gevallen wordt de betrokkene overgedragen aan de betrokken opsporingsinstantie."

2.15 Naar het oordeel van de president kan uit het Duitse rapport weliswaar een zekere willekeur en onvoorspelbaarheid van de bejegening bij terugkeer worden afgeleid, maar juist waar het gaat om grote aantallen teruggestuurden,

als in het rapport bedoeld, en daarvan in een substantieel maar lang niet alle gevallen een wrede en onmenselijke behandeling volgt, is niet de conclusie op basis van die gegevens gerechtvaardigd dat het risico voor elke

teruggezonden Turkse Koerd op een wrede en onmenselijke behandeling zo reëel is dat terugzending in geen geval toelaatbaar is te achten. Het rapport kan voorts de – latere – conclusie in het ambtsbericht niet weerleggen, dat

weliswaar bij terugkeer van Turks Koerdisch asielzoekers steeds een kortdurend antecedentenonderzoek volgt, maar dat in die fase een voor onderhavige beoordeling relevante wrede of onmenselijke behandeling realiter niet aan de orde

is. De feitelijke gegevens in het rapport bieden voor een andere conclusie onvoldoende grondslag. Daarnaast ziet de president geen aanleiding het ambtsbericht niet te volgen in de conclusie dat slechts bij het bestaan van

antecedenten het risico of een wrede en onmenselijke behandeling in het kader van nader onderzoek zodanig is dat uitzetting verboden moet worden. Het komt er bij de vraag naar de toelaatbaarheid van de uitzetting daarom op aan te

onderzoeken of er relevante antecedenten zijn, althans redelijkerwijs door de Turkse autoriteiten aan de terugkerende asielzoeker zullen worden toegerekend. Daarbij zij opgemerkt dat onder dergelijke antecedenten volgens het Duitse

rapport ook activiteiten in het Westen te beschouwen zijn.

2.16 Verzoekers relaas bevat echter geen aanknopingspunt dat een antecedent over hem bestaat of aan hem zal worden toegedicht.

2.17 Voorts is de president van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan verzoeker een vergunning tot verblijf dient te worden

verleend.

2.18 Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging als bedoeld in artikel 15, eerste lid, Vw, c.q. een met artikel 3 EVRM strijdige

bejegening, en dat het bezwaarschrift voor zover dat is gericht tegen de weigering van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, geen redelijke kans van slagen heeft.

2.19 De beoordeling van de stelling, dat verzoeker gehoord dient te worden valt in dit geval samen met de beoordeling van de vraag of aan de indiening van het bezwaarschrift ten onrechte schorsende werking is onthouden en dus -

gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, Vw - met de vraag of er in redelijkheid twijfel over kan bestaan dat gevaar bestaat voor vervolging als bedoeld in artikel 15 Vw, danwel er anderszins aanleiding bestaat om aan te

nemen dat het tegen de weigering tot toelating gerichte bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen, is de conclusie, dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is.

2.20 Nu ook anderszins niet is gebleken van strijd met het recht bestaat in het onderhavige geval, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening, zodat het verzoek zal worden

afgewezen.

2.21 Op grond van al het voorgaande acht de president het zonder meer aannemelijk dat het ingediende bezwaarschrift niet tot een andere uitkomst zal leiden dan in de voorlopige voorzieningprocedure. Nu voorts niet is gebleken dat

nader onderzoek redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, bestaat in dit geval eveneens aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 33b Vw.

2.22 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

3.2 verklaart het bezwaar tegen de beschikking van 14 april 2000 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2001, in tegenwoordigheid van mr. B.F.C. van Rheenen als griffier.

afschrift verzonden: 8 feb. 2001

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.