Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1932

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/1173, 00/1174
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak / Koerd / vestigingsalternatief Noord-Irak.

Eisers zijn Koerden afkomstig uit Centraal-Irak. In zijn algemeenheid is zal de Koerdische afkomst van een asielzoeker uit Irak voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkene beschikt over zodanige gemeenschapsbanden dat hij in Noord-Irak een menswaardig bestaan kan leiden.

Eisers behoren tot Koerdische families die al zeer lang buiten het Koerdische gebied hebben gewoond. Zij hebben geen familie in Noord-Irak. Zij hebben het grootste gedeelte van hun leven in Koeweit gewoond gevolgd door circa acht jaar verblijf in Bagdad. Zij beheersten de Koerdische taal niet en voelen zich meer Arabier dan Koerd. In dit bijzondere geval ligt het daarom op de weg van verweerder deze omstandigheden te toetsen en in zijn afweging te betrekken, voordat de rechtbank aan toetsing daarvan kan toekomen. Voor instandlating van de rechtsgevolgen bestaat derhalve geen aanleiding. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: 00/1173 en 00/1174

Datum uitspraak: 17 januari 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)

in de zaak van

A

en

B,

eiser,

gemachtigde mr. A.M.I. Spauwen,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie en Naturalisatiedienst),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. H.M. Schaak,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 15 augustus 1998 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikkingen van 13 juli 1999 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eisers geen vergunning tot verblijf op

grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eisers hebben daartegen bij bezwaarschrift van 16 augustus 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 30 december 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschriften van 27 januari 2000 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 oktober 2000. Eiser zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikkingen van 30 december 1999 in rechte stand kunnen houden.

2. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen

voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

3. Het vluchtrelaas van eisers komt op het volgende neer.

Eiser is in 1953 geboren in Bagdad, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser heeft van 1954 tot 1990 in Koeweit gewoond. Daarna heeft eiser in Bagdad gewoond. Eiseres is in 1974 geboren in

Koeweitstad, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort eveneens tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiseres heeft tot 1992 in Koeweit gewoond. Vanaf 1992 woonde eiseres eveneens in Irak. Eisers hebben Irak verlaten omdat eiser

problemen had met de economische veiligheidsdienst in Irak. Eiser had deze problemen omdat hij van juni 1986 tot eind mei 1990 voor (de vrouw van) de oom van de Emir van Koeweit heeft gewerkt. Eiser werkte hoofdzakelijk als

chauffeur voor deze familie. Tevens werkte eiser als technisch taxateur voor een assurantiekantoor. In 1990 zijn eisers vanwege de inval in Koeweit door de Iraakse autoriteiten naar Irak gegaan. Eisers hebben in Bagdad gewoond, waar

eiser van 1990 tot juli 1998 een eigen restaurant en een supermarkt heeft gehad. Eiser heeft in die periode problemen gekregen omdat de economische veiligheidsdienst vond dat eiser zijn producten te hoog had geprijsd. Eiser is

herhaaldelijk gedetineerd en geconfronteerd met zijn werkzaamheden voor de familie van de Emir. De autoriteiten wisten dat eiser voor de familie van de Emir had gewerkt omdat eisers buurman, die eiser in vertrouwen had genomen, dit

had doorverteld. Eiser is diverse keren door de autoriteiten opgepakt, maar hij kon zich steeds vrijkopen. Eiser werd steeds bedreigd en afgeperst. Eiser werd ervan verdacht samen te werken met het Koeweitse verzet. Bij zijn laatste

vrijlating werd eiser verteld dat hij de volgende keer in de Abu Chreeb gevangenis gedetineerd zou worden. Eiser was bang hier niet levend vandaan te komen. Eiser besloot Irak met zijn gezin te verlaten. Het relaas van eiseres is

afhankelijk van dat van eiser.

4. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat aan eisers verklaringen geen geloof wordt gehecht. Voorts heeft eiser gedurende de procedure tegenstrijdige verklaringen afgelegd betreffende zijn werkzaamheden alsmede betreffende

zijn afkomst. Ook hierdoor kan volgens verweerder geen geloof worden gehecht aan eisers relaas. Volgens verweerder is niet aannemelijk dat de Iraakse autoriteiten hun negatieve belangstelling op een gewezen parttime chauffeur van

familieleden van de Emir van Koeweit zouden richten.

Het wekt, aldus verweerder, bevreemding dat eiser die zegt de Iraakse autoriteiten te vrezen, juist naar Bagdad is gegaan na de inval door Irak in Koeweit. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiser zijn buurman zou hebben verteld

van zijn verleden. Evenmin aannemelijk is volgens verweerder dat de Iraakse autoriteiten via onschuldige praatjes van de kinderen van eisers op de hoogte zouden zijn geraakt van eisers verleden. Ook onaannemelijk is dat de

economische veiligheidsdienst na acht jaren nog steeds dezelfde vragen zou stellen. Volgens verweerder vallen eisers niet onder één van de risicocategorieën zoals genoemd in de algemene ambtsberichten van de Minister van

Buitenlandse Zaken van 15 april 1999, 31 maart 1998 en 13 november 1998 (DPC/AM – 568758) en kunnen zij zich onttrekken aan de door hen gestelde problemen door zich in Noord-Irak te vestigen. Dat eisers niet het recht hebben zich in

Noord-Irak te vestigen, is niet onderbouwd. Voorts baseren eisers slechts op geruchten dat Koerden collaboreren met de Iraakse autoriteiten. Verweerder heeft voorts gesteld dat terugkeer naar Noord-Irak geen schending van artikel 3

van het (Europees) Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) oplevert. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat getoetst is of van eisers kan worden verwacht zich staande te houden. In dat

verband heeft verweerder overwogen dat eiser 46 jaren oud is en eiseres 25 jaren oud en dat niet gebleken is van gezondheidsproblemen. Verweerder heeft de aanvragen van eiseres afgewezen omdat niet gebleken is dat zij zich als

tegenstander van het regime in haar land van herkomst heeft gemanifesteerd, alsmede omdat haar relaas afhankelijk is van dat van eiser en diens aanvraag eveneens is afgewezen.

5. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen geloof hecht aan hun verklaringen. Eisers hebben voorts aangegeven dat het voor hen onbegrijpelijk is dat er volgens verweerder geen enkele reden is voor

vrees voor vervolging, laat staan dat eiser zich niet als tegenstander van het regime heeft gemanifesteerd in de ogen van dat regime. In Bagdad praatten de kinderen hun mond voorbij. Door hun onschuldige praatjes raakte eiser in

grotere problemen. Eiser heeft herhaaldelijk en veel steekpenningen moeten betalen. In bezwaar verklaarde eiser dat hij geen Koerd is en ook geen recht heeft zich in Noord-Irak te vestigen, terwijl eiser voorts geruchten had gehoord

dat ook Koerden collaboreren met de Iraakse autoriteiten. In beroep heeft eiser op dit punt gesteld dat hij weliswaar als Koerd is geboren, maar dat hij qua levenswandel een Arabier is in hart en nieren. Hij heeft immers van 1954

tot medio 1990 in Koeweit gewoond. Eisers betwisten dat zij een vestigingsmogelijkheid in Noord-Irak hebben. Eisers stellen geen familie in Noord-Irak te hebben, de Koerdische taal niet te spreken en totaal geen bindingen met

Noord-Irak te hebben. Noord-Irak is geen veilig alternatief, aldus eisers. Eisers stellen in beroep dat zij feitelijk tot de Arabische bevolkingsgroep behoren en geen band hebben met het noordelijk gebied.

6. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt.

Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

7. De rechtbank oordeelt dat zelfs bij de meest gunstige lezing van het relaas van eisers niet aannemelijk is geworden dat zij gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag hebben. De negatieve aandacht die

eiser heeft ondervonden is te omschrijven als afpersing en is naar het oordeel van de rechtbank niet tot één der Verdragsgronden te herleiden. De rechtbank heeft bij haar overwegingen betrokken dat ook uit het algemene ambtsbericht

van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999 blijkt dat de veiligheidsdiensten zich mede als gevolg van de economische malaise schuldig maken aan criminele activiteiten. Net als militairen, politie- en andere

overheidsfunctionarissen laten leden van de veiligheidsdiensten zich op vrijwel alle niveaus en in toenemende mate in met corruptie, afpersing en andere vormen van misbruik van hun machtspositie. Blijkens genoemd ambtsbericht worden

winkeliers en andere ondernemers meer dan voorheen gedwongen tot kosteloze levering van goederen en diensten, zonder dat andere autoriteiten daartegen optreden.

8. Het relaas van eisers past in het hiervoor geschetste beeld van de algehele situatie in Irak. Hoezeer ook te betreuren valt dat eiser hierdoor zijn nering heeft moeten opgeven, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit eisers

verklaringen niet dat de Iraakse autoriteiten het omwille van zijn verleden op eiser hebben voorzien. Dat eisers verleden als pressiemiddel zou zijn gebruikt, doet hier niet aan af. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat

eiser veelvuldig zou zijn opgepakt, maar steeds opnieuw - zij het tegen betaling - weer zou zijn vrijgelaten. Deze gang van zaken duidt er in de visie van de rechtbank niet op dat jegens hem serieuze verdenkingen werden gekoesterd

en hij daadwerkelijk als opposant werd beschouwd.

9. Eisers zijn er voorts niet in geslaagd aannemelijk te maken dat alle Iraakse burgers die in Koeweit hebben gewoond onderdrukt worden en dat alleen al om die reden sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Zij hebben deze

stelling onvoldoende onderbouwd.

10. De rechtbank concludeert dat verweerder ten aanzien van eisers terecht niet tot vluchtelingschap heeft geconcludeerd.

11. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor

verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

12. Gelet op hetgeen bij de beoordeling van de asielaanvraag is overwogen, is niet aannemelijk, dat eisers bij gedwongen verwijdering naar Irak een reëel risico lopen te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3

van het EVRM bescherming beoogt te bieden, zodat eisers aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kunnen ontlenen.

13. De rechtbank verwijst naar hetgeen ter zake van het vluchtelingschap is overwogen. Daaraan voegt de rechtbank toe dat nu eiser heeft verklaard dat hij zijn supermarkt en restaurant moest opgeven en het financieel niet meer kon

opbrengen aan de afpersing toe te geven, niet aannemelijk is dat bij eventuele terugkeer sprake zou zijn van een reële dreiging van een te verwachten behandeling die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Eiser kan immers niet

meer worden beschouwd als winkelier / ondernemer die risico loopt op afpersing door Iraakse overheidsfunctionarissen. Dat uit dien hoofde of anderszins een behandeling te verwachten is die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, is

daarom niet aannemelijk geworden.

14. Ter zake van de vraag of eisers op andere gronden in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf, merkt de rechtbank het volgende op.

15. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eisers kan worden verwacht zich te vestigen in Noord-Irak.

16. Allereerst wordt opgemerkt dat de rechtbank er in tegenstelling tot eisers van uit gaat dat eisers tot de Koerdische bevolkingsgroep behoren, al hebben eisers naar hun gevoel meer binding met de Arabische bevolkingsgroep. De

rechtbank oordeelt met verweerder dat eisers niet behoren tot één der risicocategorieën zoals bedoeld in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999, 13 november 1998 en 31 maart 1998, zoals hiervoor

reeds genoemd. Ook verweerders constatering in de bestreden beschikkingen dat eisers geen hoge leeftijd hebben en dat niet gebleken is van gezondheidsproblemen, is juist. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat dit niet reeds

betekent dat daarmee in dit geval van eisers kan worden verlangd dat zij zich in Noord-Irak vestigen, noch dat enkel op deze grond een binnenlands vestigingsalternatief kan worden aangenomen. Voor dit oordeel is het volgende van

belang.

17. Ingevolge artikel 12b, eerste lid, van de Vw kan verweerder een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar

het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

18. Bij brief van 20 november 1998 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 19 637, nr. 395) heeft verweerder bekend gemaakt, dat het ten aanzien van Irakezen gevoerde

vvtv-beleid wordt beëindigd. Aan deze beleidswijziging ligt het oordeel van verweerder ten grondslag, dat verwijdering van Irakezen naar het door de centrale Iraakse overheid beheerste gebied (hierna: Centraal-Irak) van bijzondere

hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie in dat gedeelte van Irak, doch verwijdering van Irakezen naar het niet door de centrale overheid beheerste (Koerdische) gedeelte van Noord-Irak (hierna:

Noord-Irak) niet, alsmede dat Irakezen die uit Centraal Irak afkomstig zijn in Noord-Irak een binnenlands vestigingsalternatief kunnen vinden. Indien in een individueel geval in Noord-Irak geen vestigingsalternatief aanwezig is,

voert verweerder het beleid, dat die vreemdeling niet (alsnog) in aanmerking komt voor een vvtv, maar voor een (onvoorwaardelijke) vergunning tot verblijf (vtv) op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

19. Volgens vaste rechtspraak van deze rechtbank (onder meer REK 13 september 1999, JV 1999 nrs. 239-241; REK 20 maart 2000, JV 2000 nr. 83; zittingsplaats Zwolle 7 september 2000, JV 2000 nr. 244; zittingsplaats 's-Gravenhage 25

september 2000, JV 2000 nr. 267, zittingsplaats Arnhem 18 december 2000, www.rechtspraak.nl ELRO nummer AA9162) is de beëindiging van het vvtv-beleid niet kennelijk onredelijk. Hetgeen eisers in deze procedure hebben aangevoerd,

geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

20. In de uitspraken van 20 maart 2000 (één daarvan is gepubliceerd als JV nr. 83) heeft de rechtbank de door verweerder (ook in deze zaak) gehanteerde richtlijn dat slechts dan van een vreemdeling afkomstig uit Centraal-Irak niet

kan worden verwacht dat hij zich vestigt in Noord-Irak, indien sprake is van een slechte gezondheidssituatie en een hoge leeftijd, terwijl de vreemdeling geen bijzondere banden heeft met Noord-Irak, geoordeeld, dat die richtlijn de

grenzen van een redelijke beleidsbepaling overschrijdt. Volgens (inmiddels) vaste rechtspraak (onder meer JV 2000 nr. 244, JV 2000 nr. 267 en www.rechtspraak.nl ELRO nummer AA9162) geeft de beschrijving in het ambtsbericht van 20

april 2000 van de feitelijke verhoudingen in Noord-Irak, met name ten aanzien van uit Centraal Irak afkomstige ontheemden zonder familie-, gemeenschaps- of politieke banden, onvoldoende inzicht in de mogelijkheden voor die categorie

ontheemden om in Noord-Irak een menswaardig bestaan te leiden. Verweerders oordeel dat banden niet noodzakelijk zijn voor het kunnen tegenwerpen van een vestigingsalternatief aan uit Centraal-Irak afkomstige personen (laatstelijk

bevestigd in de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 juli 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 19 637 nr. 534), wordt daarom, (ook) bij marginale toetsing, onvoldoende gedragen

door de daaraan ten grondslag gelegde feitelijke beschrijving in het ambtsbericht. Voor zover aan uit Centraal-Irak afkomstige vreemdelingen een binnenlands vestigingsalternatief wordt tegengeworpen bij het ontbreken van (familie-,

gemeenschaps- of politieke) banden met Noord-Irak, is het beleid kennelijk onredelijk.

21. Uit het voorgaande volgt, dat de bestreden beschikkingen, voor zover het de vraag betreft of eisers wegens het ontbreken van een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak aanspraak hebben op verlening van een vergunning

tot verblijf, onvoldoende zijn gemotiveerd, zodat de beroepen gegrond zijn en de beschikkingen in zoverre vernietigd behoren te worden.

22. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat eisers in Noord-Irak over gemeenschapsbanden met de Koerdische gemeenschap beschikken.

23. De rechtbank stelt vast, dat uit het ambtsbericht blijkt, dat in Noord-Irak miljoenen Koerden leven en dat in dat gebied sprake is van een georganiseerde en gestructureerde maatschappij, die wordt bestuurd door regeringen waarin

de Koerdische partijen KDP respectievelijk PUK domineren. Uit het ambtsbericht blijkt, dat de Koerden veelal dezelfde talen spreken, dezelfde geschiedenis en cultuur delen en een aantal belangen gezamenlijk hebben, zoals het beleven

van de eigen cultuur en het streven naar autonomie binnen Iraaks staatsverband voor de door Koerden bewoonde gebieden. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat door het lokaal bestuur in samenwerking met internationale organisaties

wordt voorzien in de opvang van uit Centraal Irak afkomstige ontheemde Koerden, voor zover opvang bij familie of in lokale gemeenschappen niet mogelijk is. In het algemeen zal de Koerdische afkomst van een asielzoeker uit Irak

derhalve voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkene beschikt over zodanige gemeenschapsbanden dat hij in Noord-Irak een menswaardig bestaan kan leiden.

24. Onder omstandigheden zou dat anders kunnen zijn. Eisers hebben in dit verband aangevoerd, dat zij behoren tot Koerdische families die al zeer lang buiten het Koerdische gebied hebben gewoond, geen familie hebben in Noord-Irak,

het grootste gedeelte van hun leven in Koeweit hebben gewoond gevolgd door circa acht jaren in Bagdad, de Koerdische taal niet beheersen en zich meer Arabier dan Koerd voelen. Ter zitting heeft eiser aangegeven, dat zijn familie al

meer dan tweehonderd jaar in Bagdad woont. In dit bijzondere geval ligt het daarom op de weg van verweerder deze omstandigheden te toetsen en in zijn afweging te betrekken, voordat de rechtbank aan toetsing daarvan kan toekomen.

Voor instandlating van de rechtsgevolgen bestaat derhalve geen aanleiding.

25. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het door hen betaalde griffierecht, zoals hierna weergegeven.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond voor zover gericht tegen de gedeelten van de beschikkingen van 30 december 1999 waarbij het bezwaar tegen de niet-verlening van vergunningen tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire

aard ongegrond is verklaard;

vernietigt die gedeelten van de beschikkingen en draagt verweerder op voor de vernietigde gedeelten nieuwe beschikkingen te geven met inachtneming van deze uitspraak;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad  ƒ1.420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;

wijst de Staat der Nederlanden aan om het betaalde griffierecht ad  ƒ50,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. C. Lely - van Goch, A.W.M. van Hoof en J.J. Catsburg en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. Y.H.M. Marijs als griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 33e van de Vreemdelingenwet geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: