Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1928

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
AWB 00/8257
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / gezinshereniging.

Verzoekers, moeder en haar twee zonen, bezitten de Kroatische nationaliteit.

De nagereisde echtgenoot is hier te lande in de asielprocedure opgenomen. Verzoekers wensen als gezin in Nederland te blijven.

De president overweegt dat voor zover verweerder van mening is dat uit het psychiatrisch rapport betreffende verzoekster niet blijkt dat het PTSS is vastgesteld door een psychiater, het rapport door een psychiater is mede-ondertekend zodat de diagnose PTSS is gesteld onder verantwoordelijkheid van een daartoe bevoegd psychiater. Uit deze rapportage volgt dat indien verzoekster opnieuw zal worden gescheiden van haar echtgenoot en met haar kinderen naar Oostenrijk zal worden gestuurd, een reëel risico bestaat tot decompensatie en suïcidaal gedrag. Gelet hierop acht de president de ernst van de medisch-psychische toestand van verzoekster voldoende onderbouwd en acht het aannemelijk dat overdracht van verzoekster aan de Oostenrijkse autoriteiten, waardoor zij opnieuw van haar echtgenoot zal worden gescheiden, haar gezondheid dusdanig zal doen verslechteren dat zulks thans niet geoorloofd is.

Uit het rapport met betrekking tot de meerderjarige zoon volgt dat de depressieve klachten van verzoeker worden verergerd door het feit dat hij gescheiden van zijn ouders leeft. De president merkt hierbij op dat het rapport is opgemaakt onder verantwoordelijkheid van een psychiater. Verzoeker maakt echter geen deel uit van het kerngezin als bedoeld in hoofdstuk B7/8.1.1.3 Vc-1994 . Wel is van belang hetgeen is bepaald in artikel 1 van het Besluit 1/2000. De president acht uit de verklaringen van verzoekers voldoende aannemelijk dat zij tot hun komst naar Nederland steeds als gezin samen hebben geleefd. Gelet op de psychiatrische rapportage met betrekking tot verzoeker acht de president eveneens aannemelijk dat verzoeker afhankelijk is van de steun van zijn in Nederland verblijvende familie. Verzoeker valt dus op grond van artikel 1, tweede lid, van het Besluit 1/2000 onder de werking van dit besluit. Om die reden is de president van oordeel dat verweerder ten opzichte van verzoeker sub 2 gebruik dient te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid en toepassing dient te geven aan het beleid neergelegd in hoofdstuk B7/8.1.1.3 Vc-1994 door het asielverzoek van verzoeker sub 2 op grond van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin (OvD) in behandeling te nemen. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 00/8257 VRWET Z VS

uitspraak: 21 februari 2001

UITSPRAAK

inzake: 1. A,

geboren op [...] 1955,

alsmede haar meerderjarige zoon,

2. B,

geboren op [...] 1978,

alsmede haar minderjarige zoon,

3. C,

geboren op [...] 1983,

verblijvende te D (verzoekers sub 1 en 3) en E (verzoeker sub 2),

van Kroatische nationaliteit,

IND dossiernummer 9809.11.2018,

verzoekers,

gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J. Prins, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Verzoekers hebben voor de eerste maal op 11 september 1998 aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikking van 14 april 1999, uitgereikt op 10 mei 1999 zijn deze aanvragen niet ingewilligd wegens

niet-ontvankelijkheid. Verzoekers hebben hiertegen op 10 mei 1999 een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben zij op 10 mei 1999 bij de president van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend gericht tegen de

uitzetting. Bij uitspraak van 3 februari 2000, onder Awb-nummer 00/378 Vrwet Z VS, heeft de president van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Hiermee is de

beschikking van 14 april 1999 in rechte onaantastbaar geworden. Voorts zijn verzoekers op 13 januari 2000, de datum waarop zij zouden worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten in verband met de gelegde Dublinclaim, met

onbekende bestemming vertrokken.

1.2 Op 4 mei 2000 hebben verzoekers -herhaalde- aanvragen om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikkingen van 27 juli 2000, uitgereikt op 9 augustus 2000, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd op grond van artikel

15b, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet (Vw) en ambtshalve beslist aan verzoekers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

1.3 Verzoekers hebben daartegen bij brief van 9 augustus 2000 bezwaar gemaakt. Verzoekers is medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mogen afwachten.

1.4 Bij verzoekschrift van 9 augustus 2000 hebben verzoekers de president verzocht te bepalen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan verzoekers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 december 2000. Ter zitting heeft de president de gemachtigde van verzoekers, mr. Lemmen voornoemd, verzocht om -uiterlijk op 20 december 2000- gemotiveerd

aan te geven of en wanneer voor verzoekster sub 1 en verzoeker sub 2 een psychiatrisch rapport valt te verwachten, waaruit expliciet blijkt dat -hernieuwde- de scheiding van verzoekers en hun echtgenoot c.q. vader, die inmiddels ook

in Nederland verblijft en in de asielprocedure is opgenomen, de psychische problemen van verzoekers zodanig zal verergeren dat dit aan overdracht aan Oostenrijk in de weg staat.

De gemachtigde van verweerder ter zitting heeft desgevraagd verklaard akkoord te gaan met het na de behandeling ter zitting toezenden van vorenbedoelde nadere stukken.

1.5 Bij brief van 20 december 2000 heeft de gemachtigde meegedeeld dat met betrekking tot verzoekers medio januari 2001 voor beiden afzonderlijk een psychiatrisch rapport zal worden opgemaakt.

Naar aanleiding hiervan heeft de president partijen meegedeeld dat het onderzoek ter zitting zal worden aangehouden tot 16 februari 2001.

1.6 Bij brieven van 5 februari 2001 heeft de gemachtigde van verzoekers de president de voorbedoelde psychiatrische rapporten met betrekking tot verzoekers sub 1 en 2 doen toekomen.

1.7 Hernieuwde behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2001. Verzoekers sub 1 en 2 zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen

vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een

mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op 4 mei 2000 hebben verzoekers voor de tweede maal aanvragen om toelating als vluchteling in Nederland ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder de zaak wederom beoordeeld en vervolgens opnieuw een claim gelegd bij de

Oostenrijkse autoriteiten, welke claim bij brief van 13 juni 2000 op grond van artikel 7 van de Overeenkomst van Dublin (OvD) is gehonoreerd.

2.3 De aanvragen om toelating als vluchteling zijn gemotiveerd afgewezen. Verweerder heeft ook in de thans bestreden beschikkingen aangegeven dat de Oostenrijkse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de

asielaanvragen.

2.4 Aangezien verweerder de aanvragen om toelating als vluchteling niet ingewilligd heeft in het Aanmeldcentrum te Zevenaar, dient beoordeeld te worden of de aanvragen volgens de geldende bepalingen en zonder schending van de

zorgvuldigheidseisen, als kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk konden worden afgedaan.

2.5 Door de uitspraak van 3 februari 2000 is in rechte onaantastbaar komen vast te staan dat Oostenrijk op basis van hetgeen ter beoordeling is voorgelegd verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van de asielaanvragen

en dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.6 Bij de behandeling van deze herhaalde aanvragen om toelating als vluchteling beperkt de president zich tot de vraag of verzoekers zich thans beroepen op nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden en, zo ja, in hoeverre

die tot een ander oordeel kunnen leiden.

2.7 Verzoekers hebben aangevoerd dat zij ernstige psychische klachten hebben die aan overdracht aan Oostenrijk in de weg staan. Ter onderbouwing hebben zij nieuwe medische verklaringen overgelegd van verschillende artsen. Voorts

hebben verzoekers aangevoerd dat de echtgenoot van verzoekster sub 1 -en vader van verzoekers sub 2 en 3- zich op 31 maart 2000 bij AC Rijsbergen heeft gemeld en op 3 april 2000 een asielverzoek heeft ingediend. Dit asielverzoek is

door verweerder in behandeling genomen, maar tot op heden is nog niet beslist op de aanvraag. Verzoekers achten het inhumaan indien zij door overdracht aan Oostenrijk opnieuw van hun echtgenoot c.q. vader gescheiden zullen worden.

2.8 De president overweegt als volgt.

2.9 Artikel 3, vierde lid, OvD geeft verweerder de bevoegdheid om, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8 OvD, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.

2.10 In het kader van artikel 3, vierde lid, OvD, voert verweerder het beleid, dat is neergelegd in Vc B7/8.1.1.3. Dit beleid is niet kennelijk onredelijk. Ingevolge dit beleid neemt Nederland in geval twee of meer Dublinlanden,

waaronder Nederland, verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvragen van leden van één gezin, onder bepaalde omstandigheden een asielaanvraag waarvoor Nederland niet verantwoordelijk is op grond van artikel 3, vierde

lid, OvD zelf in behandeling. Dit is het geval als zich -bijvoorbeeld- de omstandigheid voordoet dat sprake is van ernstige ziekte, zware handicap of andersoortige hulpbehoevendheid van een gezinslid, welke met een medische

verklaring is onderbouwd.

Onder gezinsleden verstaat verweerder in dit verband de echtgeno(o)t(e) en het ongehuwde kind beneden 18 jaar van de asielzoeker of, indien die persoon een ongehuwd kind is beneden de 18 jaar, diens vader of moeder.

2.11 Artikel 1 van het Besluit nr. 1/2000 van 31 oktober 2000 van het comit‚ van artikel 18 OvD inzake de overdracht van de verantwoordelijkheid ten aanzien van gezinsleden uit hoofde van artikel 3, vierde lid, OvD, en artikel 9

OvD, bepaalt met betrekking tot gezinsleden het volgende:

"1. Gezinsleden in de zin van dit besluit zijn: de echtgenoot van de asielzoeker, deminderjarige ongehuwde kinderen beneden de achttien jaar van de asielzoeker of, indien de asielzoeker zelf een minderjarig ongehuwd kind beneden de

achttien jaar is, zijn vader of moeder;

2. Dit besluit is ook van toepassing op andere dan de in lid 1 genoemde naaste familieleden van een asielzoeker, wanneer de betrokken lidstaten de zekerheid hebben dat de asielzoeker of een naast familielid geheel of gedeeltelijk

afhankelijk is van steun van een ander familielid dat deze steun daadwerkelijk verleent en dat de betrokken personen voor hun vertrek uit hun land van herkomst samenleefden als een gezin."

2.12 Voor wat betreft de medische verklaringen overgelegd vóór 3 februari 2000 (datum vorige uitspraak) overgelegde verklaringen, verwijst de president naar hetgeen hierover in voornoemde uitspraak is geoordeeld. Voorts hebben

verzoekers ter onderbouwing van hun psychische klachten twee brieven overgelegd van respectievelijk 23 februari 2000 en 27 juni 2000 van J.W. Koudijs, huisarts, betreffende verzoekster en haar oudste zoon, alsmede een brief van 18

september 2000 van J. Mulders, arts AGZ in het Opvangcentrum te Hoogeveen. Voorts is overgelegd de verklaring d.d. 9 oktober 2000 van R. Aallali, psychoterapeut i.o., werkzaam bij het RIAGG te Sittard. Hieruit blijkt dat verzoekster

sub 1 lijdt aan een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) en dat haar zoon -verzoeker sub 2- kampt met een depressie veroorzaakt doordat zij al negen jaren lang gedwongen zijn als vluchteling te leven. Uit de brief van de AGZ-arts

van het OC te Hoogeveen, J. Mulder, van 18 september 2000 volgt dat verzoekster sub 1 reed op 1 april 2000 is aangemeld bij het RIAGG te Heerlen, maar dat zij wegens een opnamestop niet -direct- in aanmerking kon komen voor een

psychiatrische behandeling. Hierbij is door J. Mulder tevens opgemerkt dat voor verzoekster sub 1 een centrum-advies is geschreven voor het AZG Heerlen, omdat haar zoon -verzoeker sub 2- daar verblijft.

2.13 Bij brief van 5 februari 2001 heeft de gemachtigde van verzoekers de president een psychiatrisch rapport doen toekomen met betrekking tot verzoekster sub 1. Dit rapport is opgemaakt op 22 januari 2001 door de Mondriaan

Zorggroep (voorheen: o.a. Riagg OZL) en is ondertekend door mw. I. Swinkels, sociaal psychiatrisch verpleegkundige en mede-ondertekend door J. van Dijk, psychiater. Met betrekking tot de opmerking van de gemachtigde van verweerder

dat uit dit rapport niet blijkt dat het PTSS is vastgesteld door een psychiater merkt de president op dat de psychiater, J.van Dijk het rapport heeft mede-ondertekend, zodat de diagnose PTSS is gesteld onder verantwoordelijkheid van

een daartoe bevoegd psychiater. Uit deze rapportage volgt dat indien verzoekster opnieuw zal worden gescheiden van haar echtgenoot en met haar kinderen naar Oostenrijk zal worden gestuurd, een reëel risico bestaat tot decompensatie

en suïcidaal gedrag. Gelet hierop acht de president de ernst van de medisch-psychische toestand van verzoekster voldoende onderbouwd en acht het aannemelijk dat overdracht van verzoekster aan de Oostenrijkse autoriteiten, waardoor

zij opnieuw van haar echtgenoot zal worden gescheiden, haar gezondheid dusdanig zal doen verslechteren dat zulks thans niet geoorloofd is.

2.14 De psychiatrische rapportage met betrekking tot verzoeker sub 2 heeft de gemachtigde van verzoekers eveneens bij brief van 5 februari 2001 aan de president doen toekomen. Dit rapport is opgemaakt en ondertekend door R. Aallali,

psychotherapeut i.o., werkzaam bij het Riagg Westelijke Mijnstreek, d.d. 30 januari 2001. Uit het rapport volgt dat de depressieve klachten van verzoeker worden verergerd door het feit dat hij gesepareerd van zijn ouders leeft.

Gesteld wordt dat "De zekerheid van verblijf gedurende de behandeling is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle therapie". De president merkt hierbij op dat dit rapport weliswaar niet door een daartoe bevoegd psychiater is

opgemaakt, maar in ieder geval door een psychotheurapeut werkzaam bij het Riagg en derhalve onder verantwoordelijkheid van een psychiater.

Verzoeker maakt echter geen deel uit van het kerngezin als bedoeld in Vc B7/8.1.1.3. Wel is van belang hetgeen is bepaald in artikel 1 van het Besluit 1/2000. De president acht uit de verklaringen van verzoekers voldoende

aannemelijk dat zij tot hun komst naar Nederland steeds als gezin samen hebben geleefd. Gelet op de psychiatrische rapportage met betrekking tot verzoeker sub 2 acht de president is eveneens aannemelijk dat verzoeker afhankelijk is

van de steun van zijn in Nederland verblijvende familie. Verzoeker sub 2 valt dus op grond van artikel 1, tweede lid, van het Besluit 1/2000 onder de werking van dit besluit. Om die reden is de president van oordeel dat verweerder

ten opzichte van verzoeker sub 2 gebruik dient te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid en toepassing dient te geven aan het beleid neergelegd in Vc B7/8.1.1.3 door het asielverzoek van verzoeker sub 2 op grond van artikel

3, vierde lid, OvD in behandeling te nemen.

2.15 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden toegewezen. Voor toepassing van artikel 33b Vw bestaat geen aanleiding.

2.16 Nu het verzoek wordt toegewezen, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten en het griffierecht.

3 BESLISSING

De president:

* wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

* gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster, c.q. van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaarschrift is

beslist;

* veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te voldoen;

* wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierecht ad ƒ 50,-- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H.F.J.M. Schr”der en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2001 in tegenwoordigheid van M.G. den Ambtman als griffier.

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 22 februari 2001