Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1924

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
AWB 99/7059, 99/7062
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motiveringsgebrek / klemmende redenen.

Turkse eisers zijn op respectievelijk zeven- en zesjarigejarige leeftijd, kort na het overlijden van hun moeder, naar Nederland gebracht. Eisers zijn thans zestien en vijftien jaar oud. Zij hebben hier te lande een groot deel van hun jeugd en hun adolescentie doorgebracht. Volgens hun ter zitting afgelegde verklaring zijn ze sinds 1992 niet meer in Turkije geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de motivering op grond waarvan in de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende adviezen van de ACV is geconcludeerd dat zich in het onderhavige geval geen omstandigheden van humanitaire aard voordoen die klemmend genoeg zijn om tot verblijfsaanvaarding te besluiten onvoldoende draagkrachtig is. De adviezen en besluiten gaan er immers - impliciet - in overwegende mate, zo niet uitsluitend, vanuit dat de situatie waarin eisers ten tijde van het slaan van de bestreden besluiten al zeven jaar verkeerden aan hen moet worden toegerekend, omdat de vader van eisers (en referent en zijn echtgenote) hen willens en wetens in deze situatie heeft gebracht. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate laten meewegen dat eisers niet of nauwelijks voor die handelwijze verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Hetzelfde geldt voor het feit dat het ook ten tijde van de bestreden besluiten reeds voldoende aannemelijk was dat een gedwongen vertrek van eisers uit Nederland voor hen in opvoedkundig en emotioneel opzicht noodzakelijkerwijs zwaarwegende gevolgen zal hebben.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 3, geldigheid: 2001-02-20
Verdrag inzake de rechten van het kind 20, geldigheid: 2001-02-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg. nr.: AWB 99/7059 VRWET en AWB 99/7062 VRWET

inzake: A, geboren op [...] januari 1985 en B, geboren op [...] januari 1986 van Turkse nationaliteit, wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr.T.L. Tan, advocaat te Amsterdam

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van den Berg, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Eisers verblijven naar hun zeggen sedert 1992 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 10 juni 1998 heeft D, wettelijk vertegenwoordiger van eisers, hierna te noemen referent, ten behoeve van eisers bij de korpschef

van de regiopolitie te Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf (vtv) met als doel "verblijf bij pleegouder". Bij besluiten van 20 augustus 1998 heeft verweerder deze aanvragen niet

ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 14 september 1998 hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 5 oktober 1998 en aangevuld bij brieven van 12 oktober 1998,

18 december 1998 en 8 januari 1999. Op 2 maart 1999 zijn eisers gehoord door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV). Het bezwaar is bij besluiten van 22 juni 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 13 juli 1999 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 20 augustus 1999 en aangevuld bij brief van 4 april 2000. De

rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te behandelen. Op 27 september 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 11 oktober 2000 heeft

verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2001. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens

waren ter zitting aanwezig referent en zijn echtgenote.

Als tolk was aanwezig E, een nicht van eisers.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. De moeder van eisers, F, is op 9 juni 1991 in Turkije overleden. De vader van eisers heeft na het overlijden van zijn echtgenote op enig moment zijn kinderen verlaten.

De woon- of verblijfplaats van de vader van eisers is hen onbekend. Eisers verblijven naar zij zeggen sedert 1992 bij referent. Referent is bij uitspraak van 14 mei 1998 door de kantonrechter te Amsterdam benoemd als voogd van

eisers. Eisers volgen hier te lande het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO).

Eisers zijn zestien respectievelijk vijftien jaar oud en gaan hier te lande thans bijna negen jaar naar school.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens de bestreden besluiten op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf. Eisers kunnen geen geslaagd beroep doen op het beleid inzake buitenlandse pleegkinderen

noch op het beleid ten aanzien van verruimde gezinshereniging.

Verweerder meent dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet door hun, thans vermoedelijk in het land van herkomst woonachtige, vader kunnen worden opgevangen. Verweerder twijfelt aan de aannemelijkheid van de

verklaring dat de vader spoorloos is, aangezien referent ter zitting van de ACV heeft aangegeven dat hij zijn broer, die de vader is van de kinderen, vóór 1995 nog regelmatig heeft ontmoet. De verklaring van het dorpshoofd van G is

onvoldoende om te concluderen dat de vader in heel Turkije niet zou zijn te traceren. De omstandigheid dat de vader van eisers het beter acht dat referent voor eisers zorgt is geen aanleiding hen hier te lande verblijf toe te staan.

Voorts acht verweerder in dit verband van belang dat in het land van herkomst nog andere naaste bloed- of aanverwanten verblijven van wie niet is gebleken dat zij de kinderen niet kunnen verzorgen onder ter plaatse als normaal te

beschouwen omstandigheden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat referent zich niet garant kan stellen voor de kosten voor het verblijf van eisers aangezien hij een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangt.

Ook dat staat aan de toelating in de weg. Aan het vereiste van een door de autoriteiten van het land van herkomst van eisers afgelegde medische verklaring is niet voldaan, terwijl eisers voorts zonder toestemming van de Nederlandse

autoriteiten in 1992 Nederland zijn binnengereisd.

Met betrekking tot het beleid inzake verruimde gezinshereniging stelt verweerder zich op het standpunt dat is gesteld noch gebleken dat eisers in het land van herkomst hebben behoord tot het gezin van referent en dat eisers in

moreel en financieel opzicht afhankelijk waren van referent. Voorts is niet gebleken dat het verblijf van eisers wegens klemmende redenen van humanitaire aard dient te worden toegestaan aangezien eisers niet aannemelijk hebben

gemaakt dat zij in Turkije in een onhoudbare positie zullen komen te verkeren. Het is niet gebleken dat eisers niet door in Turkije verblijvende familieleden kunnen worden opgevangen. Dat de levensomstandigheden van eisers in

Turkije zowel in sociaal als economisch opzicht minder rooskleurig zullen zijn leidt niet tot een ander oordeel. Het is aan referent en hun vader te wijten dat eisers al zeven jaar illegaal hier te lande verblijven. De kinderen zijn

willens en wetens lange tijd niet aangemeld. Verweerder meent tenslotte dat de weigering eisers verblijf hier te lande toe te staan geen strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert aangezien niet kan worden geoordeeld dat uit het respect voor het familie- en gezinsleven voor de Nederlandse overheid een positieve verplichting voortvloeit om eisers toe te laten. Daarbij is

in aanmerking genomen dat op het moment dat het familie- en gezinsleven een aanvang nam, referent en zijn echtgenote hadden kunnen en moeten beseffen dat het verblijf van eisers niet steunde op een verblijfstitel.

2. Eisers stellen zich primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte een "vergunning tot verblijf bij pleegouder" heeft geweigerd. Er is sprake is van zodanige omstandigheden dat eisers bezwaarlijk kunnen worden opgevangen

door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten. Eisers worden al sedert 1992 volledig verzorgd en opgevoed door referent en zijn echtgenote. De vader van eisers is spoorloos en de overige in Turkije verblijvende

familieleden zijn niet in staat voor eisers te zorgen. Subsidiair stellen eisers zich op het standpunt dat zij in aanmerking voor toelating komen op grond van het verruimde gezinsherenigingsbeleid. Meer subsidiair stellen zij dat

klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Het terugsturen van eisers na een verblijf van zeven jaar in Nederland zou van een onevenredige hardheid getuigen. Eisers stellen dat zij volledig zijn geïntegreerd in de

Nederlandse samenleving. In dat verband achten eisers de brief van 8 juli 1999 die door de directie van de [...]school is geschreven en in beroep is overgelegd zeer zwaarwegend. Uit deze verklaring blijkt dat eisers goed Nederlands

spreken, zich zeer goed hebben aangepast aan de Nederlandse samenleving, het onderwijs dat aan hen wordt gegeven goed kunnen volgen en nimmer ongeoorloofd afwezig zijn. De directie van de school raadt terugkeer naar Turkije sterk

af. De kinderen zijn behoorlijk vernederlandst, terwijl vraagtekens moeten worden geplaatst bij de vraag hoe eisers met de alsdan te verwachten cultuurschok om zullen gaan.

In beroep hebben eisers voorts een rapport van International Social Service (ISS) overgelegd waarin als conclusie is opgenomen dat er in Turkije niemand is die de kinderen bij zich wil nemen. De plaatselijk maatschappelijk werker is

van mening dat het ten gunste van eisers zou zijn en zij hun leven in positieve sfeer zouden kunnen voortzetten wanneer zij bij referent in Nederland zouden wonen.

Ter zitting hebben eisers desgevraagd verklaard dat zij sinds hun vertrek uit Turkije nooit meer in dat land zijn geweest.

3. In het verweerschrift heeft verweerder het in de bestreden besluiten ingenomen standpunt gehandhaafd. In aanvulling hierop is nog opgemerkt dat in het ISS-rapport de economisch-financiële situatie van familieleden in Turkije is

aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat zij onvoldoende financiële middelen zouden bezitten op grond waarvan zij eisers zouden kunnen opvangen. Referent kan evenwel zo nodig vanuit Nederland aan de kosten van levensonderhoud van

eisers bijdragen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikel het beleid

dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

3. Het beleid inzake overige buitenlandse pleegkinderen is neergelegd in hoofdstuk B3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Dit beleid houdt onder andere in dat de aspirant-pleegouders dienen aan te tonen, dat zij het kind een goede

verzorging en opvoeding kunnen geven. Voorts dienen zij zich garant te stellen voor de kosten die voor de Staat en voor andere openbare lichamen kunnen voortvloeien uit het verblijf in Nederland van het kind, alsmede voor de kosten

van de reis van het kind naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating gewaarborgd is. Vast staat dat verweerder ten tijde van het nemen van de besluiten op bezwaar geen andere gegevens had dan die waaruit was af te leiden

dat aan deze voorwaarde niet werd voldaan. Eisers kunnen op grond van dit beleid derhalve geen aanspraak maken op toelating tot Nederland.

4. Vervolgens is aan de orde de vraag of eisers in aanmerking komen voor toelating op grond van het door verweerder gevoerde beleid inzake verruimde gezinshereniging. Ingevolge hoofdstuk B1/7 komen voor een vergunning tot verblijf

op basis van dit beleid in aanmerking gezinsleden die feitelijk behoren tot het gezin, voor zover hun achterlating een onevenredige hardheid zou betekenen.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers niet in aanmerking komen voor toelating inzake het beleid inzake verruimde gezinshereniging. Gesteld noch gebleken is immers dat eisers in het land van herkomst hebben behoord

tot het gezin van referent.

5. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of in het onderhavige geval sprake is van zodanige overige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op die grond de toelating redelijkerwijs niet heeft kunnen weigeren.

6. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de redenen waarom verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de hem in dit opzicht toekomende discretionaire bevoegdheid onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd. Daartoe

wordt als volgt overwogen.

7. Verweerder moet worden toegegeven dat hij door de illegale overkomst van eisers voor een voldongen feit is geplaatst. Evenzeer is juist dat referent, door zich eerst na omstreeks 6 jaar met de onderhavige aanvraag tot de

Nederlandse autoriteiten te wenden, verweerder – en eisers – willens en wetens in een situatie heeft gebracht waarvan een van de meest sprekende kenmerken is dat jarenlang de Nederlandse wetgeving is overtreden. Dat referent kort

voordien heeft bewerkstelligd dat hij door de Kantonrechter met de voogdij over eisers werd belast doet daar niet aan af. Voorts is, ook na de in beroep overgelegde ISS-rapportage, niet onomstotelijk komen vast te staan dat de nog

in Turkije wonende familieleden niet voor eisers zouden kunnen zorgen. Tenslotte is van belang dat het door verweerder gehanteerde uitgangspunt, dat aan tijdens illegaal verblijf hier te lande opgebouwde banden in beginsel geen

aanspraken kunnen worden ontleend, niet kennelijk onredelijk kan worden geacht.

8. Daar staat echter tegenover dat eisers 7 respectievelijk 6 jaar oud waren toen zij, kort na het overlijden van hun moeder, naar Nederland werden gebracht. Hoewel onduidelijk is gebleven of, en met welke frequentie en intensiteit,

eisers in de eerste jaren na hun aankomst in Nederland nog contact met hun vader hebben gehad gaat de rechtbank er van uit dat eisers, gelet op hun leeftijd, op geen enkel moment tot de beslissing op bezwaar werd geslagen invloed

van enige betekenis op het land en de plaats van hun verblijf hebben kunnen uitoefenen. Eisers zijn thans 16 respectievelijk 15 jaar oud. Zij hebben hier te lande een groot deel van hun jeugd en hun adolescentie doorgebracht, zijn

volgens hun ter zitting afgelegde verklaring sinds 1992 nooit meer in Turkije geweest, en gingen hier te lande zeven jaar naar school op het moment dat de bestreden besluiten werden geslagen.

9. De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten geen andere motivering bevatten dan die welke blijkt uit de door de ACV uitgebrachte adviezen.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de motivering op grond waarvan in de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende adviezen van de ACV is geconcludeerd dat zich in het onderhavige geval geen omstandigheden

van humanitaire aard voordoen die klemmend genoeg zijn om tot verblijfsaanvaarding te besluiten onvoldoende draagkrachtig is. De adviezen en besluiten gaan er immers – impliciet – in overwegende mate, zo niet uitsluitend, van uit

dat de situatie waar eisers ten tijde van het slaan van de bestreden besluiten al 7 jaar in verkeerden aan hen moet worden toegerekend, omdat de vader van eisers, referent en diens echtgenote hen willens en wetens in deze situatie

hebben gebracht. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate laten meewegen dat eisers niet of nauwelijks voor die handelwijze verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Hetzelfde geldt voor het feit

dat het ook ten tijde van de bestreden besluiten reeds voldoende aannemelijk was dat een gedwongen vertrek van eisers uit Nederland voor hen in opvoedkundig en emotioneel opzicht noodzakelijkerwijs zwaarwegende gevolgen zal hebben.

De in beroep overgelegde verklaring van de leiding van de toen nog door eisers bezochte basisschool biedt daarvoor, voor zover nodig, voldoende aanknopingspunten.

10. De rechtbank acht in dit kader tevens van belang dat blijkens de adviezen van de ACV en de daarop steunende besluiten de betekenis van artikel 8 EVRM voor de onderhavige zaak is misverstaan. Ook bij de beantwoording van de vraag

of zich een positieve verplichting tot toelating voordoet is immers beslissend geacht dat de vader van eisers, referent en diens echtgenote hadden moeten beseffen dat eisers illegaal in Nederland verbleven toen hun verblijf in

Nederland een aanvang nam, en dat zij destijds geen uitzicht op toelating hadden. Die maatstaf is gezien het gestelde in rechtsoverweging 9 te beperkt. Verweerder zal zich dan ook opnieuw rekenschap moeten geven van de zelfstandige

belangen van eisers bij toelating. Bij de opnieuw te maken afweging zal niet zonder meer overwegende betekenis mogen worden toegekend aan de rol die hun vader respectievelijk referent en diens echtgenote hebben gespeeld bij de

overkomst van eisers naar Nederland en bij hun nadien gevolgde illegale verblijf hier te lande.

11. De rechtbank acht het ambtshalve geraden dat verweerder in bezwaar tevens ingaat op de betekenis die de artikelen 3, eerste lid en 20, derde lid van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) – mogelijk – voor de

onderhavige zaak hebben. Uit eerstgenoemde bepaling volgt immers dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind „de eerste overweging“ vormen, terwijl de laatstgenoemde bepaling de verdragsluitende partijen

de verplichting oplegt om „bij het overwegen van oplossingen op passende wijze rekening te houden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind“. In het bijzonder ware daarbij aandacht te besteden aan de vraag

of aan deze verdragsbepalingen al dan niet rechtstreekse werking toekomt, alsmede – ongeacht het terzake door verweerder in te nemen standpunt – aan de vraag op grond waarvan de door verweerder te behartigen belangen van de Staat,

rekening houdend met de reeds verstreken tijd, en ondanks het in art. 3 lid 1 IVRK neergelegde uitgangspunt, (nog steeds) zwaarder moeten (blijven) wegen dan de belangen van eisers.

12. Nu de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb is het beroep gegrond, en dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd, onder bepaling dat verweerder nieuwe besluiten neemt, met

inachtneming van hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 8 t/m 11 is vastgesteld respectievelijk overwogen.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid van de Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1420,-- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,-- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001, door

mr. W.J. van Bennekom, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A.H.M. Neijtzell

de Wilde-van Eerd, griffier.

Afschrift verzonden op: 07 maart 2001

Conc: ANW

Coll:

Bp: -

D: B