Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1916

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/16618 VRONTN A M3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / hoorplicht.

Het bevel van bewaring, dat reeds op 11 april 2001 aan Algerijnse eiser is uitgereikt, is op 12 april 2001 ingegaan. Onderhavige handelwijze is niet in strijd met het recht gelet op de korte periode gelegen tussen het moment van uitreiking en het concreet vaststaande moment van ingang van het bevel. De onderhavige handelwijze kan niet op één lijn worden gesteld met de zogenaamde voorlopige inbewaringstelling.

Eiser is op 12 april 2001 rechtmatig in bewaring gesteld. Verweerder heeft op 13 april 2001 de kennisgeving van deze inbewaringstelling aan het Centraal Intake Bureau gefaxt. Het onderzoek ter zitting heeft echter niet eerder dan 2 mei 2001 plaatsgevonden. Hierdoor is de in artikel 94, eerste lid, Vw 2000 neergelegde hoorplicht geschonden. De oorzaak is gelegen buiten eisers invloedsfeer en dient niet voor zijn risico te komen.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vreemdelingenwet 2000 106
Vreemdelingenwet 2000 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/16618 VRONTN A M3

inzake : A, geboren op [...] 1979, van (gestelde) Algerijnse nationaliteit, verblijvende in het huis van bewaring te Tilburg, eiser,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 12 april 2001 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Verweerder heeft de rechtbank hiervan op 13 juli 2001 in kennis gesteld. Krachtens artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de

vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van woensdag 2 mei 2001. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

In de eerste plaats heeft eiser gesteld dat, in strijd met het bepaalde in artikel 94 van de Vw 2000, hij niet op uiterlijk de tiende dag na zijn inbewaringstelling door de rechtbank is gehoord. Ook indien de fout is gemaakt door de

rechtbank, dient dit voor rekening en risico van verweerder te blijven.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij in strijd met de wet in bewaring is gesteld. Verweerder heeft het bevel tot bewaring namelijk reeds op 11 april 2001 aan eiser in persoon uitgereikt, terwijl de bewaring pas op 12 april 2001 is

ingegaan. Vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 werd deze zogenaamde voorlopige, maar buitenwettelijke, vorm van inbewaringstelling wel aanvaard, maar thans is voor de overbrugging van het strafrechtelijk naar het

vreemdelingrechtelijk traject een wettelijke basis te vinden in artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Met de komst van deze wettelijke grondslag dient de buitenwettelijke inbewaringstelling onrechtmatig te worden geacht.

Uit het dossier blijkt niet dat verweerder tijdens de detentie van eiser voldoende maatregelen heeft genomen om de uitzetting van eiser na zijn detentie zo spoedig mogelijk te kunnen effectueren.

Ten slotte heeft eiser gesteld dat uitzetting moet worden aangemerkt als bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang moet ingevolge artikel 5:24 van de Awb op schrift worden

gesteld. Deze eis vloeit tevens voort uit artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu een dergelijke beschikking ontbreekt, is de bewaring onrechtmatig.

Verweerder heeft het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

Uit het bevestigingsrapport blijkt dat de kennisgeving van de inbewaringstelling van eiser op 13 april 2001 aan het Centraal Intake Bureau is gefaxt. De door eiser genoemde termijnoverschrijdingen zijn dan ook buiten de schuld van

verweerder om ontstaan. Met betrekking tot de vraag of dit als overmachtsituatie kan worden aangemerkt, dan wel of dit aan verweerder dient te worden toegerekend en tot opheffing van de bewaring dient te leiden, refereert verweerder

zich aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de rechtmatigheid van de inbewaringstelling merkt verweerder op dat de onderhavige vorm van inbewaringstelling nimmer een probleem is geweest, zodat niet valt in te zien waarom de Vw 2000 dat niet zou toestaan.

Voorts is eiser door deze handelwijze van verweerder niet zijn belangen geschaad.

Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld. Uit de processtukken blijkt van legio acties die verweerder zowel tijdens als na de detentie van eiser heeft ondernomen teneinde eiser zo spoedig mogelijk te kunnen uitzetten.

Er is geen sprake van bestuursdwang in de zin van de Awb, zodat een last tot uitzetting niet is vereist.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eiser is op 12 april 2001 omstreeks 8.00 uur ontslagen uit strafrechtelijke detentie terzake van een aan hem opgelegde straf.

De rechtbank heeft vastgesteld dat aan eiser voorafgaand aan zijn invrijheidstelling op 11 april 2001 te 11.05 uur een bevel tot vreemdelingenrechtelijke bewaring is uitgereikt, dat is ingegaan op 12 april 2001 omstreeks 8.00 uur.

Voorafgaand is eiser op de voet van artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) gehoord.

Naar het oordeel van de rechtbank kan van onderhavige handelwijze niet worden gezegd dat deze in strijd is met de bij of krachtens de Vw 2000 gegeven bepalingen, gelet op de korte periode gelegen tussen het moment van uitreiking en

het concreet vaststaande moment van ingang van het bevel alsmede op het direct aan de uitreiking van het bevel voorafgegane verhoor van eiser.

Evenmin kan de onderhavige handelwijze op één lijn worden gesteld met de zogenaamde voorlopige inbewaringstelling waartoe wordt overgegaan in het geval de vreemdeling zich in voorlopige hechtenis bevindt en het onzeker is op welk

moment hij in vrijheid zal worden gesteld en de vreemdelingrechtelijke bewaring zal dienen aan te vangen.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, gezien het voorgaande, voor verweerder geen noodzaak om in gevallen als het onderhavige gebruik te maken van zijn in artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid, zodat

de bewaring om deze reden niet onrechtmatig kan worden geacht.

Met betrekking tot de volgens eiser vereiste last tot uitzetting overweegt de rechtbank dat, daargelaten de vraag of uitzetting een vorm van bestuursdwang is, als uitgangspunt dient te gelden dat artikel 5:24 van de Awb niet ziet op

de uitzetting van vreemdelingen zoals geregeld in de Vw 2000, gelet op in de memorie van toelichting neergelegde evidente bedoeling van de wetgever afdeling 5.3 van de Awb niet van toepassing te laten zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiser bedoelde schriftelijke beslissing dan ook geen vereiste om tot feitelijke uitzetting te kunnen overgaan, zodat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat om deze reden immer

zicht op uitzetting heeft ontbroken en de bewaring dientengevolge vanaf de aanvang onrechtmatig is geweest. Evenmin bestaat er aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 5 van het EVRM handelt nu verweerders

bevoegdheid om eiser ter fine van uitzetting in bewaring te stellen genoegzaam is gebaseerd op een „wettelijk voorgeschreven procedure“.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de door verweerder overgelegde stukken niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerder tijdens eisers detentie onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting heeft gewerkt.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 stelt Onze Minister de rechtbank in kennis van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000. Ingevolge het tweede lid van

dit artikel bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van de zitting en vindt de zitting uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van de kennisgeving plaats.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder de rechtbank op 13 april 2001 in kennis heeft gesteld van onderhavige maatregel. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de zitting niet eerder dan

2 mei 2001 heeft plaatsgevonden. Gelet op de omstandigheid dat voormelde termijn van zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van openbare orde is, moet worden geoordeeld dat de bewaring onrechtmatig is met ingang van 21 april

2001.

Eiser heeft dientengevolge in beginsel recht op vergoeding van de door hem geleden schade, tenzij er gronden van billijkheid zijn die tot matiging kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het onderhavige geval

dergelijke gronden niet voor, omdat de oorzaak van de schade is gelegen buiten eisers invloedsfeer en daarom niet voor zijn risico dient te komen.

Gelet op het vorengaande wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 3 mei 2001.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 met ingang van 23 april 2001 toe te kennen en wel tot een bedrag van ƒ 200,- per

dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en ƒ 150,- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is

geweest, derhalve in totaal ƒ 1.800,-.

Gelet op het vorengaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op ƒ 710,- als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 3 mei 2001 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot

ƒ 1.800,- (zegge: achttienhonderd gulden), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot

ƒ 710,- (zegge: zevenhonderdentien gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2001, in tegenwoordigheid van F. Kilic, griffier.

Afschrift verzonden op: 10 mei 2001

Conc.: FK

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage).

Ingevolge artikel 69, derde lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week.