Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1680

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/6669
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toetsing na eerdere gegrondverklaring beroep.

Volgens vaste rechtspraak (zoals recentelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2001, reg. nr. 200004163/1) heeft bij de toepassing van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb) als uitgangspunt te gelden dat de beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar en de te dien tijde geldende rechts- en beleidsregels. Er bestaat volgens die jurisprudentie geen aanleiding om na vernietiging van een beslissing op bezwaar op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. Verweerder mocht in de beschikking dus uitgaan van de gewijzigde situatie in Kosovo. Er is geen sprake van vrees voor vervolging.

Door eiser is een uitdrukkelijke aanvraag ingediend om verlening van een vtv op grond van het driejarenbeleid. Daarop is door verweerder bij de beschikking van 19 mei 2000 beslist. Nu het hier gaat om de beslissing op de aanvraag, is die beslissing te zien als primaire beschikking waartegen bezwaar gemaakt kan worden en staat het de rechtbank niet vrij zich in het kader van de onderhavige beroepsprocedure over de rechtmatigheid van die weigering uit te laten.

Het feit dat er geen objectieve belemmeringen bestaan die aan uitoefening van het gezinsleven in het land van herkomst in de weg staan, laat onverlet dat er zich (wellicht) subjectieve belemmeringen voordoen die nopen tot een andere conclusie. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11, geldigheid: 2001-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr. : Awb 00/6669 Vrwet Z Vb

uitspraak: 27 februari 2001

UITSPRAAK

inzake: 1. A,

geboren op [...] 1967,

2. B,

geboren op [...] 1969,

beiden verblijvende te C,

van Joegoslavische nationaliteit,

IND dossiernummer 9402.28.0094,

eisers,

gemachtigde: mr. J.H. Brouwer, advocaat te Apeldoorn;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. B. Th. Moerkoert, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 28 februari 1994 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikkingen van 14 juni 1995 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

1.2 Eisers hebben daartegen bij brief van 28 juli 1995 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 6 juni 1996 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 7 oktober 1996 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. Bij uitspraak van 21 februari 2000 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.

1.4 Op 19 mei 2000 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist. Daarbij heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en heeft verweerder aan eiseres een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid verleend. De

aanvraag van eiser om een vergunning tot verblijf op grond van dat beleid heeft verweerder afgewezen. Tegen deze beschikkingen, althans voor wat betreft de ongegrondverklaring van hun bezwaren, hebben eisers bij schrijven van 16

juni 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.5 Eiser heeft tegen de weigering hem een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid te verlenen, bij schrijven van 16 juni 2000 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij beschikking van 11 oktober 2000 heeft verweerder het

bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking is geen beroep ingesteld.

1.6 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep tegen de beschikkingen van 19 mei 2000 heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 januari 2001. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen

vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. Daarbij zij aangetekend dat de rechtbank zich ten aanzien van het beroep van

eiseres zal beperken tot de beoordeling van haar aanspraken op de vluchtelingenstatus nu aan haar bij de beschikking van 19 mei 2000 een vergunning tot verblijf zonder beperkingen is verleend.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Eisers baseren hun aanvragen op de volgende motieven.

Eisers zijn etnische Albanezen afkomstig uit Kosovo.

Eiser was lid van de Lidhja Demokratike e Kosoves (LDK).

Eiser werd op 15 december 1993 gearresteerd toen bij een huiszoeking werd ontdekt dat hij in zijn woning een kamer ter beschikking had gesteld voor onderwijs aan Albanese kinderen, hetgeen verboden was. Na twee dagen werd eiser

vrijgelaten. Op 3 januari 1994 werd hij na een tweede huiszoeking mishandeld en weer gearresteerd, op verdenking van verboden wapenbezit. Eiser had een wapen van de partij LDK in huis om dorpsgenoten te beschermen tegen Servische

agenten. Dit wapen moest hij inleveren. Op 6 januari 1994 werd eiser vrijgelaten. Hij moest zich daarna dagelijks melden bij de politie. Aan deze meldplicht heeft hij tot 13 januari 1994 voldaan. Hij werd op het bureau steeds

geslagen.

Voorts hebben eisers een afschrift van een dagvaarding om voor de rechtbank te Mitrovica te verschijnen overgelegd. Eiser stelt dat dit te maken heeft met het niet meer voldoen aan de meldplicht en verdenking van illegaal

wapenbezit.

Eiseres is gevlucht wegens de problemen van eiser.

2.4 Verweerder heeft bij de bestreden beschikkingen de bezwaren andermaal ongegrond verklaard aangezien uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 augustus 1999 blijkt dat met de beëindiging van het conflict

in Kosovo de situatie ter plaatse grondig is gewijzigd. De Servische autoriteiten oefenen vanaf juni 1999 feitelijk geen gezag meer uit over het grondgebied van Kosovo. De door eiser gestelde problemen met de Servische autoriteiten

leiden in de visie van verweerder dan ook niet tot een geslaagd beroep op vluchtelingschap in de zin van het Verdrag. Niet is gebleken dat eiser behoort tot een der in voornoemd ambtsbericht genoemde risicogroepen van etnische

Albanezen.

Verweerder is van mening dat bij het nemen van de bestreden beschikkingen de situatie in Kosovo zoals deze zich op dat moment voordeed, diende te worden betrokken en niet de situatie zoals deze gold ten tijde van de indiening van de

aanvragen om toelating.

2.5 Eisers stellen zich op het standpunt dat zij door de vernietiging van de eerste beslissingen op bezwaar van 6 juni 1996 niet in een nadeliger positie mogen komen te verkeren op het moment waarop ten tweede male op bezwaar wordt

beslist. Gelet op de overwegingen in de uitspraak van de rechtbank van 21 februari 2000 is het naar de mening van eisers aannemelijk dat zij zouden zijn erkend als vluchteling en als zodanig zouden zijn toegelaten dan wel dat een

vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard zou zijn verleend. In dit verband hebben eisers ook gewezen op een uitspraak van de nevenzittingsplaats Amsterdam van 19 februari 1999 (Awb 98/7064; NAV 00/01, p.75).

Eisers zijn primair van mening dat zij als vluchteling moeten worden toegelaten. Subsidiair zijn zij van mening dat aan eiser een vergunning tot verblijf dient te worden verleend om klemmende redenen van humanitaire aard. Eiser

vreest bij terugkeer te worden onderworpen aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.

Verder zijn eisers van mening dat zij naar aanleiding van hun bezwaar ten onrechte niet zijn gehoord door verweerder.

Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder bij de bestreden beschikking ten aanzien van eiser ten onrechte heeft nagelaten een belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 EVRM, aangezien aan eiseres inmiddels een

vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid is verleend.

2.6 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke- en mensenrechtensituatie in Kosovo zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk

moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.7 Volgens vaste rechtspraak (zoals recentelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2001, reg. nr. 200004163/1) heeft bij de toepassing van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht

(Awb) als uitgangspunt te gelden dat de beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar en de te dien tijde geldende rechts- en beleidsregels.

Er bestaat volgens die jurisprudentie geen aanleiding om na vernietiging van een beslissing op bezwaar op dit uitgangspunt een uitzondering te maken.

2.8 Anders dan eisers hebben betoogd is de rechtbank van oordeel dat in haar eerdere uitspraak van 21 februari 2000 geen aanleiding is te vinden op voornoemde uitgangspunten een uitzondering te maken, nu niet gezegd kan worden dat

die uitspraak er zonder meer toe noopte dat verweerder in het geval van eisers bij de nieuwe beslissing op bezwaar zou overgaan tot statusverlening. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank als zonder meer vast staand worden

aangenomen dat eisers als vluchteling zouden zijn toegelaten dan wel dat hun een vergunning tot verblijf zou zijn verleend indien verweerder op eisers' aanvragen in eerste instantie binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen

(en naar behoren) had beslist. In zoverre valt thans dan ook niet zonder meer in te zien dat eisers door het verloop van de procedure in een nadeliger positie zijn komen te verkeren, zodat de vergelijking met de door eisers genoemde

uitspraak van de nevenzittingsplaats Amsterdam van 19 februari 1999 hier naar het oordeel van de rechtbank mank gaat.

2.9 Het voorgaande in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de thans bestreden beschikkingen terecht is uitgegaan van de gewijzigde situatie in Kosovo, waarin de Servische autoriteiten feitelijk geen

gezag meer uitoefenen over het grondgebied van Kosovo. Voorts is gesteld noch gebleken dat eisers behoren tot een der in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 augustus 1999 genoemde risicogroepen van

etnische Albanezen die door het U€K worden beschuldigd van samenwerking met de Servirs en etnische Albanezen die geweigerd hebben zich aan te sluiten bij het UÇK. Verweerder heeft zich bij de bestreden beschikkingen naar het oordeel

van de rechtbank dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de door eisers geuite vrees voor vervolging in Kosovo niet gegrond is, zodat eisers niet in aanmerking komen voor toelating als vluchteling. Dit betekent dat het

beroep van eiseres geheel ongegrond is. Het beroep van eiser is in zoverre ongegrond.

2.10 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder

voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening

van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.11 Gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Kosovo een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen

artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot

verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

2.12 Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.13 Het standpunt van eiser dat de beoordeling van de bij de bestreden beschikking kenbaar gemaakt beslissing hem geen vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid te verlenen, in de onderhavige beroepsprocedure dient

te worden betrokken, deelt de rechtbank niet. Hierbij is van belang dat door eiser op 3 maart 2000 een uitdrukkelijke aanvraag is ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. Daarop is

door verweerder bij de beschikking van 19 mei 2000 beslist. Nu het hier gaat om de beslissing op de aanvraag, is die beslissing te zien als primaire beschikking waartegen bezwaar gemaakt kan worden en staat het de rechtbank niet

vrij zich in het kader van de onderhavige beroepsprocedure over de rechtmatigheid van die weigering uit te laten. Eiser heeft tegen de weigering hem een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid te verlenen dan ook

terecht een bezwaarschrift ingediend, welk bezwaarschrift door verweerder bij beschikking van 11 oktober 2000 ongegrond is verklaard. Dat tegen laatstgenoemde beschikking door eiser vervolgens geen beroep is ingesteld, waarmee

verweerders weigering hem een dergelijke vergunning tot verblijf te verlenen in rechte onaantastbaar is geworden, komt voor rekening en risico van eiser.

2.14 Ook in zoverre is het beroep van eiser derhalve ongegrond.

2.15 Aangaande het betoog van eiser dat de bestreden beschikking strijdig is met artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank nog als volgt.

2.16 Niet in geschil is dat in het geval van eiser sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van voormelde bepaling. Vastgesteld moet evenwel worden dat verweerder bij de bestreden beschikking ten aanzien van eiser heeft

verzuimd na te gaan of artikel 8 EVRM tot toelating van eiser noopt. Voor het verrichten van die toetsing bestond aanleiding aangezien aan eiseres bij beschikking van dezelfde datum een vergunning tot verblijf is verleend. De

bestreden beschikking ten aanzien van eiser is naar het oordeel van de rechtbank op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd te achten en komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van eiser zal op dit onderdeel

gegrond worden verklaard wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb. In dat verband zij nog het volgende overwogen.

2.17 Verweerder heeft weliswaar in het verweerschrift alsnog aangegeven dat eiser op grond van artikel 8 EVRM niet voor toelating in aanmerking komt aangezien naar zijn oordeel geen sprake is van objectieve belemmeringen om het

gezinsleven in Kosovo uit te oefenen nu de aan zijn echtgenote verleende vergunning tot verblijf is gebaseerd op het driejarenbeleid, maar - nog daargelaten dat dit standpunt strikt formeel gesproken te laat is kenbaar gemaakt - de

rechtbank is van oordeel dat deze motivering op zichzelf genomen ontoereikend is. Het feit dat er geen objectieve belemmeringen bestaan die aan uitoefening van het gezinsleven in het land van herkomst in de weg staan, laat onverlet

dat er zich (wellicht) subjectieve belemmeringen voordoen die nopen tot een andere conclusie. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank in het onderhavige geval van belang dat eiser en diens echtgenote twee minderjarige kinderen

hebben, die ten tijde van de bestreden beschikking respectievelijk bijna acht en ruim vijf jaar oud waren. Verweerder heeft er tot dusverre geen blijk van gegeven dit gegeven in de besluitvorming ten aanzien van eisers aanvraag om

toelating te hebben meegewogen en zal (mede) hiermee in het kader van de nieuwe beslissing op bezwaar alsnog rekening hebben te houden. Het komt de rechtbank in dit verband geraden voor dat eiser door verweerder in de gelegenheid

wordt gesteld te worden gehoord alvorens opnieuw op het bezwaar wordt beslist.

2.18 De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht.

2.19 Beslist wordt als volgt.

3 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep van eiser gegrond voor zover aangegeven in rechtsoverweging 2.16;

- vernietigt de beschikking (ten aanzien van eiser) van 19 mei 2000 in zoverre;

- draagt verweerder op om ten aanzien van eiser een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep van eiser voor het overige, en dat van eiseres in zijn geheel, ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad ƒ 1.420,-- , te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Buijsman en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2001 in tegenwoordigheid van mr. G.A. Versteeg als griffier.

-----------------------

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 5 maart 2001