Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1514

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 01/362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - President

Vonnis in kort geding van 9 mei 2001,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 01/362 van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

A Groep

2. F.J.L.

3. D.O.A.,

4. P.B.,

5. H.P.F.H.

6. H.E.T.,

eisers,

procureur mr. H.C. Grootveld,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Barendrecht,

tegen:

de naamloze vennootschap Casema N.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. W. Taekema,

advocaat mr. P. Sippens Groenewegen te Amsterdam.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 24 april 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Gedaagde exploiteert een kabelnet in het westen van Nederland. Via dit net biedt zij diverse diensten aan, waaronder primair kabel-tv.

Sedert 1997 biedt gedaagde haar abonnees, door middel van een speciaal modem, ook internetdiensten aan via de kabel. Deze dienst heeft in 1998 de naam CWB gekregen.

Eiseres sub 1 stelt zich blijkens haar statuten ten doel om de belangen van W-Internet-abonnees te behartigen in alle plaatsen waar gedaagde internet-aansluitingen aanbiedt.

Eisers sub 2 tot en met 6 zijn abonnee (geweest) van W en afnemer van de internetdienst CWB.

Bij de introductie van internet via de kabel heeft gedaagde gebruik gemaakt van het platform voor de eerste generatie kabelmodems, het zogenaamde Demos-platform. Dit platform wordt door gedaagde nog steeds gebruikt voor de door haar aangeboden internetdiensten, waar het betreft “CWB”.

Bij brief van 10 maart 1999 heeft gedaagde haar internetgebruikers geïnformeerd over de tegenvallende snelheid van haar internetdiensten. Daarbij heeft zij, refererend aan door haar gemaakte afspraken met de Consumentenbond over deze snelheid, onder meer bericht dat zij geen referenties over de snelheid meer zal opnemen in haar reclame-uitingen, dat zij een online meetinstrument ontwikkelt waarmee de drukte op het netwerk kan worden nagegaan, dat zij zich zal blijven inspannen om de snelheid op een redelijk niveau te brengen en te houden, en dat het opzeggen van de abonnementen op de internetdiensten niet gepaard zal gaan met boetes of lange termijnen.

Bij brief van 19 april 2000 heeft gedaagde haar internetgebruikers geattendeerd op de voor- en de nadelen van internet via de kabel. Daarbij heeft zij er onder meer op gewezen dat de snelheid van de verbinding wisselt, afhankelijk van het gebruik door anderen, zodat geen constante snelheid kan worden gegarandeerd. Daarnaast heeft zij in deze brief aangegeven dat de enorme groei van het aantal klanten de laatste maanden heeft geleid tot een mindere prestatie van de dienst.

Bij brief van 11 juli 2000 heeft gedaagde haar internetgebruikers geïnformeerd over afspraken die zij met de Consumentenbond heeft gemaakt om gezamenlijk de problemen op te lossen. Daarbij heeft zij onder meer meegedeeld dat al haar CWB klanten in de maand juli 2000 ƒ 50,- als compensatie (voor het eventueel niet voldoen aan de reële verwachtingen van een aantal klanten) ontvangen, dat de netwerkcapaciteit verder wordt uitgebreid, de wachtlijst gehandhaafd blijft en dat er een datalimiet komt voor gebruikers die het kabelnet te zwaar belasten. Daarnaast heeft zij aangekondigd dat bestaande klanten vanaf 1 augustus 2000 maandelijks 25% korting op hun abonnementsgeld krijgen als de dienstverlening in hun gemeente niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen zoals die door gedaagde (in samenspraak met de Consumentenbond) zijn vastgesteld.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eisers vorderen -kort weergegeven- gedaagde te veroordelen het minimale prestatieniveau voor de dienst CWB schriftelijk vast te leggen en zich daaraan te houden, op straffe van een dwangsom, alsmede betaling van een voorschot aan eisers sub 2 tot en met 6 van een bedrag van 20% van de door hen betaalde abonnementsgelden tot en met december 2000.

Daartoe voeren eisers het volgende aan.

Gedaagde pleegt vanaf de datum van de invoering van de internetdienst wanprestatie door deze diensten aan te bieden op een niveau dat zeer aanzienlijk lager ligt dan een abonnee mocht verwachten. Daarnaast weigert gedaagde te definiëren en zich vast te leggen op een prestatieniveau dat een abonnee mag verwachten. Aldus meent zij zich -als monopolist- te kunnen veroorloven dat de abonnees maar moeten afwachten wat zij krijgen. In alle tests (van de Consumentengids, Speedtest, de Provider Enquete) komt gedaagde als traagste uit de bus. Eisers 2 t/m 6 zijn al lange tijd als abonnee van gedaagde gebruikers van haar internetdiensten. Zij maken op grond van de voortdurende, niet voor herstel vatbare, wanprestatie van gedaagde aanspraak op gedeeltelijke restitutie van 20 % van de door hen betaalde abonnementsgelden.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiseres sub 1 is een vereniging die optreedt ter behartiging van de belangen van W Internet abonnees.

Niet kan worden gezegd dat de betrokken individuele belangen zich tegen een dergelijke bundeling op de door eiseres sub 1 voorgestane wijze verzetten.

Voorts is niet gebleken dat eiseres sub 1 niet voldoende representatief moet worden geacht om in dit geval ter bescherming van de gelijksoortige belangen van de door haar vertegenwoordigde groep in rechte op te treden. Het feit dat eiseres sub 1 2000 leden heeft terwijl gedaagde stelt meer dan 50.000 geregistreerde gebruikers van de onderhavige internet-toegangsdiensten te hebben, is daarbij niet van belang.

3.2. De vraag is of gedaagde tekort is geschoten in haar contractuele verplichtingen jegens eisers en of zij, voor het geval dat in zoverre geen bindende regels gelden, redelijkerwijze gehouden is een bepaald prestatieniveau vast te leggen.

3.3. Voor het eerste onderdeel van de zojuist gestelde vraag: Tussen partijen is niet in geschil dat omtrent de (minimum)snelheid waarmee de internetdiensten zouden worden geleverd geen concrete afspraken zijn gemaakt. Wel staat vast dat gedaagde in 1997 en in 1998 er in haar reclame-uitingen op heeft gewezen dat de door haar te bieden snelheid te vergelijken was met ISDN respectievelijk dat deze sneller was dan een gewone telefoonlijn. Gedaagde heeft daaraan echter onbetwist toegevoegd dat zij vanaf 1999 gestopt is met het noemen van referentiesnelheden omdat sindsdien steeds snellere modems hun intrede deden, waarmee zij niet kon concurreren. Hierdoor is gedaagde contractueel niet alsnog verplicht geworden tot het leveren van een bepaalde minmimumsnelheid van de internetdiensten aan de Basic-abonnementshouders. Dat gedaagde daarnaar streefde en zich daar aanvankelijk publiekelijk ook op liet voorstaan, moge bij eisers verwachtingen hebben gewekt, maar daarmee is dit onderdeel niet tot overeenkomst verheven. Eisers kunnen om dezelfde reden contractueel ook geen rechten ontlenen aan de hiervoor met de Consumentenbond gemaakte afspraken. Het eventueel niet voldoen aan reële verwachtingen, en het betalen van een compensatie daarvoor, leidt zonder meer niet tot wanprestatie.

3.4. Voor het tweede onderdeel van de onder 3.2. geformuleerde vraag: Gedaagde heeft ten verwere aangevoerd dat de snelheid op het internet mede wordt bepaald door factoren waarop een kabel internetprovider zoals gedaagde is, geen invloed heeft. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op voormeld Demos-platform dat voor de snelheid van het internetgebruik slechts beperkte mogelijkheden biedt. Ook heeft gedaagde gewezen op het World Wide Web netwerk, de pc van de klant en het gebruik van internet door de zogenaamde heavy users die bijvoorbeeld de hele nacht muziekbestanden downloaden. Eisers hebben één en ander niet kunnen weerleggen. Ter zitting heeft gedaagde gesteld voor het hier besproken basispakket niet uit te willen wijken naar een moderner en uitgebreider “platform”, bij gebruik waarvan overigens van de abonnees een hogere bijdrage zou moeten worden gevraagd. Dit standpunt van gedaagde is redelijk; het verplicht haar niet om zich ten genoegen van eisers op enige gebruikssnelheid vast te leggen.

3.5. Goed beschouwd is hier het spreekwoord ‘alle waar is naar zijn geld’ van toepassing. Enerzijds kan de internetgebruiker dankbaar gebruik maken van het hem geboden Basic-pakket tegen een vaste prijs per maand, ongeacht de duur van het gebruik, anderzijds moet die gebruiker dan leven met de gedachte dat het vroeger sneller ging en tegenwoordig veel sneller kan. Dat leidt voor dit geval tot de conclusie: Eisers kunnen niet van gedaagde verlangen voor een dubbeltje op de eerste rij te zitten. Indien zij als internetgebruikers de factor snelheid van groot belang achten, zouden zij op de gedachte kunnen komen dat zij bij gedaagde niet aan het goede adres zijn.

3.6. Gedaagde heeft nog de stelling van eisers dat gedaagde monopolist zou zijn, betwist. Daarbij heeft zij erop gewezen dat in alle gebieden waarin zij internet via de kabel aanbiedt, reële alternatieven voorhanden zijn zoals dial up toegang via ISDN of analoge verbindingen en ADSL. Eisers hebben hun stelling op dit punt ook niet voldoende geadstrueerd. Gelet op het feit dat er vele providers zijn die internetdiensten aanbieden, kunnen eisers niet worden gevolgd in deze stelling. Dat internetgebruikers bij andere providers voor een hogere snelheid ook meer moeten betalen, is in dit verband evident. Uit het bovenstaande blijkt reeds: dat zullen zij dan voor lief moeten nemen en kunnen zij niet op gedaagde afwentelen.

3.7. Het bovenoverwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde geen wanprestatie jegens eisers pleegt en van haar redelijkerwijze niet kan worden verlangd zich op een minmumsnelheid vast te leggen. Dientengevolge ontvalt evenzeer de rechtsgrond aan de geldvordering van eisers.

3.8. De vorderingen moeten dus worden afgewezen. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De President:

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op ¦ 1.950,--, waarvan ¦ 400,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Holtrop en uitgesproken ter openbare zitting van 9 mei 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

AB