Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1497

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 01/538
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - President

Vonnis in kort geding van 9 mei 2001,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 01/538 van:

Eiser,

thans verblijvende in de EBI (Extra Beveiligde Inrichting) te Vught,

procureur mr. G.R. van der Plas,

advocaat mr. P.H. Bakker Schut te Amsterdam.

tegen :

1. de Staat der Nederlanden (de ministeries van justitie en binnenlandse zaken),

zetelende te ’s-Gravenhage,

2. mr. A.H. Korthals, in zijn kwaliteit van minister van justitie,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage

3. mr. K.G. de Vries, in zijn kwaliteit van minister van binnenlandse zaken,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

4. mr. J.L. de Wijkerslooth van Weerdesteyn, in zijn kwaliteit van voorzitter van het college van procureurs-generaal,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage

gedaagden,

procureur mr. G.J.H. Houtzagers.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 mei 2001 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Tussen eiser en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is in 1998 een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst).

Artikel 5 eerste lid van de overeenkomst bepaalt:

”Indien en voorzover Kok in het kader van deze overeenkomst informatie aan het O.M. verstrekt, zal deze informatie op geen enkele wijze ter beschikking worden gesteld van derden, waaronder begrepen politiefunctionarissen, FIOD, etc. Het O.M. zal deze informatie doen verifiëren door de officier van justitie Teeven.

Het O.M. garandeert Kok terzake volledige en absolute geheimhouding.”

In het rapport van de commissie Kalsbeek van juni 1999 wordt melding gemaakt van het bestaan van een overeenkomst tussen het OM en ”een topcrimineel” met wie gesprekken zijn gevoerd.

De Minister van Justitie, gedaagde sub 2, heeft in antwoord op kamervragen de kamer geïnformeerd dat deze gesprekken niet meer plaatsvinden.

Tijdens de besloten behandeling van de strafzaak tegen eiser bij de rechtbank Amsterdam is een microfoon blijven aanstaan waardoor de pers heeft kunnen meeluisteren.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 17 april 2001 het vonnis van de rechtbank vernietigd en het OM niet-ontvankelijk verklaard in de (verdere) vervolging van eiser. Een gedeelte van het arrest is onleesbaar gemaakt in het belang van een behoorlijke rechtspleging. De volledige tekst van het arrest is slechts afgegeven aan de advocaat-generaal en de raadslieden van eiser.

Volgens de inhoud van een artikel in NRC-Handelsblad van 19 april 2001 is dat artikel gebaseerd op het ”geheime gedeelte van het arrest”.

Bij brief van 23 april 2001 heeft de Minister van Justitie, gedaagde sub 2, in antwoord op kamervragen naar aanleiding van voornoemd arrest medegedeeld dat, in tegenstelling tot wat hij eerder op 7 oktober 1999 had verklaard, het laatste gesprek met eiser heeft plaatsgevonden op 2 juli 1999 maar dat deze bespreking, naar de stellige herinnering van de betrokken officier van justitie, niet inhoudelijk van aard is geweest.

In het tv-programma ”Binnenhof” van 22 april 2001 heeft de voorzitter van het college van procureurs generaal, gedaagde sub 4, -ondermeer- verklaard dat hij een dienstopdracht heeft gegeven om vertrouwelijke informatie aan de BVD te verstrekken aangezien dat zijn wettelijke plicht is.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert -zakelijk weergegeven-, na wijziging van eis, gedaagden te gebieden, op straffe van een dwangsom,

1. zich ervan te onthouden om tegenover derden over datgene wat is verklaard en heeft plaatsgevonden tijdens de besloten gedeelten van de zittingen van de rechtbank en het gerechtshof te Amsterdam enige verdere mededeling te doen dan is vermeld in het arrest van het hof van 17 april 2001, behoudens indien en voorzover eiser voor het doen van dergelijke mededelingen schriftelijk toestemming heeft gegeven aan gedaagde(n);

2. zich ervan te onthouden om tegenover derden met betrekking tot de totstandkoming en inhoud van de overeenkomst tussen eiser en het OM te Amsterdam enige verdere feitelijke mededeling te doen dan hetgeen is vermeld in het arrest van het hof van 17 april 2001, behoudens indien en voorzover eiser voor het doen van dergelijke mededelingen schriftelijk toestemming heeft gegeven aan gedaagde(n);

3. zich ervan te onthouden om tegenover derden enige mededeling te doen over de inhoud van de op basis van bovenvermelde overeenkomst gevoerde gesprekken tussen eiser en officier van justitie Teeven, behoudens indien en voorzover eiser voor het doen van dergelijke mededelingen schriftelijk toestemming heeft gegeven;

4. dat gedaagde sub 3, althans gedaagde sub 1, ervoor zal zorgdragen:

(a) dat binnen een week na betekening van dit vonnis in kort geding alle aantekeningen, gespreksverslagen, documenten, kopieën van een en ander, digitale gegevens etc., in het bezit van en /of (op)gemaakt en/of ingevoerd door functionarissen van de BVD naar aanleiding van hun bemoeienis met de bovenvermelde overeenkomst en/of met de op basis daarvan gevoerde gesprekken tussen eiser en de officier van justitie Teeven, zullen worden vernietigd respectievelijk gewist zonder dat van enig onderdeel daarvan een kopie in welke vorm dan ook zal worden behouden;

(b) dat hij en/of de aan hem ondergeschikte ambtenaren, waaronder de ambtenaren van de BVD respectievelijk van enige (andere) inlichtingen- en veiligheidsdienst, tegenover derden geen enkele mededeling zal/zullen doen over de inhoud van de op basis van de eerder vermelde overeenkomst gevoerde gesprekken tussen eiser en de officier van justitie Teeven.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

Het Hof Amsterdam (hierna: het hof) heeft zich in zijn arrest uitgesproken over de diverse manieren waarop het OM/de Staat zijn plichten tot geheimhouding en zorgvuldig handelen jegens eiser heeft geschonden. In dit geding moet derhalve ervan worden uitgegaan dat gedaagden zich op al de door het hof genoemde vermelde manieren jegens eiser onrechtmatig hebben gedragen. Daarbij komt dat het ”geheime gedeelte van het arrest” is verstrekt aan NRC-Handelsblad. Deze conclusie is immers onontkoombaar aangezien het volledige arrest slechts is afgegeven aan de advocaat-generaal en de raadslieden van eiser en deze laatsten het arrest niet verstrekt hebben en bovendien elk commentaar op het arrest geweigerd hebben. Voorts heeft de voorzitter van het college van procureurs-generaal, gedaagde sub 4, gereageerd op het arrest van het hof en zodoende informatie naar buiten gebracht over hetgeen is verklaard en heeft plaatsgevonden tijdens een besloten zitting van het hof. Ook de Minister van Justitie, gedaagde sub 2, heeft, in antwoord op kamervragen, mededelingen gedaan omtrent de gang van zaken rondom het stopzetten van de gesprekken tussen eiser en de officier van justitie en over de beweerdelijke inhoud daarvan. Het hof heeft reeds geoordeeld dat door aan gedaagde sub 1 toe te rekenen handelen van zijn vertegenwoordigers de veiligheid van eiser zodanig in gevaar is gebracht dat voor zijn leven moet worden gevreesd. Iedere verdere mededeling van gedaagden over de inhoud van de tussen eiser en de officier van justitie gevoerde gesprekken is eveneens onrechtmatig jegens eiser en verergert de levensbedreigende situatie waarin eiser verkeert.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Ontvankelijkheid

Een veroordeling van de Staat, gedaagde sub 1, richt zich tevens tot alle organen van de Staat. Gedaagden sub 2, 3 en 4 zijn in hun kwaliteit van minister respectievelijk voorzitter van het college van procureurs-generaal gedagvaard, derhalve als organen van de Staat. Ten aanzien van gedaagden sub 2, 3 en 4 dient eiser derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen.

3.2. Ten aanzien van het gevorderde in het algemeen

Tussen partijen is in confesso dat het bestaan en de inhoud van de overeenkomst tussen eiser en het OM inmiddels bekend zijn bij derden. De inzet van de onderhavige procedure betreft de geheimhouding van de inhoud van de op basis van die overeenkomst gevoerde gesprekken met de officier van justitie.

3.3. Uitgangspunt van het overeenkomstenrecht is dat overeenkomsten nagekomen dienen te worden: ”pacta sunt servanda”. Dit beginsel lijdt geen uitzondering indien een orgaan van de Staat contractspartij is. Bovendien dienen partijen zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

3.4. Partijen bij de onderhavige overeenkomst zijn eiser en het OM. Gelet op de ruime formulering (”…derden, waaronder begrepen politiefunctionarissen, FIOD, etc.”) en de kennelijke achterliggende bedoeling van artikel 5 van de overeenkomst

-geheimhouding ter bescherming van de veiligheid van eiser- diende de kring van hen die met de overeenkomst bekend zijn zo klein mogelijk te worden gehouden. Het begrip ”derden” dient daarom ruim te worden opgevat. Anders dan gedaagde betoogt, zijn zowel de BVD als de Tweede Kamer als derden in de zin van de overeenkomst aan te merken.

3.5. Ten aanzien van kamervragen

Blijkens de antwoorden van gedaagde sub 2 naar aanleiding van kamervragen zijn sinds juli 1999 geen gesprekken meer gevoerd tussen eiser en het OM. Gedaagde heeft ter zitting aangegeven dat het niet in de reële lijn der verwachtingen ligt dat kamerleden vragen over de inhoud van de op basis van de overeenkomst gevoerde gesprekken zullen stellen. Gedaagde sub 2 heeft de kamer reeds aangegeven dat zijnerzijds terughoudendheid geboden is ten aanzien van het doen van mededelingen zolang de zaak zich nog in cassatie onder de rechter bevindt. Gelet hierop staat artikel 68 Grondwet voorshands niet in de weg aan nakoming van de overeenkomst met eiser in die zin dat geen mededelingen gedaan worden betreffende de inhoud van de door eiser gevoerde gesprekken met de officier van justitie.

3.6. Ten aanzien van verstrekking van gegevens aan de BVD

Vaststaat dat door het OM vertrouwelijke informatie inzake de overeenkomst aan de BVD is verschaft. Gedaagde heeft zich in dit verband beroepen op een wettelijke plicht hiertoe ingevolge artikel 22 Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (hierna: Wiv). Overwogen wordt dat niet aannemelijk is dat terzake geen enkele beleidsvrijheid zou bestaan van de (voorzitter van het college van) procureur(s)-generaal. Ingevolge het derde lid van artikel 22 Wiv hebben de procureur-generaal en het hoofd van de betrokken dienst (in casu de BVD) overleg wanneer de taakvervulling van het OM en van een dienst daartoe aanleiding geeft. Voorts is in artikel 13 Wiv vastgelegd dat de diensten elkaar, mede door het verschaffen van gegevens, zoveel mogelijk medewerking verlenen. In het onderhavige geval is denkbaar dat de taakvervulling van het OM zich verzette tegen het verschaffen van informatie; in elk geval stond de nakoming van de bestaande overeenkomst en de daardoor gediende belangen van eiser in de weg aan het verschaffen van informatie aan de BVD. Door toch geheime gegevens aan de BVD, een derde, te verstrekken is tekort gedaan aan het belang van eiser, met het oog waarop nu juist artikel 5 in de overeenkomst is opgenomen. Aannemelijk is immers dat eisers veiligheid in gevaar kan komen wanneer de kring van personen die op de hoogte zijn van de inhoud van de gevoerde gesprekken steeds groter wordt.

3.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser ten aanzien van gedaagden sub 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen.

De vorderingen met betrekking tot het verbod om tegenover derden mededeling te doen van de inhoud van de gesprekken met de officier van justitie en de vernietiging respectievelijk het wissen van de gegevens in het bezit van de BVD worden toegewezen. De vordering te verbieden dat ondergeschikte ambtenaren, onder wie ambtenaren van de BVD, mededelingen doen zal worden afgewezen nu een dergelijk verbod begrepen is in hetgeen reeds toegewezen wordt.

De vordering betreffende het verbod tot mededeling wat is gebeurd tijdens de besloten gedeelten van de zittingen van de rechtbank en het hof zal worden afgewezen. Evenzo zal het gevorderde verbod op het doen van mededelingen terzake van de totstandkoming en inhoud van de overeenkomst die het arrest van het hof te buiten gaan worden afgewezen. Door toewijzing van het gevorderde verbod om tegenover derden mededeling te doen over de inhoud van de gesprekken met de officier van justitie heeft eiser -gezien de inmiddels ruime publiciteit over het bestaan en de inhoud van de overeenkomst- daarnaast geen belang meer bij toewijzing van deze twee vorderingen. Ten slotte zal ook de gevorderde dwangsom worden afgewezen nu de Staat gerechtelijke vonnissen pleegt na te komen en temeer daar de raadsman van gedaagde ter zitting expliciet heeft aangegeven dat dit ook in het onderhavige geval zal gebeuren.

Gedaagde zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De President:

Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen ten aanzien van gedaagden sub 2, 3 en 4.

Beveelt gedaagde sub 1 om geen mededelingen te doen aan anderen dan het OM over de inhoud van de op basis van de overeenkomst gevoerde gesprekken tussen eiser en de officier van justitie Teeven, behoudens in het geval eiser hiervoor schriftelijk toestemming heeft verleend.

Beveelt gedaagde sub 1 ervoor zorg te dragen dat binnen een week na betekening van dit vonnis in kort geding alle aantekeningen, gespreksverslagen, documenten, kopieën, digitale gegevens etc., in het bezit van en /of (op)gemaakt en/of ingevoerd door functionarissen van de BVD naar aanleiding van hun bemoeienis met de overeenkomst en/of met de op basis daarvan gevoerde gesprekken tussen eiser en de officier van justitie Teeven, zullen worden vernietigd respectievelijk gewist zonder dat van enig onderdeel daarvan een kopie in welke vorm dan ook zal worden behouden.

Veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiser begroot op ¦ 2.152,90 waarvan ¦ 400,-- aan griffierecht en f 202,90 aan dagvaardingskosten.

Verklaart voornoemde bevelen en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 9 mei 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

svw