Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1455

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
09-757226/00
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8168
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-757226/00

's-Gravenhage, 7 mei 2001.

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 1 april 1970 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen, huis van bewaring, unit 4, te ’s-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 9 januari 2001, 13 maart 2001 en 23 april 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr Wijkamp, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Remmerswaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde medeplegen van moord, meermalen gepleegd, en het hem bij dagvaarding onder 2 en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting het verdachte bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde medeplegen van moord, meermalen gepleegd en hetgeen hem bij dagvaarding onder 3 is telastgelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken (zie nader onder het hoofdstuk “Bewijsoverwegingen”).

Ten aanzien van het onder 3 telastgelegde feit overweegt de rechtbank dat zij wel de daarin weergegeven bedreigende handelingen bewezen acht, doch niet dat die handelingen zijn gepleegd met het opzet om het slachtoffer wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven c.q. beroofd te houden, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen.

Door de raadsman is namens de verdachte ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat bij zijn cliënt geen sprake is geweest van opzet op levensberoving van beide slachtoffers, laat staan van een bewuste samenwerking van verdachte met zijn vader om beide slachtoffers van het leven te beroven, zodat van medeplegen van doodslag geen sprake zou kunnen zijn.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is in verband hiermee het volgende komen vast te staan:

verdachte wist dat zijn vader vaker een vuurwapen in de Ford Sierra verborg, tussen de zitting en de rugleuning van de achterbank, en hij vermoedde dat dit ook het geval was toen zijn vader, zijn oom T. en hij eerder op de avond in die auto van het woonwagenkamp naar de “Get Down” reden;

verdachte wist, dat zijn vader zodanig onder invloed van drank verkeerde dat dit voor hem - “vader deed een beetje raar” - en voor zijn oom - “K. had een kwade dronk over zich” - aanleiding was geweest met zijn vader vóór sluitingstijd uit discotheek de “O” weg te gaan;

ondanks het feit dat de aanleiding voor het voortijdig vertrek uit de “O “was dat zijn vader (te) veel gedronken had en hoewel hijzelf niet in het bezit was van een geldig rijbewijs is hij vervolgens vrijwel onmiddellijk daarna met zijn vader naar de binnenstad teruggekeerd om de Ford Sierra op te halen;

vanuit de binnenstad zijn verdachte en zijn vader niet teruggekeerd naar het woonwagenkamp maar naar de “O “ gegaan waar zij rond sluitingstijd zijn aangekomen;

blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting heeft hij, nadat hij beide slachtoffers op verzoek van zijn vader een lift had aangeboden, zijn vader - die op dat moment voorin de auto zat - gezegd dat hij achterin de auto moest gaan zitten, zijn vader heeft dat ook gedaan;

nadat de latere slachtoffers al in de auto waren gestapt is verdachte vervolgens - zonder verdere vragen te stellen - op verzoek van zijn vader naar het woonwagenkamp gereden om (nog) een vuurwapen op te halen. Op een vraag van de jongens waar zij heen gingen heeft verdachte slechts verklaard dat zij eerst langs het woonwagenkamp gingen om “iets” te halen, daarmee verzwijgend dat zij een vuurwapen gingen ophalen;

verdachte heeft zijn vader niet alleen geholpen de slachtoffers, nadat zij in de auto waren neergeschoten uit de auto te dragen, maar zijn vader er bovendien op attent gemaakt dat zij nog bewogen, waarna zijn vader beide slachtoffers nogmaals door het hoofd heeft geschoten;

vervolgens hebben de verdachte en zijn vader bewust sporen uitgewist door gezamenlijk de Ford Sierra in brand te steken en door later samen de gebruikte vuurwapens elders in het water te gooien.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat zowel van (voorwaardelijk) opzet op levensberoving als van bewuste, nauwe en volledige samenwerking bij de uitvoering daarvan, sprake is geweest.

De bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn vader blijkt met name uit het gezamenlijk ophalen van beide latere slachtoffers; het kiezen van positie in de auto waarbij één van de verdachten achter het stuur zat en de andere op de achterbank met gemakkelijke toegang tot het reeds aanwezige vuurwapen; het ophalen van een vuurwapen in het woonwagenkamp op het moment dat de slachtoffers al bij verdachte en zijn vader in de auto zaten; het gezamenlijk uit de auto verwijderen van de slachtoffers, waarbij de één erop wijst dat de slachtoffers nog in leven zijn en de ander vervolgens nog twee schoten lost; het verwijderen van de sporen door het in brandsteken van de auto en het laten verdwijnen van de vuurwapens.

Of de hiervoor bedoelde bewuste en nauwe samenwerking gericht was op de uitvoering van een vooropgezet plan om de beide slachtoffers om het leven te brengen, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Met name dient, naar het oordeel van de rechtbank - in het licht van andere feiten, waaromtrent in het poces-verbaal is gerelateerd, zoals het onder 3 telastgelegde feit - rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat een plan heeft bestaan om de beide slachtoffers onder bedreiging met vuurwapens af te persen of anderszins te bedreigen.

Het is om deze reden dat de rechtbank - anders dan de officier van justitie - niet bewezen acht dat sprake was van medeplegen van moord.

Wel echter acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van doodslag.

Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de aanwezigheid van vuurwapens in combinatie met gebruik van aanzienlijke hoeveelheden drank kan leiden tot agressieve uitbarstingen waarbij zo’n vuurwapen jegens derden daadwerkelijk wordt gebruikt.

In het onderhavige geval komt daar, gelijk hiervoor vastgesteld, nog bij dat de verdachte eerder die nacht zijn vader uit de discotheek “O” had meegenomen teneinde problemen te voorkomen, omdat zijn vader volgens verdachte “een beetje raar deed” en volgens zijn oom “een kwade dronk had”.

Hij vermoedde bovendien, zoals hiervoor reeds overwogen, dat zijn vader een vuurwapen in de auto had en heeft op diens verzoek zelf nog een tweede wapen uit het woonwagenkamp opgehaald.

Verdachte zelf noemt zijn vader een gevaarlijk man.

Hij wist kortom dat zijn vader teveel gedronken had, hij vermoedde dat er een wapen in de auto in de achterbank verstopt zat, hij heeft zich op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze van het gebeuren gedistantieerd, maar daarentegen zelf op aangeven van zijn vader nog een vuurwapen opgehaald en dat alles terwijl hij zelf zijn vader beschouwde als een gevaarlijk man.

Door te handelen als hiervoor vermeld en onder genoemde omstandigheden heeft verdachte

willens en wetens de aanmerkelijke kans voor zijn rekening genomen dat zijn vader in de toestand waarin hij verkeerde plotseling agressief zou worden en gebruik zou maken van het vuurwapen in die zin dat daarmee de slachtoffers van het leven zouden worden beroofd. Derhalve was sprake van voorwaardelijk opzet.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair vermelde medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd, en het bij dagvaarding onder 2 vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Strafbaarheid van de verdachte / verweer ontslag van alle rechtsvervolging.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de verdachte onder 2 telastgelegde brandstichting een beroep gedaan op psychische overmacht, nu verdachte door de door zijn vader geloste schoten en geuite bedreigingen, alsmede de vrees voor zijn eigen leven, zijn wil niet meer zelf kon bepalen en slechts de aanwijzingen van zijn vader kon opvolgen.

Reeds uit hetgeen omtrent het voorwaardelijk opzet van verdachte hiervoor - onder “Bewijsoverwegingen” - werd overwogen vloeit voort dat dit verweer moet worden verworpen.

Verdachte is derhalve deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt voorts met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf als volgt.

Verdachte en zijn vader zijn verantwoordelijk voor de dood van twee jonge mensen, [slachtoffer1] en [slachtoffer2]. De slachtoffers kenden elkaar oppervlakkig van het Haagse uitgaansleven. Verdachte en zijn vader kenden naar eigen zeggen [slachtoffer1] en [slachtoffer2] niet, zij hadden hen die avond voor het eerst in discotheek de “O” ontmoet.

Verdachte heeft aanvankelijk - met medeneming van zijn vader - de discotheek verlaten, omdat hij problemen verwachtte in verband met diens overmatige drankgebruik. Niet lang daarna is hij met zijn vader teruggereden naar eerdergenoemde discotheek, hoewel het tegen sluitingstijd was, in een auto waarin, naar hij vermoedde, een wapen verborgen was. Daar aangekomen heeft verdachte op aangeven van zijn vader de beide slachtoffers uitgenodigd om in de auto plaats te nemen en mee te rijden. Zijn vader ging - op aangeven van verdachte zelf - op de achterbank zitten. Vervolgens heeft verdachte op verzoek van zijn vader nog een vuurwapen opgehaald in het woonwagenkamp, waar beiden woonachtig waren. Kort nadat hij dit had gedaan, heeft zijn vader de beide slachtoffers in de auto door het hoofd geschoten. Verdachte heeft vervolgens de auto gereden naar een parkeergarage in Loosduinen, waar de lichamen van de slachtoffers door verdachte en zijn vader uit de auto zijn gesleept en op de grond zijn gelegd. Vervolgens heeft verdachte tegen zijn vader gezegd dat de slachtoffers nog leefden, waarna de beide slachtoffers nogmaals in het hoofd zijn geschoten.

Het gaat hier om gruwelijke misdrijven, waardoor de rechtsorde zeer ernstig is geschokt.

Twee nietsvermoedende jonge mannen zijn na een avondje stappen eenvoudig ‘afgeknald’.

Niet is gebleken dat zij zelf daartoe enige aanleiding hebben gegeven.

Ondanks zeer uitgebreid en gedetailleerd onderzoek van de politie dienaangaande en ondanks twee dringende oproepen van de moeders van de slachtoffers aan verdachte en zijn vader om daaromtrent opheldering te verschaffen zodat zij met hun rouwverwerking zouden kunnen beginnen, is van enig motief voor deze doodslagen in het geheel niet gebleken. Mede door de absolute zinloosheid van deze gebeurtenis is de afschuw en het gevoel van onveiligheid niet alleen in de onmiddellijke omgeving van de slachtoffers, maar ook in de rest van de samenleving, groot.

De rechtbank heeft begrip voor de stelling van nabestaanden, dat geen enkele straf het toegebrachte leed kan goedmaken. Die stelling kan echter niet zonder meer leiden tot de conclusie, dat dan alleen de bij de Wet toegestane maximumstraf een passende straf is.

De rechtbank dient ook rekening te houden met het gelijkheidsbeginsel - of, anders benaderd, met de verhouding tot in andere zaken opgelegde c.q. op te leggen straffen - en met het daadwerkelijke aandeel dat deze verdachte heeft gehad bij de dood van beide slachtoffers.

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen voor het medeplegen van moord meermalen gepleegd tot het maximum van de daarop wettelijk gestelde straf: levenslange gevangenisstraf.

Nu de rechtbank - anders dan de officier van justitie - niet bewezen acht dat sprake was van medeplegen van moord, is zij gehouden aan het wettelijk maximum dat is gesteld op de bewezenverklaarde doodslag meermalen gepleegd: 20 jaar gevangenisstraf.

Voor de vraag wat in dit geval in relatie tot genoemd wettelijk maximum een passende straf is, neemt de rechtbank haar uitgangspunt in de zogenaamde oriëntatiepunten straftoemeting, over het gebruik waarvan - door de rechterlijke colleges in Nederland - afspraken zijn gemaakt. Die oriëntatiepunten hebben vooral betrekking op één aspect, dat voor de straftoemeting van belang is, namelijk de ernst van de gepleegde feiten. Indien alleen op dat aspect zou worden gelet, zou in het onderhavige geval moeten worden gedacht aan een gevangenisstraf in de orde van 10 tot 12 jaar.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte niet zelf heeft geschoten. Anderzijds heeft hij in de aanloop naar de schietpartij op diverse momenten de kans gehad om op de dwalingen zijns weegs terug te keren. Die kansen heeft hij steeds voorbij laten gaan. Hij is volop actief gebleven tot het laatste moment. Hij heeft er aan meegeholpen de lichamen van de slachtoffers uit de auto te halen. Hij gaf de aanwijzing aan zijn vader die leidde tot de laatste schoten. Vervolgens speelde hij een meer dan actieve rol bij het verwijderen van sporen, onder andere door het in brand steken van de auto, waarbij ook nog eens gevaar voor goederen van anderen ontstond.

Dat dit alles zou zijn gebeurd onder druk van zijn vader is zelfs niet in beginsel aannemelijk geworden. Integendeel, uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich niet alleen vóór maar ook nà de dood van [slachtoffer2] en [slachtoffer1] samen met zijn vader heeft beziggehouden met respectievelijk de uitvoering van bedreiging met een vuurwapen

(telastgelegd feit 3) en het plannen van een gewapende overval op zijn werkgever, waarbij diens dood geenszins werd uitgesloten. Daaruit valt ook af te leiden dat van werkelijke spijt van het gebeuren op 14 mei 2000 geen sprake was en dat bij verdachte van een verontrustende gewetenloosheid sprake is. Met zijn houding ter terechtzitting en het aldaar afleggen van op diverse punten kennelijk leugenachtige verklaringen heeft verdachte die verontrusting bepaald niet weggenomen, integendeel.

Voor wat betreft de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank ook gelet op de inhoud van het rapport van psychiater dr B.A. Blansjaar van 18 januari 2001 en het rapport van psycholoog drs F.G. Schilder van 1 maart 2001. Beiden achten de telastgelegde - en thans bewezenverklaarde - feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Uit de rapporten komt overigens wel naar voren dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, met name anti-sociale en borderline trekken en beperkingen in de gewetensfuncties.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het adviesrapport van het Leger des Heils te Den Haag, d.d. 8 januari 2001.

Mede gelet op de in bovengenoemde rapporten vermelde persoonlijkheidsproblematiek, die onder meer tot uitdrukking komt in beperkingen van de gewetensfuncties van verdachte acht de rechtbank het gevaar van deze verdachte voor de samenleving groot.

Het zijn dan ook - naast de bewezenverklaarde brandstichting - met name de gruwelijke zinloosheid van de doodslagen en het gevaar voor herhaling die de op te leggen straf hebben bepaald.

De rechtbank is van oordeel, dat de samenleving tegen verdachte zo lang mogelijk - en dat laatste bezien in relatie met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten - moet worden beveiligd. Zij vindt hierin aanleiding om naar boven toe van de oriëntatiepunten af te wijken.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank na te melden gevangenisstraf passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 47, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde medeplegen van moord en bij dagvaarding onder 3 telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd en het bij dagvaarding onder 2 telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

MEDEPLEGEN VAN DOODSLAG, MEERMALEN GEPLEEGD;

Ten aanzien van feit 2:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 3 oktober 2000,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 6 oktober 2000.

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Verheij, voorzitter,

Kortenhorst en Schaffels, rechters,

in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2001.