Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1369

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/1493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 21
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 4.3
Gaswet
Gaswet 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2001, 83 met annotatie van J.M. Verschuuren
NTM/NJCM-bull. 2001, p. 1035 met annotatie van T.C. Leemans
JM 2001/127 met annotatie van Lambers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 99/1493 van:

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

NATIONALE JONGERENRAAD VOOR MILIEU EN ONTWIKKELING,

gevestigd te Utrecht,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

GREENPEACE NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

procureur mr L.S. de Korte,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur eerst mr W.H. van Wijk, thans mr E.C.M. Schippers.

Eiseressen worden afzonderlijk aangeduid als de Jongerenraad en Greenpeace, gedaagde als de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de dagvaarding en de zakelijk daarmee overeenstemmende conclusie van eis met producties;

de conclusie van antwoord met producties;

de conclusie van repliek met producties;

de conclusie van dupliek met producties;

een akte houdende uitlating producties zijdens eiseressen;

een akte houdende producties zijdens de Staat, met productie.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, eiseressen door mr A.H.J. van der Biesen, advocaat te Amsterdam, de Staat door mr J.H. Geerdink, kantoorgenoot van mr Schippers. Zij hebben pleitnotities overgelegd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. de feiten

Onder het grondgebied van Nederland en het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentaal plat bevindt zich een aardgasvoorraad. Uit die voorraad wordt aardgas gewonnen door bedrijven op grond van concessies en vergunningen die zijn verleend door de Staat. Het tempo waarin de winningen plaatsvinden wordt door de Staat beïnvloed. Bij die beïnvloeding voert de Staat een beleid dat er in zijn huidige vorm toe leidt dat de thans bekende voorraad rond 2030 zal zijn verbruikt.

2. de vordering, de grondslag en het verweer

2.1 Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig handelt jegens hen door niet te verhinderen dat de Nederlandse aardgasvoorraad omstreeks 2030 geheel zal zijn uitgeput, althans door het voeren van een aardgasbeleid dat ertoe leidt dat de Nederlandse aardgasvoorraad geheel wordt uitgeput binnen een periode van 30 tot 35 jaar, waarbij geen “kritische-voorraadperiode” van 50 jaar wordt gehanteerd en geen beleid bestaat voor het ontwikkelen van duurzame substituten voor de kleiner wordende aardgasvoorraad:

II. de Staat zal veroordelen om:

1. binnen drie maanden na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen tijdstip, te beginnen met het vaststellen van aardgasbeleid dat volledig en aantoonbaar voldoet aan de door eiseressen omschreven eisen van het duurzaamheidsbeginsel, althans een aardgasbeleid vast te stellen dat in ieder geval voor het opmaken van de Nederlandse aardgasvoorraad een “kritische-voorraadperiode” hanteert van 50 jaar of langer zodat voldoende tijd (en stimulans) bestaat voor het ontwikkelen van volwaardige alternatieve energiebronnen in plaats van het Nederlandse aardgas, en

2. uiterlijk binnen een jaar na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te stellen tijdstip het hiervoor onder II sub 1 bedoelde beleid daadwerkelijk te hebben vastgesteld;

een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2 Eiseressen leggen aan hun vordering ten grondslag dat de Staat krachtens artikel 21 van de Grondwet gehouden is zorg te dragen voor de bescherming van het milieu en dat de invulling van deze taak op basis van het duurzaamheidsbeginsel dient te geschieden. Zij stellen dat de Staat, door een aardgasbeleid te voeren als in rechtsoverweging 1.1 omschreven, het duurzaamheidsbeginsel niet, althans onvoldoende, in dat beleid heeft betrokken en daarmee de belangen schendt die eiseressen krachtens hun statuten en blijkens hun feitelijke werkzaamheden behartigen, hetgeen ten opzichte van hen onrechtmatig is.

Zij stellen voorts dat de Staat door dat beleid diverse in de dagvaarding genoemde bepalingen uit internationale verdragen en het EG-verdrag schendt en dat het duurzaamheidsbeginsel en de invulling die daaraan op internationaal, Europees en nationaal niveau is gegeven, de weergave en de bevestiging van een norm zijn die door de Staat is onderschreven en waaraan de Staat zich voor zijn gedragingen gebonden heeft. Zij voeren aan dat deze norm de weerspiegeling vormt van wat in het maatschappelijk verkeer, ook door de Staat, voor zorgvuldig wordt gehouden en dat handelen in strijd daarmee strijd oplevert met wettelijke normen en met de maatschappelijke zorgvuldigheid, hetgeen onrechtmatig is jegens eiseressen.

Zij stellen bovendien dat de Staat, door de genoemde afspraken, waaraan hij zich gecommitteerd heeft, niet na te leven, handelt in strijd met terzake gewekte verwachtingen en op die grond eveneens onrechtmatig handelt.

2.3 De Staat voert gemotiveerd verweer.

3. beoordeling

bevoegdheid

3.1 De Staat werpt in de eerste plaats een punt van bevoegdheid op. Uit de door de Staat genomen conclusies begrijpt de rechtbank dit verweer aldus dat de Staat niet beoogt te stellen dat de rechtbank onbevoegd is van de vorderingen van eiseressen kennis te nemen, maar dat de rechtbank niet bevoegd is het in rechtsoverweging 2.1 omschreven, onder II gevorderde toe te wijzen. Op dit punt zal de rechtbank ingaan ingeval zij van oordeel is dat het handelen van de Staat onrechtmatig is.

ontvankelijkheid

3.2 De Staat vraagt zich af of eiseressen ontvankelijk kunnen worden verklaard in hun vordering, aangezien zij geen verklaring voor recht kunnen vragen nu het door de Staat gevoerde aardgasbeleid tussen de Staat en hen geen rechtsverhouding schept. De Staat stelt dat arti-kel 3:302 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een dergelijke vordering reserveert voor degene die bij de rechtsverhou-ding onmiddellijk is betrokken.

3.3 De rechtbank kan het betoog van de Staat op dit punt niet volgen. Eiseressen vragen de rechtbank om een verkla-ring voor recht, inhoudende dat de Staat jegens hen een onrecht-matige daad heeft gepleegd. Bij de rechtsver-hou-ding die door het plegen van die onrechtmati-ge daad ontstaat, zijn eiseressen, die optre-den ter behartiging van hun statutaire belangen, onmiddel-lijk betrokken. Zij hebben bij een verklaring voor recht gelet op de voor hen bestaande onmogelijkheid om schade-vergoeding te vragen voldoende belang.

3.4 Met betrekking tot de ontvankelijkheid vraagt de Staat zich bovendien af of de gebundelde belangen van de burgers waarvoor eiseressen in de onderhavige zaak optreden, voldoende concreet zijn om hen met een beroep op artikel 3:305a van het BW ontvankelijk te oordelen in hun vorderingen.

3.5 De rechtbank is van oordeel dat deze vraag positief moet worden beantwoord. Het belang waarvoor eiseressen in de onderhavige procedure opkomen, is daarin gelegen dat ook rond 2030 de inwoners van Nederland (waarvoor eiseressen stellen op te treden) tegen met de huidige prijs vergelijkbare kosten in hun energiebehoefte moeten kunnen voorzien. Dit (vermogensrechtelijke) belang is, gelet op het feit dat tussen partijen onbetwist is dat reeds thans stappen moeten worden ondernomen om de energievoorziening op die termijn veilig te stellen, voldoende concreet om eiseressen in het licht van artikel 3:305a van het BW ontvankelijk te oordelen in hun vordering. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden om eiseressen in hun vordering niet-ontvankelijk te achten.

inbreuk op de rechten van eiseressen

3.6 De rechtbank begrijpt de stellingen van eiseressen met betrekking tot artikel 21 van de Grondwet aldus dat zij beogen te stellen dat de Staat door zijn beleidsvoering met betrekking tot het aardgas in het licht van dat artikel inbreuk maakt op hun rechten door inbreuk te maken op de belangen die zij statutair behartigen. Terzake voert de Staat het verweer dat aan de overheid een ruime beleidsmarge wordt gegeven met betrekking tot de vraag hoe deze taak zal worden vervuld en dat gelet op dit beleidsmatige karakter aan dit sociale grondrecht in rechte niet kan worden getoetst. Voorts betwist de Staat dat hij in zijn aardgasbeleid het duurzaamheidsbeginsel niet, althans onvoldoende heeft betrokken.

3.7 De rechtbank stelt voorop dat eiseressen zich concentreren op één onderdeel van het totale energiebeleid: het aardgasbeleid en de Nederlandse aardgasvoorraad. De rechtbank is van oordeel dat het aardgasbeleid niet los van het beleid voor andere energiebronnen beoordeeld kan worden dat bij die beoordeling ook rekening moet worden gehouden met andere belangen dan het duurzaamheidsbeginsel. Zelfs als de rechtbank er met eiseressen vanuit zou gaan dat bij een beoordeling van het aardgasbeleid in het licht van het duurzaamheidsbeginsel alleen acht geslagen zou mogen/moeten worden op de nationale aardgasvoorraad, dan nog geldt het volgende.

3.8 De rechtbank is van oordeel dat aan de overheid bij de uitvoering van zijn hiervóór genoemde grondwettelijke taak onder andere om de in rechtsoverweging 3.7 vermelde redenen een ruime beleidsmarge toekomt. Bovendien dwingt noch de tekst, noch de totstandkomingsgeschiedenis van genoemd grondwetsartikel ertoe aan het begrip duurzaamheid bij het beheer van de Nederlandse aardgasvoorraad de specifieke door eiseressen gewenste betekenis te geven. Het enkele feit dat de Staat bij zijn beleidsvoering op dit punt in strijd zou kunnen komen met de interpretatie die eiseressen thans aan hun statutaire doelstelling geven (in de statuten van de Jongerenraad is het begrip duurzame ontwikkeling niet nader omschreven; Greenpeace heeft als statutaire doelstelling ‘natuurbehoud’), maakt het beleid van de Staat jegens eiseressen niet onrechtmatig, nog daargelaten dat de Staat bij de totstandkoming en de interpretatie van deze statuten niet betrokken is. De rechtbank zal deze stelling van eiseressen dan ook niet volgen.

strijd met een wettelijke plicht

3.9 Blijkens de dagvaarding hebben eiseressen bij hun stelling dat de Staat internationale verdragen zou hebben geschonden, het oog op verklaringen inzake duurzaamheid, opgenomen in:

Resolutie 42/147 van 11 december 1987 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (verder: AVVN) (bekrachtiging van het Brundtland-rapport en de als bijlage opgenomen juridische principes);

de Verklaring van Stockholm van 16 juni 1972 (UN doc. A/CONF/.48);

Resolutie 37/7 van 28 oktober 1982 van de AVVN (World Charter of Nature);

Resolutie 48/190 van de AVVN (instemming met de tijdens de United Nations Conference on Environment and Development in Rio de Janeiro van 3 tot en met 14 juni 1992 ontwikkelde Verklaring van Rio).

De Staat heeft als verweer aangevoerd dat dit geen wettelijke bepalingen betreft maar algemene beginselen die richtinggevend zijn voor staten.

3.10 De rechtbank is van oordeel dat de in rechtsoverweging 3.8 bedoelde resoluties en verklaring, waarin het duurzaam-heidsbe-ginsel is opgenomen, gelet op hun inhoud en wijze van totstand-koming geen verdrags-bepalingen of beslui-ten van internationa-le organisa-ties zijn waardoor de Staat jegens eiseressen rechtens gebonden is.

3.11 Ter zake van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals laatstelijk gewijzigd (verder: het EG-verdrag), hebben eiseressen blijkens de dagvaarding het oog op de artikelen 2, 6, 10 en 174, eerste lid, van dat verdrag. De Staat heeft als verweer aangevoerd dat deze bepalingen geen directe werking hebben, aangezien daarin wordt aangegeven welke doelstellingen via het beleid van de Europese Gemeenschap moeten worden nagestreefd en derhalve geen verplichtingen voor de individuele Lid-Staten bevatten.

3.12 Blijkens hun tekst richten de artikelen 2, 6 en 174, eerste lid, van het EG-verdrag zich op de Europese Gemeenschap en haar organen; zij houden derhalve geen wettelijke verplichtingen voor de Staat in. Artikel 10 van het EG-verdrag, dat de Lid-Staten verplicht alle maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het EG-verdrag of uit handelingen van de gemeenschapsinstellingen voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, de vervulling van de taak van de Europese Gemeenschap te vergemakkelijken en zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-verdrag in gevaar kunnen brengen, richt zich, anders dan de Staat stelt, wel tot de Staat. Eiseressen hebben evenwel nagelaten om te onderbouwen waarom de Staat door het voeren van een beleid als omschreven in rechtsoverweging 1 nalatig is gebleven in de nakoming van de krachtens artikel 10 van het EG-verdrag op hem rustende verplichtingen. Nu dat niet duidelijk uit de tekst van het EG-verdrag (met name ontbreekt in het EG-verdrag een definitie van duurzaamheid of duurzame ontwikkeling als door eiseressen voorgestaan, terwijl een dergelijke definitie daaruit evenmin is af te lezen) of uit secundaire EG-regelgeving valt te lezen en de Staat gemotiveerd heeft betwist dat zijn beleid in strijd is met de EG-regelgeving (zie punt 7.11 van de conclusie van antwoord), had dat wel op hun weg gelegen. De rechtbank zal deze stelling van eiseressen daarom als onvoldoende onderbouwd terzijde laten; aan een bewijsopdracht komt zij dientengevolge niet toe.

3.13 Voor zover eiseressen hebben beoogd te stellen dat de Staat bij het vaststellen van zijn beleid inzake de Nederlandse aardgasvoorraad heeft gehandeld in strijd met artikel 4.3, tweede lid, van de Wet milieubeheer, overweegt de rechtbank dat dat artikel (waarin het duurzaam-heidsbe-ginsel is opgeno-men) rich-tinggevend is voor natio-nale milieubeleids-plan-nen en door eiseressen niet kan worden ingeroe-pen tegen het aardgasvoorraadbeleid.

3.14 Bij pleidooi hebben eiseressen nog aangevoerd dat het op 10 augustus 2000 in werking getreden artikel 52 van de Gaswet, waarin is opgenomen dat het regelmatig op te stellen Energierapport een prognose dient te bevatten betreffende het nationaal en internationaal gasreservebeleid voor de komende 50 jaar, in het licht van het duurzaamheidsbeginsel aldus moet worden geïnterpreteerd dat die 50 jaar dient te worden opgevat als een vanuit het duurzaamheidsbeginsel relevante periode.

3.15 Voor zover eiseressen daarmee mochten bedoelen te stellen dat artikel 52 van de Gaswet, geïnterpreteerd in het licht van het duurzaamheidsbeginsel, de Staat ertoe verplicht een “kritische voorraad” van Nederlands aardgas voor 50 jaar aan te houden, verwerpt de rechtbank deze stelling. Dit artikel verplicht de Staat slechts ertoe zich er telkens rekenschap van te geven hoe groot de nationale en de internationale aardgasreserve 50 jaar na het vaststellen van het Energierapport zullen zijn, met het kennelijke oogmerk dat de Staat zijn totale energiebeleid daarop afstemt. In elk geval dwingt het artikel er, alleen al door de nationale en de internationale gasreserve op één lijn te plaatsen, niet toe een kritische voorraad aan Nederlands aardgas voor 50 jaar aan te houden.

3.16 Aangezien de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de Staat in strijd met een wettelijke verplichting heeft gehandeld zal zij het door de Staat vastgestelde aardgasvoorraadbeleid evenmin op deze grond onrechtmatig achten.

strijd met maatschappelijke zorgvuldigheid en gewekte verwachtingen

3.17 De Staat betwist dat hij heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en met terzake gewekte verwachtingen. Met name stelt de Staat dat aan het feit dat hij de bovenomschreven internationale resoluties en verklaring heeft ondertekend, slechts de verwachting kan worden ontleend dat hij zal streven naar een duurzame energiehuishouding en dat hij daartoe de nodige maatregelen zal nemen. Hij stelt dat er, gezien de inspanningen die door de Staat zijn en werden geleverd op dat vlak, geen sprake is van schending van dit vertrouwen.

3.18 De rechtbank volgt dit verweer. Het moge zo zijn dat de Staat de verwachting heeft gewekt het beginsel van duurzame ontwikkeling te onderschrijven, eiseressen hebben niet onderbouwd en ook overigens is niet gebleken dat de Staat zich op enig moment ten aanzien van de voor Nederland beschikbare aardgasvoorraad zou hebben gecommitteerd aan een beheer dat is gebaseerd op een “kritische-voorraadperiode” van 50 jaar. Evenmin hebben eiseressen voldoende onderbouwd waarom de Staat door bij zijn beleid rekening te houden met in het buitenland beschikbare voorraden handelt in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Gelet op de naar haar oordeel onvoldoende onderbouwing komt de rechtbank ook wat deze grondslag van de vordering betreft aan een bewijsopdracht niet toe. De vordering komt op deze grond evenmin voor toewijzing in aanmerking.

algemeen

3.19 Nu de door eiseressen aangevoerde gronden niet leiden tot het oordeel dat het litigieuze aardgasbeleid van de Staat onrechtmatig is en de rechtbank daartoe ook overigens geen gronden aanwezig acht, zal de vordering, omschreven in rechtsoverweging 2.1, onder I, worden afgewezen. De aldaar onder II omschreven vordering behoeft dientengevolge geen behandeling.

3.20 Eiseressen zullen als in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseressen in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 400,- aan griffierecht en ƒ 3.440,- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs P. Kalbfleisch, A.V. van den Berg en A.E.A.M. van Waesberghe en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.